Merel vliegt in de derde strofe toch op

Dat Eva Gerlach een goede dichteres is, kan nauwelijks nieuws genoemd worden. Dat weten we al jaren en ze heeft vorig jaar ook de P.C. Hooftprijs gekregen dus dat zit wel goed. Twee jaar geleden bleek ze dat dichten ook voor kinderen te kunnen en te doen, in Hee meneer eland. Aan wie het literaire tijdschrift Tirade leest werd onlangs geopenbaard dat ze ook ongelooflijk met proza uit de voeten kan – in het laatste nummer stond een verhaal dat bizar en verschrikkelijk was, maar ook heel licht en koel van toon. Nu heeft ze een tweede bundel poëzie voor kinderen geschreven, onder de titel Oog in oog in oog in oog.

Het boekje bestaat uit zes afdelingen, sommige daarvan vertellen een verhaal in gedichten, andere cirkelen rond een thema. Meer nog dan in Meneer Eland laat Gerlach hier zien wat taal kan doen. In het allereerste gedicht meteen al, gaan de eerste twee regels zo:

`Vlieg op,' zei ik tegen Merel,

meteen zat ze tegen het plafond

De oplettende lezer denkt meteen slim: uitdrukkingen letterlijk nemen. Vlieg op en Merel (let op de naam!) stijgt op. De lezer feliciteert zichzelf en leest verder.

Net als laatst op de Dam toen ik

`Smak niet' zei

Zie je wel, denkt die lezer, `smak niet' betekent hier `val niet'. Maar de reactie op dat `smak niet' is gewoon kwaad: `Schop hebben? Knal voor je kop?'. Dus denkt de oplettende lezer alweer dat zij voorbarig is geweest, stom, alles hernemen, juist leuk dat het niet letterlijk is maar dat die uitdrukkingen zo dubbelzinnig zijn. Vliegt Merel in de derde strofe tóch nog de lucht in.

In de rest van de reeks blijkt dat de `ik' jaloers is op haar jongere zusje Merel die allemaal leuke spulletjes en spelletjes heeft, die altijd geluk heeft – nu ook weer, zíj vliegt lekker door de lucht – en die, dat is het ergste, de jongste, de kleinste, de vertroeteldste, de het-best-op-papa's-schoot-passende is.

In de tweede afdeling is juist een soort omgekeerde situatie aan de hand: daarin spreekt een kind over een uiterst benijdenswaardig, maar zo te lezen nogal getroubleerd ander kind, vermoedelijk een adoptiefkind of een pleegkind dat eerst `daar', woonde, niet hier waar hij buiten altijd een helm wil dragen/ omdat er teveel in zijn hoofd komt, `je houdt het niet tegen'. In deze gedichten wordt overgeschakeld van wat er zoal in het hoofd van H. terecht is gekomen naar de wereld van het vertellende kind. De reeks eindigt met een gedicht dat een briefje van deze H. is:

Wanneer je weg wil gaan doe dan

al je ogen dicht koue

grote vuurballen laaien

om je kop steek die aan.

Speciaal geruststellend is deze poëzie niet, eerder nogal angstaanjagend. Om wat er in een hoofd kan komen, `je houdt het niet tegen'. Na de twee afdelingen over verhoudingen tussen kinderen volgt er eentje die `Ben ik' heet en waarin de gedichten gaan over hoe men is, zou willen zijn, vreest te zijn – en over wat dat is `ik': `als ik dus constant verander en dat gaat door/tot ik sterf wie ben ik dan'. Zulke vragen. Ook hier, als overal, houdt Gerlach de toon licht, stelt hoge eisen aan de oplettendheid en springt brutaal om met het feit dat dit gedichten zijn, van taal gemaakt. Zo kan ze diepzinnig, ontroerend, grappig en bizar zijn en als ze wil is ze dat allemaal tegelijk. Net als Sieb Posthuma die haar gedichten van tekeningen voorzag.

Eva Gerlach: Oog in oog in oog in oog. Met tekeningen van Sieb Posthuma. Querido, 48 blz. ƒ29,90

[Kop pagina: Nederlandse literatuur]