Stop toch met lijden

Pasen is het christelijk feest bij uitstek. Maar volgens de Amerikaanse ex-priester James Carroll moet het christendom eindelijk eens af van de cultus van het lijden. Met moderne theologen zou het de nuchtere waarheid onder ogen moeten zien: dat het een jodendom is voor niet-joden.

Het christendom is een vreemde godsdienst. Want de christenen vereren een messias die voorspeld zou zijn in de heilige geschriften van de joden. Maar de joden zelf erkennen Jezus niet als messias. Sterker nog, uit de geschiedenis zijn vooral voorbeelden bekend van joden die zich liever lieten doden dan zich te bekeren tot de Here Jezus.

Het voortbestaan van de joodse religie zaait twijfel over de kern van het christelijke geloof: Jezus als verlosser. Want zullen de joden niet zelf het beste weten wie en wat er in hun geschriften voorspeld wordt? Nota bene de mislukte vrijheidsstrijder Simeon Bar Kochba (gesneuveld tegen de Romeinen in 135) en de wereldvreemde kabbalist Sabbatai Swi (die zich in 1666 tot verbijstering van miljoenen volgelingen bekeerde tot de islam), werden indertijd wèl door zeer veel joden als messias beschouwd. De Here Jezus Christus was dat lot niet beschoren.

Ziehier de wortels van het antisemitisme. Want òf de joden hebben gelijk òf de joden moeten wel buitengewoon dom en kwaadaardig zijn. De afgelopen tweeduizend jaar hebben de christenen meestal voor de laatste optie gekozen, en dat met bijbelse steun. In het Nieuwe Testament staan rechtvaardigingen genoeg voor de `verkettering' van de joden. Vooral in het circa honderd jaar na Christus geschreven Johannes-evangelie worden de vijanden van Jezus consequent als `de joden' getypeerd – alsof Jezus zelf geen jood was.

Joden zijn kinderen van de duivel, zegt Jezus in een twistgesprek met `de joden': `Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt horen. Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen' (zie Joh. 8:31-59). Bij Johannes zijn `de joden' ook volledig verantwoordelijk voor Jezus' dood. Pilatus `zeide tot de Joden: Zie, uw koning! Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!' (Joh. 19: 14-15). En voor christenen is het niet moeilijk de eigentijdse joden mede-verantwoordelijk te houden voor de smadelijke terechtstelling van Jezus. Want in Mattheus (die overigens niet over joden, maar over het `volk' spreekt) staat in dit verband: `En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!' (Mt 27:25). Het oude verbond van Israël met JHWH heeft afgedaan, voortaan heerst het nieuwe verbond van de christenen met Jezus en God de Vader. De joden zijn in feite overbodig geworden.

Dat in deze religieuze concurrentiestrijd de wortels liggen van het antisemitisme wordt waarschijnlijk nauwelijks nog door iemand betwijfeld. Want de Duitse massamoord op joden in de Tweede Wereldoorlog is niet goed te verklaren zonder deze achtergrond. Die massamoord bracht een ware golf aan christelijke introspectie op gang. In Nederland was Hans Jansens standaardwerk Christelijke theologie na Auschwitz uit 1981 een belangrijke factor in de groei van dat bewustzijn, vooral het eerste deel: `Theologische en kerkelijke wortels van het antisemitisme'.

Maar wat zijn de consequenties van die kennis? Sinds de oorlog is een gestage stroom van judaïsering op gang gekomen, zowel van het wetenschappelijk onderzoek naar de Jezussekte als van het christelijk geloof zelf. Iedereen zegt nu dat Jezus en zijn eerste volgelingen het best kunnen worden begrepen als joodse gelovigen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar was het helemaal niet. Zelfs nu nog is een jezusgezicht met een joods-oriëntaals uiterlijk nieuwswaardig, zoals blijkt uit de grote media-aandacht voor een `gezichtsreconstructie' die de BBC vorige maand vrijgaf als opwarmertje voor een nieuwe tv-serie over Jezus. Ook de christelijke prediking put tegenwoordig rijkelijk uit joodse bronnen. Volgens bijvoorbeeld de Nederlandse theoloog H.M. Kuitert is het christendom zelfs weinig meer dan `de God van de joden voor de niet-joden'. Probleemloos is die judaïsering niet. Zo kreeg dominee Nico ter Linden met het eerste deel van zijn populaire bijbelserie Het Verhaal gaat onverwacht te maken met protesten uit joodse kring dat hij het Oude Testament nog veel te sterk verchristelijkte. Geschrokken deinsde Ter Linden toen terug, zo bedoelde hij het niet! Christenen zijn veel aardiger geworden voor joden: er wordt regelmatig samengewerkt en de paus bidt bij de klaagmuur in Jeruzalem.

