Tussen dankbaarheid en bitterheid

De gereformeerden zijn altijd een relatief kleine minderheid in de Nederlandse samenleving geweest, maar met een onevenredig grote inbreng. De gereformeerde theologie, van Kuyper tot Kuitert, kan nog altijd op ruime belangstelling rekenen. Ook de invloed die dit volksdeel, vooral via de Antirevolutionaire Partij, heeft gehad op maatschappelijk en politiek terrein is niet te onderschatten. Over gereformeerden is ook na Geert Maks De eeuw van mijn vader het laatste woord nog niet geschreven. Nog lang niet. De jaarboeken die worden uitgegeven door het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme laten zien dat de gereformeerde wereld een rijke bron voor onderzoek blijft. Diverse proefschriften verschenen de laatste jaren over aspecten uit de geschiedenis van de ARP. En er zijn nog meer boeken over het gereformeerde leven onderweg.

De centrale plaats van het Woord in de gereformeerde traditie is er wellicht de oorzaak van dat veel gereformeerden en ex-gereformeerden nog altijd met een zekere gretigheid de pen ter hand nemen. Twee recent verschenen autobiografische werken uit gereformeerde kring, Jonge jaren 1921-1945 van de historicus George Puchinger en Ruim geloven. Een theologisch zelfportret van de Kamper hoogleraar C.J. den Heyer, bieden samen een boeiend perspectief op een kleine eeuw gereformeerdendom.

Er zijn veel overeenkomsten tussen de twee hoofdpersonen. Puchinger en Den Heyer groeiden beiden op in een gereformeerde familie. Puchinger nam zich in 1941 voor theologie te gaan studeren in Kampen – niet om predikant te worden, maar omwille van de theologische studie zelf. Hij zag er uiteindelijk van af door de scheuring die zich in 1944 in de Gereformeerde Kerken voordeed. Overigens was hij tijdens de bezetting volgens zijn vervalste persoonsbewijs hulpprediker. En als zodanig heeft hij zich ten opzichte van medegevangenen en kampgenoten ook gedragen.

Den Heyer ging in 1964 aanvankelijk farmacie studeren in Utrecht, maar zwaaide na enkele maanden om naar theologie in Kampen. Hoewel hij regelmatig preekte – meer dan dertienhonderd keer, becijfert hij zelf – werd ook hij geen predikant. Na afronding van zijn studie bleef hij bij de theologische universiteit werken. Zowel Puchinger als Den Heyer was enige tijd lid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de ene als jong volwassene, de ander als peuter. Beiden bonden de strijd aan met wat ze zagen als de dode orthodoxie in hun kerken. En beiden zijn door hun optreden in aanvaring gekomen met hun geestverwanten.

Pleegmoeders

Maar de verschillen tussen de twee zijn groter dan de overeenkomsten.

Puchinger werd in 1921 in Amsterdam geboren als zoon van een uit Bohemen afkomstige ongehuwde moeder. Hij werd rooms-katholiek gedoopt. Toen hij vijf jaar was, overleed zijn moeder en werd hij geadopteerd door de gereformeerde directrice van het tehuis waarin hij met zijn moeder was opgevangen. Deze stopte met haar werk en verhuisde in 1932 van Amsterdam naar Zeist. Zijn pleegmoeder overleed toen hij veertien was, waarna hij onder de hoede kwam van haar zuster.

Dat Puchinger een excentriekeling was, bleek al op de hbs. Hij was een zwakke leerling die tweemaal doubleerde, maar al vroeg zeer geïnteresseerd bleek in geschiedenis, literatuur en theologie. Bij het uitbreken van de oorlog fietste hij van Zeist naar Den Haag, waar hij als middelbaar scholier bij Colijn aanbelde en hem zijn diensten aanbood. Die raadde hem aan eerst maar eindexamen te doen. Puchinger slaagde met de hakken over de sloot en ging vervolgens in Utrecht studeren. Daar volgde hij de eerste jaren zoveel mogelijk colleges in de vakgebieden letterkunde, geschiedenis, rechten, indologie, filosofie en theologie.

De in 1999 overleden Puchinger is, ook in zijn postuum uitgegeven autobiografie, een ouderwets eloquente, zij het wat breedsprakige verteller met oog voor het saillante detail. De manier waarop hij over zijn moeder en zijn beide pleegmoeders schrijft geeft een kleurrijke inkijk in het gereformeerde leven voor en tijdens het interbellum. Daarbij trekt hij regelmatig lijnen door naar het heden. Zo moet hij niets hebben van moderne schrijvers als Jan Wolkers en Maarten 't Hart, die afgeven op hun gereformeerde verleden. `Ook bij journalisten en columnisten valt mij op hoe weinig begrip zij hebben van het verleden, en hoe elke bescheidenheid moet wijken voor de onnozele arrogantie van een nageslacht, dat alleen maar wil weten `wie herrlich weit wir es gebracht haben'.' Aangrijpend is de manier waarop hij over zijn onbekend gebleven vader schrijft. Hij noemt de speculaties over diens persoon en sluit zijn overwegingen daarbij af met een indrukwekkend `absolvo te'.

