Prediker in het winkelcentrum

Stel je voor: het is zomer, snikheet en je woont in Portugal. Je zit op de veranda en ziet aan het einde van de asfaltweg de hitte als een lome kronkeling in de lucht hangen. De damp hypnotiseert je en doet verlangen naar een middagdutje onder ritselende populieren.

In Luchtspiegelingen, de nieuwste dichtbundel van Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij, krijgen zulke verlangende, heimweeïge beelden vorm. De luchtspiegelingen tonen bijna allemaal een melancholiek moment van vervreemding en ontworteling. Komrij, wonende in een pittoresk dorpje in Portugal, dicht in de vijf delen van deze bundel vooral over `onnozele ballingschap' en dat levert prachtige gedichten op. Met de van Komrij bekende ironie en zelfrelativering probeert hij te ontsnappen aan zijn lot, het vervreemd raken van zijn taal: `Ik ben mijn taal ontwend. Ik praat in brokken./ Kraal. Pokken.' Hier en daar met wat flauwe rijmdwang (`ik was een schaduwloze heer.// Dat gaf nogal een schok, wat ik je zweer.') maar verder met oprechte klaarheid weet hij het dieper liggende gevoel van de ontheemde expat bloot te leggen (`Want waar ik heenga voel ik me niet thuis/ En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.'). Al komt een woord als expat in zijn vocabulaire niet voor, hij vindt het maar wat prettig dat `er wordt gesnaterd in wel honderd tongen' in de `taalvolière' die Nederland is. Sterker nog, de kleinheid van het geboorteland wordt groot door de mengeling van de taal, en dat bevrijdt hem uit het korset van de volledige buitenstaander. Komrij zou aan het `Turkenhollands' en `Surinamevlaams' het `Portugezennederlands' kunnen toevoegen, ware het niet dat zijn taal toch vooral virtuoos Nederlands is gebleven en het meer gaat om het vóelen van ballingschap.

En dat zijn we van Komrij niet gewend. Hij staat immers bekend om zijn onpersoonlijke `je'-gebruik, omdat hij zich niet in de kaarten wil laten kijken. Eens dichtte hij: `Eer zal men kakken in zijn hoed/ Dan dat ik u mijn ziel blootleg.' Nu liggen met de vele `ik'-gedichten de kaarten open, terwijl ironie die openheid van gevoelens alleen maar versterkt. Zo probeert hij af te geven op Nederland: `Om mij aan deze kant moed in te praten/ Noem ik de andere kant de duisternis'. Nederland zo afgeschilderd in `bedroevend grijs', toont als een spiegel in wat voor `duisternis' de dichter zelf ronddoolt en dat soort onmacht is innemend.

De gedichten stralen rust uit en dat heeft alles te maken met het eindrijm in ieder gedicht en de veel voorkomende sonnetvorm. Gevangen in de verlangende warmte van de droom wil ook nog wel eens melancholieke liefde de kop opsteken, maar nergens wordt het hitsig. Slechts een paar keer pakt Komrij uit: `De wonderlijke eeuw die aanbreekt is/ Mij net zo welkom als een winterstorm/ Of als een zweer die klopt, recht in mijn bilspleet.'

Onzinnig

Vaker gebruikt Komrij dit soort taal in zijn essays, die berucht zijn om hun spitsvondigheid en letterkundig venijn. In Vreemd pakhuis, een bundeling nieuwe en oude stukken (onder meer uit deze krant) betreden we `een magazijn voor het hogere en het lagere goed, van gedicht tot drol'. Er zitten essays bij die de bloemlezer Komrij verraden, of de liefhebber van de negentiende eeuw, essays die de spot drijven met het literaire wereldje of op een maffe manier tot denken zetten. Maf, en soms wat overtrokken. Dat maakt de essays vermakelijk, maar ook `onzinnig' en misschien is dat wel Komrij's handelsmerk. Komrij neemt in zowel essay als gedicht stelling en trekt zich vervolgens terug, als een geleerde die zijn eruditie ontkent. In een open brief aan Serge van Duijnhoven: `Bespaar me uw hoge dunk. Ik zou u kunnen teleurstellen', of in Luchtspiegelingen: `Het lijkt warempel wel of ik iets weet./ Maar al die wijsheid die ik naar het schijnt/ Bezit berust op vertekening.', met als slotregel: `het snuggerst blijf ik aan mijn achtereind'.

Op de momenten dat Komrij in beeldrijke zinnen ideeën fileert, is zijn baldadigheid amusant. Bijvoorbeeld in een stuk waarin `de' Nederlander ervan langs krijgt omdat hij onvoldoende (nee, zelfs helemaal niet) citeert uit de door Komrij met moeite bijeen gesprokkelde juwelen van gedichten in zijn bloemlezingen: `Maar hoe uitbundig er in Nederland ook wordt geredekaveld, gepalaverd, geïnterpelleerd en toegesproken, nooit ben ik één regel uit al die dichters tegengekomen, geen zin die het vermocht gevleugeld op te stijgen uit het kakelend slijm dat alle Nederlandse functionarissen verbindt'. Vervolgens krijgen de literatuurvorsers die tweehonderd pagina's over twee dichtregels van Nijhoff zeveren, ook een veeg uit de pan. Maar hoezeer Komrij ook afgeeft op neerlandici die de literatuur aan gort redeneren, hijzelf speelt ook de schoolmeester door op een dichter als Nijhoff in te zoomen. Wat is dat dan, dat we zo graag iets willen vertellen over wat we goed vinden? Predikersdrang waarschijnlijk, en die is Komrij als liefhebber van de door domineedichters overbevolkte negentiende eeuw niet vreemd.

Hoe grappig zo'n schetenlatende, zichzelf relativerende dominee op de kansel ook is, de essays in Vreemd pakhuis blijven (op een enkel ingetogen stuk over bijvoorbeeld Kees van Kooten na) niet in de herinnering hangen. Het was leuk voor het moment, maar onschuldig door zijn baldadigheid. Waarschijnlijk is dat precies wat Komrij wil: `een winkelcentrum' om wat in te shoppen, niet omdat je zo nodig iets van je gading moet vinden, maar om het plezier van het shoppen zelf.

Gerrit Komrij: Luchtspiegelingen. Gedichten, voornamelijk elegisch. De Bezige Bij, 63 blz. ƒ32,50 Gerrit Komrij: Vreemd pakhuis. Verspreide stukken. Essays. De Bezige Bij, 293 blz. ƒ39,90

[Kop pagina: Nederlandse literatuur]

    • Fleur Speet