Spreken is goud

De kunst van het overtuigen is sinds de Oudheid maar weinig veranderd. Zelfs eigentijdse griezelschrijvers als Stephen King zijn, vaak zonder het te weten, schatplichtig aan de oude Romeinen en Grieken. Een schitterende Quintilianus-vertaling maakt dat duidelijk.

Geholpen door enkele dramatische wendingen in zijn leven – het afzweren van demon alcohol, een ernstig verkeersongeluk – maar ongetwijfeld ook door zijn ergernis om door de intelligentsia altijd maar voor een ordinaire woordenhandelaar te worden versleten, heeft bestsellerauteur Stephen King zijn pen ter hand genomen om uit te leggen hoe hij het klaarspeelt, en wat hij klaarspeelt. Het betreft hier dus horrorromans als Carrie en The Shining, en wellicht minder bekende titels als Bag of Bones en Hearts in Atlantis.

On Writing is een vermakelijk boek. Vermaak was niet voor niets een van de drie pijlers waarop volgens de antieke autoriteiten op het gebied van de retorica, het succes van een taaluiting berust. De redenaar Cicero was er een meester in — vermaken. In dit opzicht nu, en in menig ander, betoont King zich een volwaardig retor.

Het zal niet alleen classici verbazen welke fundamentele overeenkomsten er bestaan tussen Kings boek en antieke retorische theorieën, overeenkomsten waaruit blijkt hoe goed Stephen King over zijn metier heeft nagedacht. De theorie van de inventio bijvoorbeeld, het vinden van argumenten (lees bij King: plot), wordt door hem verbeeld met de metafoor van het `opgraven' van het verhaal, dat er al is, maar dat door de schrijver gevonden moet worden. en, met behulp van zijn gereedschapskist (het woord is van King), wordt vormgegeven. Evenzeer in overeenstemming met de antieke autoriteiten wordt door King het belang onderstreept van belangeloos lezen, om goed te leren schrijven.

Ook zijn verhandelingen over de noodzaak voor een schrijver om zichzelf niet te verloochenen, en het belang van een praktische aanpak, lijken zo uit Cicero geplukt. King weet eveneens dat men moet `laten zien' (showing) en niet `vertellen' (telling). Hoe belangrijk het is goede voorgangers stilistisch te imiteren, zoals King adviseert, is al evenmin nieuws. Zo vinden we ook het antieke advies om de rust van afzondering op te zoeken om te componeren bij King terug. Zij het dat de laatste — de deur hermetisch achter zich gesloten — bij voorkeur componeert onder begeleiding van het geraas en gebral van AC/DC en Guns 'n Roses — inderdaad een effectieve manier om de wereld buiten te houden. En schrijven kan King zonder twijfel. Zo geeft hij een proeve van bekwaamheid met een voortreffelijke beschrijving van zijn bijna dodelijke auto-ongeluk. De retoricus denkt dan: ah, vermaken (delectare) en tegelijkertijd zo je karakter laten zien.

Natuurlijk heeft Stephen King, met zijn hekel aan de middelbare school en academische schrijfcursussen, de klassieke retorische teksten niet paraat. De ironie is dus dat met name de Romeinse retorici – met hun voorgewende dedain voor het handboek – zo nog meer gelijk krijgen dan ze misschien wilden. Inderdaad, het is allemaal praktijk, met een beetje gezond verstand. Regels zijn uit den boze. Een handige tip hier en daar. Geen pretenties. En schrijven maar. Cicero had het kunnen zeggen.

Ooit, in het klassieke Athene of het republikeinse Rome, ging het nog ergens over. Welzijn en koers van de staat werden besproken in het openbaar, met hoor en wederhoor. Later, in de politieke radiostilte van het Keizerrijk verschoof het accent naar de vorm. De toespraken gingen niet meer over de actualiteit, maar behandelden thema's uit de geschiedenis, of maakten zelfs geheel en al fictieve pirouettes. Theaters stroomden vol met luisteraars. En waarom ook niet? Net als muziek verleidt de retorica, ze behaagt, roert, vermaakt, legt uit. Maar op zichzelf heeft zij geen enkele betekenis. Betekenis en waarheid behoren tot een ander departement: dat van de filosofie.