Puchingers ideaal is steeds geweest de oude gereformeerde orthodoxie, die steeds meer begon te lijden aan aderverkalking, nieuw leven in te blazen. Dat verklaart zijn fascinatie voor het werk van K. Schilder, de latere voorman van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en voor de nieuwe wegen die de hoogleraren Vollenhoven en Dooyeweerd probeerden te gaan met de reformatorische filosofie van de Wijsbegeerte der Wetsidee. Dat ideaal is ook de achtergrond van zijn activiteiten in de door hem opgezette SSR-reünistenorganisatie, die zich bezon op actuele vraagstukken als secularisatie en de relatie tussen de Reformatie en Rome. Maar hij is zich steeds blijven thuisvoelen in het nest waarin hij was terechtgekomen. Zijn autobiografie is een omzien in dankbaarheid.

Waar Puchingers autobiografie eindigt (aan de periode na 1945 is hij niet meer toegekomen), begint het theologisch zelfportret van Den Heyer. Hij werd in 1942 geboren in een door en door gereformeerd Schevenings nest en groeide op met Trouw, NCRV en ARP. Onder de indruk van het werk van K. Schilder ging Den Heyers vader in 1944 over naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Maar vier jaar later werd hij weer `gewoon' gereformeerd, omdat het door de vrijgemaakten gekoesterde isolement hem niet aanstond. Net als Puchinger vond Den Heyer de preken die hij, tijdens zijn meer bewust beleefde jonge jaren in Barendrecht elke zondag te horen kreeg niet buitengewoon boeiend: te lang en onbegrijpelijk. Den Heyer heeft minder moeite met de kritiek van Wolkers en 't Hart dan Puchinger.

Maar terwijl Puchinger zich in zijn tijd inzette voor een revitalisering van het gereformeerde leven lijkt Den Heyer zich steeds meer los te maken van de gereformeerde traditie. Wat begon met vraagtekens bij het bijbelse scheppingsverhaal is bij hem uitgelopen op een debat over het gezag van de bijbel.

Den Heyer heeft in zijn theologisch werk veel nagedacht en geschreven over de plaats en de betekenis van Jezus. Daarbij liet hij zich onder meer leiden door het gedachtegoed van de theoloog Albert Schweitzer, die Jezus zag als een vreemde, apocalyptische profeet, die mensen ook nu nog kan inspireren. In Jezus zien we een glimp van God, schrijft Den Heyer. Wat in de bijbel over Jezus gezegd wordt, is latere interpretatie door zijn volgelingen. Uit die verhalen moet de oorspronkelijke Jezus tevoorschijn worden gehaald.

Den Heyer vertelt uitvoerig door welke theologen hij daarbij is beïnvloed en onder invloed van welke contacten hij gekomen is tot een andere kijk op Jezus. Schweitzer, Bultmann, Schillebeeckx, theologie na Auschwitz, joodse visies op Jezus, feministische theologie – alle theologen en theologische modes die zich de laatste decennia aandienden, passeren in zijn boek de revue. Het resulteerde voor Den Heyer in een afscheid van de traditionele verzoeningsleer die alle nadruk legt op die unieke betekenis van Jezus, die gekomen is om deze `gevallen wereld' met God te verzoenen.

Net als zijn gereformeerde collega Kuitert wil Den Heyer voor (potentiële) kerkverlaters de ruimte creëren om te kunnen blijven geloven. Knellende banden van traditionele geloofsvoorstellingen moeten geslaakt worden om de gelovige lucht te geven. Alle nadruk ligt bij hem op vrije exegese buiten het keurslijf van elke dogmatiek. De tijd van de systematische geloofsleer, zoals die bijvoorbeeld vervat is in de traditionele belijdenisgeschriften is voorbij.

Gefrustreerd

Door zijn manier van theologiseren is hij via een lange omweg terechtgekomen bij de vrijzinnigheid waartegen de gereformeerde theologie zich in de negentiende eeuw zozeer verzette. Daarom bevreemdt het dat Den Heyer verbaasd is over het verzet in de Gereformeerde Kerken tegen zijn opvattingen. Hij toont zich ronduit gefrustreerd over de bijna honderd gereformeerde predikanten die zich hebben aangesloten bij een oproep tot kerkelijke strafmaatregelen tegen hem. Inmiddels heeft hij vervroegd emeritaat aangevraagd. Als ik de sfeer van zijn zelfportret goed heb geproefd is dat vervroegde emeritaat ingegeven door een omzien in bitterheid. Hij vindt dat zijn goede bedoelingen door veel gereformeerden niet op waarde zijn geschat.

Samen bieden Puchinger en Den Heyer een goed inzicht in de ontwikkeling die de gereformeerde cultuur heeft doorgemaakt. De beschreven conflicten zijn symptomatisch voor het gereformeerde leven, omdat ze of om principekwesties gaan of om een als principekwestie vermomde machtsstrijd. Ze zijn daarom altijd op het scherp van de snede uitgevochten – of het nu de ruzie betreft begin vorige eeuw tussen de bestuurders van de Gereformeerde Ziekenverpleging te Amsterdam over de benoeming van Puchingers tweede pleegmoeder tot nieuwe directrice, of het conflict begin deze eeuw over de opvattingen van Den Heyer.

In de twee boeken passeren bijna alle gereformeerde spanningen en conflicten die zich in de tussentijd hebben voorgedaan direct of indirect de revue. In de biografie van Puchinger is een ondertoon te horen van een romantisch verlangen naar een nieuw gereformeerd elan. Bij Den Heyers zelfportret is sprake van een streven naar meer denkruimte en openheid, en daarmee van een afwerpen van het gereformeerde juk.

George Puchinger: Jonge Jaren 1921-1945. Aspekt, 344 blz. ƒ49,95 C.J. den Heyer: Ruim geloven. Een theologisch zelfportret. Meinema, 334 blz. ƒ37,50

    • Herman Amelink