Intellectuelen

In een bespreking van `Intellectuelen in Nederland' van R. Gabriels (Boeken, 23.3.01) concludeerde Ronald Havenaar dat dit boek helaas geen helder antwoord gaf op de vraag of (en zo ja, hoe) de intellectuele discussie in Nederland, net als in Frankrijk en Duitsland, bepaald wordt door nationale eigenaardigheden die historische wortels hebben. Havenaar deed zelf een voorzichtige poging de Nederlandse intellectuelen te typeren. Het schijnt dat sinds het einde van de Koude Oorlog het progressief fanatisme is ingeruild voor een al even simpel cultureel essentialisme. Het nieuwe (conservatieve) engagement bestaat uit een speurtocht naar het eigene van de Nederlandse samenleving en uit een beschaafd geloof in de waarde van deze samenleving. Daarnaast komen intellectuelen net als vroeger in actie als de individuele vrijheid in het gedrang komt.

Deze typering van de laat-twintigste eeuwse intellectueel levert een mager beeld op. Veel meer dan een warmen aan de behaaglijke gloed van de Gouden Eeuw, met haar veronderstelde soberheid, haar welvaart, haar oude meesters en haar religieuze tolerantie, stelt dit nieuwe engagement niet voor. Dat een weldenkende inwoner van een democratisch land lippendienst bewijst aan de vrijheid van meningsuiting is niet meer dan vanzelfsprekend. Intellectueel hoeft men daar niet voor te zijn. Het gat, dat met de verdwijning van het progressieve gelijkheidsideaal in de intellectuele bodem is geslagen, lijkt me hiermee niet gevuld.

Als we er met Arthur Koestler vanuit gaan dat de intellectueel zijn onafhankelijkheid liefheeft en tegelijkertijd zijn engagement wil tonen door strijd te leveren voor een groots ideaal, is het zeer de vraag of er in het geval van de conservatieve intellectueel wel sprake is van engagement, of er in het geval van de conservatief überhaupt nog sprake is van intellectualisme.

Het conservatieve denkvermogen wordt ingezet voor begrenzing, voor een nadere omschrijving van wat typisch Nederlands is en daarmee impliciet van wat dat niet is. De opdracht van de conservatieve intellectueel is het levend houden van de mythe Nederland. Tegelijkertijd legt hij zichzelf matiging op, hetzij omdat matiging zo'n `typisch' Nederlandse deugd is, hetzij om te voorkomen dat zijn liefde voor de natie als politiek verdacht wordt aangemerkt. Beide delen van de gespleten intellectuele hersenpan, zoals Koestler die omschreef, komen bij deze onderneming tekort.

De conservatieve intellectueel verliest aan de ene kant zijn onafhankelijkheid en nonconformisme door mee te drijven op de Nederlandse zelfgenoegzaamheid van de `Tweede Gouden Eeuw'. De andere zijde van de intellectuele hersenpan blijft onbevredigd omdat de conservatieve intellectueel geen groots en grenzeloos ideaal heeft waarmee hij zijn kritisch denkvermogen kan verbinden. Zijn ideaal is Nederland, een ideaal dat alleen groots kan zijn in zijn gematigdheid.