Toch kan een geslaagd retorisch optreden, of beter een retorisch geslaagd optreden, verstrekkende consequenties hebben, zoals het recente optreden van Máxima Zorreguieta en de koninklijke familie op Paleis Noordeinde nog eens duidelijk maakte. De retorische brille daarvan joeg de kogel door de kerk. Je zin krijgen door emoties te exploiteren en te genereren: dát is retorica. Rest de filosofische vraag: heeft de kunst ook inhoud, en de kunstenaar verantwoordelijkheden?

Het is dit probleem van betekenis en waarheid waar het in de belangrijkste antieke traktaten over retorica om draait. Twee daarvan zijn nu opnieuw toegankelijk gemaakt: de dialoog De Oratore van Cicero is voorhanden in een compacte en geleerde – maar soms nodeloos eigenwijze – Engelse editie met vertaling, uitgebreide inleiding en commentaar. En daarnaast is nu het encyclopedische werk van Quintilianus, de Institutio Oratoria, voor het eerst integraal in schitterend Nederlands vertaald door Piet Gerbrandy. De oplossing die beide auteurs bieden, een ieder met eigen accenten, is dat de retorische manier van leven de enige ware is, de weg naar mens-zijn in diepere en vollere zin.

Zo nemen zij stelling in een debat dat teruggaat op de rivaliserende claims van Plato en Isocrates in het Athene van de vierde eeuw voor Christus: dat van de strijd tussen filosofie en retorica. Grofweg komt hun conflict neer op het volgende: bestaat de beste leefwijze, en daarmee de beste tijdsbesteding en het beste onderwijs uit een open vorm, het aanbrengen van het verlangen de waarheid zo mogelijk te weten te komen, hoe die waarheid ook luidt, door middel van de vragen van de filosofie, zoals bij Plato? Of moeten leven en onderwijs praktische middelen bieden tot maatschappelijk succes, waarbij zowel het doel (succes) als de middelen in het kader staan van het uitoefenen van invloed en macht, zoals bij Isocrates?

De praktische Romeinen, geobsedeerd door formalisme en autoriteit, horen thuis in de school van Isocrates – voorzover ze het over hun hart konden verkrijgen een Griek te volgen. Grieken waren intellectuelen, oftewel oplichters en draaikonten, was de Romeinse consensus. Toch was Cicero zich terdege bewust van het meesterschap en het prestige van Plato. Hij kruidt daarom zijn retorisch gerecht met de ingrediënten van de filosofie, om zo tot een karakteristieke middenpositie te komen, die dus uit vlees noch vis bestaat. Want het conflict tussen de vita activa en de vita contemplativa lost hij zo niet op. In zijn dialoog zijn de sprekers het roerend met elkaar eens, en verkondigen ze, uiteraard, de mening van Cicero.

Het probleem van die mening is dat Cicero, in tegenstelling tot zijn briljante praktijk als redenaar, in zijn theoretische onderbouwing van die praktijk emotioneel geen afstand van zijn eigen belangen blijkt te kunnen nemen. Het is eigenlijk één grote oratio pro domo, dat wil in dit geval zeggen, een pleidooi voor zijn triomfantelijke terugkeer in de politiek. En hij reserveert daarbij voor zichzelf de heldenrol van de man die zowel Romeins praktisch als modieus intellectueel is. Dat is retorisch niet handig, want het overtuigt niet. Want Cicero is immers al eerder jammerlijk mislukt als `grand old man' in de politiek. Door zijn frustratie daarover te duidelijk te laten doorschemeren, slaagt hij ook niet volledig als theoreticus en schrijver.

Quintilianus op zijn beurt, grijpt terug op Cicero, maar zijn ideaal van de intellectuele redenaar heeft een andere ontstaansgeschiedenis. In Cicero ziet Quintilianus de vrijheid van spreken belichaamd die hij zelf moet missen, door de teloorgang van de vrije meningsuiting in de tijd waarin hij leeft, en door de woeker van retorische krullen om een lege huls die hij om zich heen ziet. Maar Quintilianus maakt zich op zijn beurt wèl los van zijn persoonlijke belangen. En ondanks de onevenwichtigheid van zijn filosofische fundament, biedt zijn werk een onderwijsprogramma van grote allure. Dit is niet in het minst te danken aan de persoonlijke betrokkenheid die de auteur in zijn werk aan de dag legt. Waar Cicero's betrokkenheid hem het zicht op het bos benam, geeft die van Quintilianus hem vleugels.