Niettemin, vooral de officiële katholieke verklaringen en verontschuldigingen houden zich vaak op de vlakte als het gaat over de centrale rol van het christendom in de bloedige geschiedenis van het antisemitisme. Protestanten zijn vaak explicieter. De Wereldraad van Kerken liet bijvoorbeeld in 1980 weten dat de `christelijke leer van minachting voor de joden' `broedgebied' was geweest voor het kwaad van de holocaust. Maar paus Johannes Paulus II komt ook in zijn recente `historische' verklaringen niet veel verder dan dat christenen zich hebben laten misleiden en dat er inderdaad veel verkeerde dingen gezegd en gedaan zijn. Het christendom zelf en de christelijke kerk blijven buiten schot. Het `gewone' anti-judaïsme, de `gezonde' concurrentiestrijd gebaseerd op het Nieuwe Testament, wordt vrijwel altijd streng gescheiden van de discriminatie en de pogroms. Het misdadige antisemitisme is een aberratie, een pathologische afwijking in een verder gezond lichaam. `En als we nu gewoon vriendelijker worden tegen de joden, komt het wel weer goed', lijkt de meest algemene christelijke gedachte.

De Amerikaanse ex-priester en romanschrijver James Carroll is dat niet genoeg. Met zijn 756 bladzijden tellende Constantine's sword. The church and the jews vertelt hij niet alleen een goedgedocumenteerde en huiveringwekkende geschiedenis van het christelijke antisemitisme, maar hij verwerpt daarin ook deze scheiding tussen `gewoon' anti-judaïsme en misdadig antisemitisme, en dat met kracht van argumenten. Niet de al zo vaak aangevallen stilte van de katholieke kerk tijdens de Shoah is het centrale probleem (Paus Pius XII protesteerde niet tegen het nazi-bewind), maar in het gedachtegoed van het christendom zelf zit 'm de kneep. Als het christendom in het reine wil komen met het antisemitisme zal volgens Carroll bijna alles op de helling moeten: het paasverhaal, het centrale dogma van de verlossing door de menswording van de Zoon van God, het idee van de onfeilbare Kerk, het gezag van de bijbel, de nadruk op lijden en het centrale symbool van het kruis.

Ondanks deze polemische inzet is de kracht van Carrolls boek dat het een genuanceerde analyse is, van binnenuit het christendom. Het behoort absoluut niet tot het genre van de `Zwarte Legende', waarin het christendom op hatelijke wijze wordt beschreven als een noodlottig kwaad dat zich over de wereld verspreidde. De auteur bekent zich herhaaldelijk als gelovig christen. In de jaren zeventig gaf hij zijn katholieke priesterschap op uit teleurstelling over de houding van het episcopaat in de Vietnamoorlog, maar hij bleef een volledig lid van de katholieke kerk. Het boek leest daardoor niet alleen als een analyse van het antisemitisme, maar ook als een panorama van modern katholicisme en ander christendom.

Lang niet alles wat kerk en christendom uithaalden met de joden was slecht, maar het verhaal dat Carroll vertelt stemt wel somber. De belangrijkste bescherming voor de joden was het idee van de gezaghebbende kerkvader Augustinus (354-430) dat de joden moesten blijven voortbestaan als getuigen van de profetieën die Jezus hadden voorspeld en als voorbeeld van wat er kon gebeuren als je Jezus afwees: ze mochten wel overleven maar ze mochten absoluut niet gedijen. Deze gedachte leidde er bijvoorbeeld toe dat in Rome de joden onder het gezag van de paus relatief veilig waren voor moord en doodslag, maar dat ze vanaf 1555 tot 1870 wel onder vaak erbarmelijke omstandigheden werden opgesloten in het getto. Tot in de negentiende eeuw werden er joodse kinderen weggeroofd, om met pauselijke zegen te worden gedoopt: `gered!'.

Keer op keer hekelt Carroll de dubbelzinnigheid van deze nogal subtiele boodschap: `de joden zijn slecht, maar mogen niet sterven'. De kruisvaarders in de elfde eeuw doorgrondden deze subtiliteit niet erg zorgvuldig en gingen in hun militaire geloofsijver op weg naar Jeruzalem alvast in de Duitse Rijnsteden joden vermoorden. `De joden zijn toch slecht? Nou dan!' Bescherming door sommige bisschoppen hielp niet meer. Niettemin, Carroll citeert met instemming de achttiende-eeuwse joodse filosoof Mozes Mendelssohn: zonder Augustinus' `lovely brainwave zouden we allang zijn uitgeroeid'. Het had nog veel erger kunnen zijn. Andere kerkvaders, zoals Ambrosius (339-397) en Johannes Chrysostomos (347-407), sloegen bloeddorstiger taal uit. De laatste liet bijvoorbeeld Jezus' woorden in Lukas 19:27 op de joden slaan: `Die vijanden van mij, die niet wilden dat ik over hen koning werd, brengt hen hier en slacht ze voor mijn ogen.'

