NICK CAVE

De ontwikkeling die Nick Cave doormaakte van ongetemd rockbeest in de groep Birthday Party naar de bespiegelende, Godvrezende zanger van zijn vorige album The Boatman's Call is een opmerkelijke. Al deed Caves bekering altijd denken aan een hel en verdoemenis prekende dominee die er zijn eigen agenda op na hield van moord, doodslag en hebzucht. Tenslotte maakte Cave niet lang geleden een album vol Murder Ballads.

Op No More Shall We Part klinkt Cave introverter dan ooit, terwijl titels als `Hallelujah, Oh My Lord' en `God Is In The House' weinig aan de verbeelding over lijken te laten. Maar dat laatste nummer blijkt een sarcastische kijk op een Godvrezende plattelandsgemeenschap te zijn: ,,Homos roaring the streets in packs / Queer bashers with tyre-jacks / Lesbian counter-attacks / That stuff is for the big cities.''

Zo neemt hij in elk nummer een andere gedaante aan. Bij Cave is het verleidelijk om uitgebreid op de teksten in te gaan. Maar er wordt ook nog muziek gemaakt, met een voorname rol voor Caves piano, een stel strijkers en zowaar het Canadese folkduo Kate en Anne McGarrigle in de achtergrondvocalen. De woeste gitaarerupties van Birthday Party hebben plaats gemaakt voor een geluid dat je `gerijpt' zou kunnen noemen, een geluid waarnaar Cave al op zoek was sinds hij in '84 Elvis Presley's `In The Ghetto' coverde. Maar af en toe dreigt de boel toch, zij het onderhuids, uit de voegen te barsten.

Nick Cave and the Bad Seeds: No More Shall We Part (Mute Cdstumm 164) distr. PIAS.