In het voorwoord op zijn zesde boek, door de commentator Austin met recht `een van de treurigste passages in de Latijnse literatuur' genoemd, meldt Quintilianus het verlies van zijn vrouw en twee zoons: de één een allerliefst kereltje, de ander eerlijk en trouw met `een prettige en heldere stem en een vriendelijk gezicht'. Juist dat voorwoord laat zien hoe Quintilianus de Opleiding tot Redenaar bedoeld heeft: als toetssteen voor de intellectuele en sociale ontwikkeling van zijn jongste zoon. Zo wordt het hele werk de tedere vrucht van de ambities van een trotse vader, én van een meer dan voortreffelijke leraar. Want Quintilianus' didactiek, in de beschrijving van het onderwijs aan de basis van de ware welsprekendheid, is smetteloos.

Juist in deze tijden van studiehuisramp en politiek-correct onderwijs, is de lectuur van de Institutio Oratoria een verademing. Pedante leraren krijgen ervan langs, en Quintilianus beschrijft prachtig de zin van gematigde en rechtvaardige strengheid, de cruciale functie van klassikaal onderwijs, het belang van de elementaire vaardigheden als (goed) lezen, vóórlezen, schrijven, vertalen en uit het hoofd leren, en vooral het besef dat onderwijs niet te makkelijk mag zijn om vrucht te dragen. En dan is daar natuurlijk de vreugde en noodzaak van de canon, de onmisbare reeks van grote prestaties in de letteren, inspirerend en ontwikkelend.

De lof van de klassikale leraar is exemplarisch voor Quintilianus' benadering, zijn advies aan leerlingen luidt om `niet minder van hun leermeesters te houden dan van hun studies en hen te beschouwen als ouders, niet van hun lichaam, maar van hun verstand [...] zo zullen zij graag luisteren en geloof hechten aan de uitspraken van hun docenten, terwijl zij het verlangen zullen koesteren huns gelijken te worden [...]. Is het de plicht van leraren om onderwijs te geven, van de studenten wordt verwacht dat zij zich leergierig opstellen. De ene plicht kan niet zonder de andere'.

Quintilianus laat zich, toegegeven, vaak door zijn enthousiasme meeslepen. Hij staat voor matiging en realiteitszin, maar telkens als de kneepjes van zijn vak ter sprake komen, kan hij zich niet beheersen en barst hij los, als een generaal in vredestijd die toch eigenlijk wel eens een bombardement zou willen uitvoeren. Dit bombardement komt tot stand in zijn soms zeer gedetailleerde analyses van de redevoering en de plichten van de redenaar. Ook hij overdrijft soms de ethische reikwijdte van zijn vak tot ciceroniaanse pretenties. Maar vóór alles blijft hij een humaan en rijp pedagoog, rustig en redelijk.

Het is een bijkomend genoegen deze tekst te lezen in een eminente vertaling, van een man die, naast veel andere dingen, ook leraar is. Een liefdevolle leraar, zoals blijkt uit de zorg waarmee hij zijn monnikenwerk heeft verricht. Gerbrandy's stijl in dit werk is als een windstilte op een zomerse dag, helder en doorzichtig.

In hun schets van de ideale redenaar hebben Cicero en Quintilianus de weg gebaand voor het humanisme. Want hun redenaar is allereerst een vir bonus, dicendi peritus (`een goed man, ervaren in het spreken'). Hij draagt zijn welhaast universele kennis (hij moet tenslotte over alles kunnen spreken) licht, met sprezzatura, de bestudeerde nonchalance die door de renaissancistische auteur Castiglione uit Cicero en Quintilianus is overgenomen. Hij neemt zijn verantwoordelijkheden, voor de staat en de zijnen. En hij boekt in die belangenbehartiging succes door zijn retorische meesterschap, zijn macht tot overtuigen. Dientengevolge kijkt zijn omgeving tegen hem op als tegen een god – al was dat laatste meer de opvatting van de politicus Cicero dan van de bescheidener schoolmeester Quintilianus.