Met Augustinus zijn we overigens al een flink eind in het verhaal van Carroll en hebben we de belangrijkste wortels van het antisemitisme eigenlijk al gehad: de scheiding van jodendom en christendom in de eerste eeuwen van de jaartelling en de ingeving van de Romeinse keizer Constantijn zich te bekeren tot het christendom, een noodlottige stap aldus Carroll.

De eerste fase van de scheiding tussen jodendom en christendom geschiedde na het treuren van Jezus' volgelingen om diens dood. Toen pas werden alle verwijzingen naar het Oude Testament in de verhalen geweven, vooral in het stervensverhaal, gewoon omdat dat de boeken van het Oude Testament de teksten waren waarin de volgelingen dachten en zich uitdrukten. `Het doel was niet om ``bewijzen' te leveren, het doel was uitdrukking te geven aan het verdriet', zo omschrijft Carroll deze interessante hypothese. Zo zijn de verwijzingen naar bijvoorbeeld de psalmen (zoals de dobbelende soldaten over het kleed van de Heer, de dorst) in het verhaal gekomen. De eerste volgelingen wisten nog de herkomst van die `stijlfiguur' maar de latere bekeerlingen slikten het voor zoete koek. Jezus was werkelijk aangekondigd in de joodse boeken!

Een tweede fase voltrekt zich als de joden in 68 in opstand komen tegen de Romeinse bezetter, een strijd die culmineert in 70 met de verwoesting van de joodse Tempel. In 132 tot 135 volgt een tweede opstand, onder leiding van Bar Kochba. Eigentijdse bronnen schatten het aantal joodse slachtoffers van de twee opstanden op respectievelijk 600.000 en 850.000. Tot de oorlogen waren de ruzies en scheldwoorden tussen christenen en andere joden voornamelijk een intern joodse aangelegenheid, een familieruzie als het ware. De anti-joodse passages in de brieven van de gelovige jood Paulus zijn ook op die manier te lezen. Maar om in de gruwelijke strijd van Rome met de joodse opstandelingen te overleven, werd de neiging bij de christenen (inmiddels versterkt met vele niet-joodse gelovigen) steeds groter om de afstand tot alles wat joods was zo groot mogelijk te maken. Het blazoen van de christenen was toch al ernstig besmet door de beschuldiging van keizer Nero in 64 dat zij de brand van Rome hadden aangestoken.

En de Romeinse oorlog tegen de joden was gruwelijk. Onze huidige blik op het Romeinse Rijk is sterk gekleurd door de gymnasiale mythe van Rome als centrum van beschaving. Maar van onderop gezien had het Rijk meer weg van het regime van Stalin of van Pol Pot, schrijft Carroll, niet helemaal ten onrechte. Een mensenleven was niets waard als het ging om de verdediging van de Romeinse macht. Voor de boeren en armen was de Romeinse heerschappij `an endless, ever-present horror', zo geeft Carroll tegenwicht tegen de nog altijd krachtig levende Romeinse propaganda. `Rome had geen duidelijk raciaal motief in de onderdrukking van de joodse rebellen, maar als de legioenen de beschikking hadden gehad over machinegeweren, bommen, treinen en gas, dan was het nog maar de vraag geweest of er één jood de tweede eeuw overleefd zou hebben', schrijft hij zelfs. `Het kan niet sterk genoeg benadrukt worden dat de teksten van het Nieuwe Testament werden geschreven tijdens een van de meest gewelddadige periodes van de geschiedenis.'

Als de geschiedenis waarachtig zou zijn verteld, zouden de evangelies hebben verhaald over Jezus' joodse strijd met de Romeinse overheerser. Maar onder druk van de dramatische gebeurtenissen van de eerste eeuw is het christendom aan de kant van Rome gaan staan. Al in het oudste evangelie, dat van Markus uit ca. 70, is die omslag duidelijk: niet Pilatus maar de joden zouden schuld dragen aan de dood van Christus. En nota bene een Romeinse centurion zou al onder aan het kruis het licht hebben gezien: `Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods' (Markus 15:39).

Geen fraaie episode, dit verraad van de joodse broeders, zo geeft ook Carroll toe, maar `er is hier geen sprake van ``christelijke onschuld' omdat er onder mensen überhaupt geen onschuld bestaat als gaat om overleven'. Het enige positieve puntje is dat uit dit tijdvak wel duidelijk wordt dat het christelijke anti-judaïsme niet het eerste is geweest: het is de erfgenaam van de Romeinse oorlog tegen de joden. `De volgelingen van de vermoorde Jezus lieten alleen maar zien hoe effectief de keizerlijke overheerser was in het indoctrineren van de onderdrukte bevolking met zijn eigen cynisme en minachting', aldus Carroll.

