Tussen gok en overtuiging

Regeren is vooruitschuiven. Dat heeft Tony Blair de afgelopen weken weer eens laten zien. De op 3 mei verwachte parlementsverkiezingen zijn tot nader order uitgesteld vanwege de mond- en klauwzeerepidemie. De mogelijke electorale effecten daarvan zijn moeilijk te voorspellen. Falend crisismanagement zou Blair wel eens akelig kunnen opbreken, maar tegelijk verschaft de crisis hem een uitgekiende kans zijn leiderschap te tonen. Of althans de indruk te wekken dat hij de zaken onder controle heeft. En juist het ophouden van de schijn – zeggen zijn tegenstanders afgunstig – is misschien wel Blairs grootste kracht.

Het ontbinden van het parlement is, met het benoemen van de premier, één van de twee nog overgebleven koninklijke prerogatieven in Engeland, al is een persoonlijke inbreng van de monarch alleen voorstelbaar in een politiek onoverzichtelijke situatie. Daarvan is op dit moment, gezien de onfatsoenlijk grote parlementaire meerderheid van Labour, geen sprake. In feite kan Blair dan ook geheel op eigen houtje de verkiezingsdatum uitkiezen. Het illustreert de machtspositie van de Britse premier, waaraan Peter Hennessy een uitputtende studie heeft gewijd, met als pièce de résistance een overzicht van die ene vrouw (met handtas) en de tien mannen die het ambt sinds de Tweede Wereldoorlog hebben bekleed.

Knop

In zijn inmiddels klassieke boek Whitehall (1989) schetste Peter Hennessy de grote invloed achter de schermen van het Britse mandarijnendom, de Sir Humphrey's uit de televisieserie Yes, Minister, die een fluisterrol in de corridors of power als hoogste roeping zagen. Hoewel The Prime Minister even massief is uitgevallen als zijn voorganger, betwijfel ik of het boek net zo klassiek zal worden. De premiers laten zich minder makkelijk in een hokje stoppen dan de mandarijnen. Bovendien weet Hennessy de hoofdlijn van zijn verhaal – de wijze waarop de premier omgaat met zijn bevoegdheden, met zijn naaste collega's in het kabinet en met het kabinet als collectief – vaak nauwelijks vast te houden. Voortdurend wordt die verduisterd door een vracht aan anekdotische informatie. Hij kan ook zelden de verleiding weerstaan zichzelf sprekend op te voeren: `toen ik op 25 Juli 1999 in het pissoir van Glyndebourne, tijdens de pauze van Smetana's Verkochte Bruid, naast Edward Heath stond...'

De meest angstaanjagende bevoegdheid van de premier is zijn controle over het Britse kernwapen. Hij en niemand anders bedient zonodig de nucleaire knop. In de dagelijkse praktijk is een andere knop echter veel belangrijker: die waarmee de premier de carrières van zijn politieke vrienden kan maken en breken. Iedere minister, van de collega's in het kabinet tot de tientallen onderministers die de frontbenches in Lager- en Hogerhuis bevolken, weet zich daardoor afhankelijk van de gunst van de premier. Hoe vrij hij met deze macht kan omgaan is uiteraard een kwestie van politiek. Tony Blair maakt tot dusver opvallend weinig gebruik van dit machtsmiddel. De paniekerige manier waarop hij zich onlangs ontdeed van zijn spindoctor Peter Mandelson is een uitzondering. Andere ministers, zoals de in het begin van deze regeerperiode publiekelijk afgebrande minister van Buitenlandse Zaken Robin Cook, hebben rustig de tijd gekregen hun politieke krediet te herstellen. Maar dat elke premier, hoe machtig ook, in laatste instantie toch afhankelijk is van de steun van zijn eigen Lagerhuiscollega's leert de les van Margaret Thatcher. Hoewel zij de Conservatieven een nieuw gezicht had gegeven en nog nooit een verkiezing had verloren, sneuvelde zij door een dolkstoot van haar eigen partijgenoten. `It's a funny old world', verzuchtte ze en ze begrijpt het nog steeds niet.

Waar andere premiers het kabinet echt besluiten lieten nemen of tenminste als klankbord gebruikten, is de rol van de wekelijkse kabinetsvergadering onder Tony Blair tot een minimum gereduceerd. Het kabinet vergadert niet langer dan een uur. De echte zaken worden gedaan in bilateraaltjes tussen de premier en de afzonderlijke ministers. Wel is er altijd aandacht voor `The Grid', de presentatie van het regeringsbeleid in de komende week, ingebed in een ruimere agenda van culturele en zelfs sportevenementen. Dit bevestigt het beeld dat zijn tegenstanders graag van Blair ophangen – als iemand bij wie de publieke zaak zou zijn gedegradeerd tot een vorm van public relations.