Twee dingen vallen op, als we de positie van de retorica in onze tijd vergelijken met die van Cicero en Quintilianus. Ten eerste is onze retorica, in de politiek en elders, steeds minder verbaal rijk, en niet zelden armetierig. Wie overtuigend wil zijn, moet tegenwoordig vooral `spontaan overkomen'. En spontaniteit is, na de Romantiek met haar oprechtheidscultus, onverenigbaar geworden met verbale brille. Stamelen dus, of onhandig zijn (of lijken), komt beter over dan de `sure touch' van de gezaghebbende staatsman die de gemoederen regeert. Juist schijnbare improvisatie en spontaniteit geven nu de doorslag. Schijnbaar, want natuurlijk wordt de voorstelling vaak zorgvuldig tevoren geanalyseerd en uitgestippeld door spindoctors en mediatrainers, en geldt ook voor moderne politici ars est celare artem (`de kunst is je kunde te verhullen'). De anonymus die het meesterstuk op Paleis Noordeinde in elkaar heeft gezet, blijft zo diep in de coulissen verborgen, een rol die Cicero zeker niet aan zou hebben gekund. Eerder is het tegenwoordig misschien de zogenaamde publieke intellectueel en auteur, die als geweten van de samenleving vanachter zijn schrijftafel de rol van de ideale redenaar van Cicero en Quintilianus ambieert.

Geeft ook Stephen King zich rekenschap van zijn verantwoordelijkheid als schrijver? Nauwelijks. Het gaat immers om `een gereedschapskist'. Zijn moderne retorica, zoals uiteengezet in On Writing, biedt wel allerlei overeenkomsten met de Ouden, maar schiet tekort in het doordenken van zijn eigen positie. Het feit alleen al dat On Writing maar weinig serieuze aandacht heeft gekregen illustreert een cruciaal verschil tussen antieke en moderne retorica. En het is niet de plakker op het stofomslag (`Win a trip to meet Stephen King') die de meer serieuze critici zich waarschijnlijk in afgrijzen heeft doen afwenden.

Het punt is dat het boek niet voor hen bedoeld is. En daaruit blijkt hoe fundamenteel de situatie in de letteren en retorica sinds de Oudheid is gewijzigd. Want het publiek van Cicero en Quintilianus was gelijkgestemd. Beiden spraken een aristocratie toe, die onder min of meer gelijke omstandigheden las en werkte en met vergelijkbare problemen werd geconfronteerd. De lingua franca van de retorica zorgde ervoor dat het spel – de verwachtingen en anticipaties van de lezer of luisteraar – even amusant kon zijn als de knikkers. Maar de antieke elite heeft plaatsgemaakt voor het modern pluralisme. Stephen King schrijft voor zijn eigen publiek. En dat is, naar zijn eigen zeggen, de gewone man in de hotellounge, de stationsrestauratie of de vliegtuigstoel, die geen tijd heeft om een moeilijk boek te lezen. Hoe je de aandacht van zulke lezers kunt vasthouden, laat hij, soms pijnlijk effectief, zien.

Veel van wat er in deze boeken staat, ook dat van King, is waar. Waarom lijkt zijn boek dan toch, voor de Europese intellectueel, eindeloos ordinair? Het antwoord is dat het niet ordinair is, althans niet voor zíjn lezers. Kings decorum, een kernbegrip in de Ciceroniaanse retorica, vereist de taal van de wereld die hij schetst. Dus schrijft hij `to take a shit' in plaats van `defecate', want die taal verstaan zijn lezers. Voor hem is de krachtterm deel van zijn ethos, zoals dat in de retorica heet. En door dat ethos, door de geloofwaardigheid van zijn karakter als schrijver, gelooft zijn publiek hem.

Zelfs boeken als On Writing geven zodoende aan dat de retorica van Cicero en Quintilianus nooit is weggeweest, en nooit zal verdwijnen. Ook al is hun ideaal, de honnête homme die onstaat uit de fusie tussen de vita activa en de vita contemplativa, bij King veranderd in de succesauteur die in het gewone leven staat. Hij kan ongetwijfeld nog veel opsteken van het werk van zijn klassieke voorvaderen, en dan gaat het niet alleen een wat ruimer decorum-besef. Want het lezen van deze architecten van het humanistisch ideaal inspireert nog steeds, tot het fineren van het kromme hout waaruit mensen zijn gesneden.

Cicero: On the Ideal Orator. Translated, with Introduction, Notes, Appendices, Glossary, and Indexes by James M. May & Jakob Wisse. Oxford University Press, 374 blz. ƒ129,60 (geb.), ƒ67,35 (pbk) Stephen King: On Writing. A memoir. Hodder & Stoughton, 238 blz. ƒ49,95 (geb.) Quintilianus: De Opleiding tot Redenaar. Vertaald en ingeleid door Piet Gerbrandy. Historische Uitgeverij, 762 blz. ƒ99,–

    • David Rijser