En zo stapelt de ene factor zich op de andere, die allemaal leiden tot een krachtig antisemitisme binnen het christendom. De belangrijkste verschuiving in het machtsevenwicht tussen joden en christendom vond plaats toen keizer Constantijn zich in 313 tot het christendom bekeerde, mede door een visioen van het kruis aan de vooravond van een cruciale overwinning. Voortaan zou het kruis het belangrijkste symbool van het geloof worden, met alle concentratie op de dood van Christus en zijn moordenaars vandien. De keizer was bovendien gesteld op eenheid, zowel in het rijk als in het geloof. In de altijd nogal vaag geformuleerde mystieke gevoelens en spirituele paradoxen van de christenen moest snel orde op zaken worden gesteld. De vierde eeuw werd aldus de eeuw waarin de belangrijkste christelijke dogma's werden vastgelegd, vooral over de nogal ingewikkelde menselijke èn goddelijke aard van Jezus. Daarmee werd de kloof met het streng monotheïstische jodendom definitief. De grenzen waren getrokken.

De rest van het boek is in feite een uitwerking: de kruistochten, de inquisitie die op grote schaal talmoeds liet verbranden en zelfs joodse `ketters' ging vervolgen, de verbanning van de joden uit Spanje in 1492, het ontstaan van het rassenidee uit christelijk wantrouwen tegen Spaanse bekeerde joden (de conversos), het antisemitisme van Luther dat ontstond uit teleurstelling dat joden ook zijn toch zo oudtestamentaire versie van het christendom niet wilden accepteren, het antisemitisme van Voltaire, de Dreyfus-affaire en natuurlijk de stilte van het Vaticaan tijdens de Hitlertijd omdat de paus het bolsjewisme een grotere bedreiging vond dan het nazisme. Tegenkrachten als bijvoorbeeld de middeleeuwse filosofen Peter Abelard (die af wilde van de nadruk op Christus' offer aan het kruis) en Nicolaas van Cusa (die pleitte voor religieuze pluriformiteit) hebben het helaas niet gehaald.

Wat blijft er over van het christendom na deze zuivering? Volgens Carroll niet veel meer dan het voorbeeld van Jezus' leven (en zeker niet zijn tragische dood!) en de volgens hem typisch joodse boodschap `God is Liefde'. God is in Carrolls christendom niet langer de almachtige Vader die zijn Zoon offert als enige manier om de zonden van de mensen te kunnen vergeven. Nee, de komst zelf van Jezus was al openbaring: zijn leven was een voorbeeld voor de mensen. Zijn kruisdood is niet langer van belang, want zijn boodschap is dat we àllang vergeven en gered zijn, immers: `God = Liefde'. Het lijden heeft geen functie. De nadruk ligt op het mysterie van de Goddelijke aanwezigheid, die alleen dankzij de mensen iets goeds kan verrichten (waarmee God en passant ook zijn almacht heeft verloren). Carrolls christendom is humaan, activistisch, sociaal en tolerant. Alle rationele inconsequenties en onduidelijkheden (was Jezus nou god of mens?) moeten niet worden doorgeredeneerd, maar worden doorvoeld. Carroll ontdoet het christendom in feite van zijn theologie. Expliciete woorden zijn zelden nodig.

In deze opvatting verliest het christendom natuurlijk ook zijn monopolie op het heil, en dat is ook maar goed ook, aldus Carroll. Want alleen dan kunnen andere godsdiensten worden beschouwd als gelijkwaardige `uitingen van God die wenkt naar het menselijke hart', zoals Carroll het omschrijft.

Dit alles staat in scherp contrast met de officiële kerkleer, maar er zullen veel moderne christenen zijn die er in de praktijk net zo over denken. Vrijwel alles wat Carroll aan vernieuwingen voorstelt is al wel eens eerder door theologen voorgesteld, zoals ook blijkt uit vele citaten in zijn boek. En in Nederland hoeven we alleen maar te denken aan de recente felle discussies over de ideeën van Den Heijer, de gereformeerde theoloog die twijfelt aan de verzoening door de kruisdood, of aan de ideeën van Kuitert. De kracht van Carroll is dat hij deze ideeën bundelt en de noodzaak tot verandering in logisch verband brengt met de antisemitische oorsprong van het christendom, hetgeen de urgentie bepaaldelijk verhoogt.

James Carroll: Constantine's sword. The church and the Jews. A history. Houghton Mifflin, 756 blz. ƒ81,75