Hennessy's historische perspectief werkt hier corrigerend. Ook voor veel eerdere premiers waren die public relations belangrijk. De charmante poseur Macmillan beheerste de kunst parlement en publiek te bespelen tot in de puntjes. En Harold Wilson, in het Lagerhuis een gewiekste debater, speelde daarbuiten de rol van vriendelijke televisie-oom van alle Engelsen, gemodelleerd naar het vooroorlogse voorbeeld van Stanley Baldwin (inclusief diens handelsmerk: de pijp). Een verschil is wel dat het Lagerhuis, dat voor Macmillan en Wilson nog de centrale arena was, in het Blair-tijdperk veel minder belangrijk is geworden. Dit ondanks de permanente aanwezigheid van de televisiecamera's.

De regeerstijl van Tony Blair wordt vaak gekenschetst als presidentieel. Het Witte Huis van zijn vriend Bill Clinton zou zijn grote voorbeeld zijn, maar dan wel — zoals de doorgewinterde politica Shirley Williams opmerkte — zonder de ingebouwde `checks and balances' van het Amerikaanse stelsel. Wie denkt dat de (nog altijd ongeschreven) Britse constitutie een zorgvuldig uitgewogen opeenstapeling van tradities en precedenten is, wordt door Hennessy's boek ruw uit de droom geholpen. Het is veel meer een zaak van `hit and miss', waarbij de precedenten ter plekke worden gefabriceerd naar gelang ze nodig zijn. Het premierschap is wat de premier er zelf van weet te maken, zei Asquith lang geleden al. Voor Blair lijkt dat soms, net als voor Thatcher, te betekenen: waarmee hij kan wegkomen.

Hitparade

Hennessy sluit zijn boek af met een hitparade van de elf naoorlogse premiers en hun huidige reputatie, waarbij Churchill als vredespremier (1951-55) alleen hors concours meedoet. De overblijvende toptien wordt aangevoerd door Attlee, de wat grijze Labourleider die Churchill na de oorlog opvolgde en wiens reputatie sindsdien alleen maar gestegen is. Hij deelt die eerste plaats met Margaret Thatcher, vanwege de politieke cultuurschok die ze heeft veroorzaakt. Zij worden gevolgd door Edward Heath, die door Hennessy niet wordt beschouwd als een ietwat miskende en ongelukkige voorloper van Thatcher maar juist als apotheose van de naoorlogse consensuspolitiek die het onderscheid tussen Labour en de Conservatieven steeds meer deed vervagen. Veel waardering heeft hij ook voor de politieke standwerkers Macmillan en Wilson. Callaghan, die Wilson opvolgde kreeg niet de kans te laten zien wat hij werkelijk waard was. Datzelfde gold voor Douglas-Hume die slechts 363 dagen regeerde en die met zijn skeletachtige aristocratische voorkomen een dankbaar mikpunt was voor oppositieleider Wilson. Nog een trapje lager staat John Major die de klap van Zwarte Woensdag 16 september 1992 (toen het Britse pond het ERM-stelsel van vaste wisselkoersen moest verlaten) wel nooit te boven zal komen. Onderaan bungelt Anthony Eden, Churchills eeuwige kroonprins, wiens samenspanning met Frankrijk en Israël in de Suez-crisis alleen door hemzelf werd beschouwd als `the highest form of statesmanship'.

Tony Blair is, zoals het er nu naar uitziet, nog lang niet toe aan bijzetting in dit pantheon, laat staan dat we weten op welk plekje. De Conservatieven die hem voosheid en beginselloosheid verwijten, vergeten gemakshalve dat Blair in korte tijd enkele belangrijke hervormingen heeft doorgevoerd. Door zijn toedoen is de erfelijke dimensie van het Hogerhuis — heel lang een doorn in het oog van Labour — tot een hermelijnen randje teruggebracht. Belangrijker is nog de devolutie van bevoegdheden naar Wales en vooral Schotland. Maar zelfs na vier jaar New Labour weten velen — vrienden en vijanden — nog steeds niet goed wat ze aan Blair hebben. Het is dan ook een open vraag of hij in het Britse pantheon zal belanden bij de bishops of bij de bookies, de overtuigingspolitici dan wel de beroepsgokkers, waarin Macmillan de Britse premiers placht te verdelen.

Peter Hennessy: The prime minister. The office and its holders since 1945. Allen Lane, 686 blz. ƒ104,25

[Kop pagina: Politiek]

    • N.C.F. van Sas