Ik vecht voor Huis Marseille

Een fotomuseum heeft Amsterdam niet, maar Huis Marseille vervult die functie in het klein. Directeur Els Barents wil zo veel mogelijk soorten fotografie laten zien.

Het bestaat anderhalf jaar, maar het lijkt langer. Want het privé-museum Huis Marseille in Amsterdam, thuis voor de fotografie, groeide dankzij een contrastrijke programmering snel uit tot een begrip. Of het nu de nachtelijke NASA-foto's waren van het ruimteschip Apollo of de boudoir-opnamen, waar de Britse Lady Hawarden haar languissante, 19de-eeuwse vriendinnen aan onderwierp, Marseille wist je een bezoek af te dwingen.

De gemeente Amsterdam mag dan naar een definitieve locatie voor een nieuw fotomuseum zoeken, de stichting De Pont ging in 1998 voortvarend aan de slag in het elegante koopmanspaleis aan de Keizersgracht. ,,Nog steeds komen hier af en toe onderduikers langs'', vertelt Els Barents (1949), directeur van Huis Marseille. ,,Zij sliepen tijdens de oorlog op zolder en die willen ze terugzien — hoe confronterend dat ook mag zijn.''

Niets getuigt meer van oorlog. Aan de plafonds zijn de cupido's geblanket, het parket kraakt als vanouds, en in de tuin is de groene geometrie onder controle. Jammergenoeg weigert de gemeente nog steeds een bouwvergunning af te geven voor de reconstructie van het 17de-eeuwse tuinhuis, dat ooit bij het grof vuil belandde.

,,Met die contrastrijke programmering willen we zo min mogelijk soorten fotografie uitsluiten en zoveel mogelijk doelgroepen bereiken'', aldus Els Barents. ,,Alle toeristen in deze stad stuiven op `de zware erfgoed-jongens' van het Museumplein af. Vanwege onze aanvankelijk geringe naamsbekendheid, ons formaat en onze ligging, relatief verstopt aan een gracht, moeten we voor onze tentoonstellingen veel lawaai maken.

,,Zo'n aansporing van staatssecretaris Rick van der Ploeg om toch vooral `jong volk te trekken' leg ik rustig naast me neer. Fotografie is het laatste decennium als beeldende kunstvorm ongekend populair geworden. Studenten en specialisten weten ons blind te vinden, en ook de veertigplussers. Geen enkel ander genre geeft bovendien zulke snelle prijsstijgingen op de internationale kunstmarkt te zien. Ook dat fenomeen heeft een aanzuigende werking.

,,Neem nu deze drukproef van een boek met recente landschappen van de Duitser Thomas Struth. Zo'n afdruk kost inmiddels 80.000 gulden, maar het zal lastig zijn om er vóór zijn Berlijnse tentoonstelling in mei nog een te bemachtigen. Op de valreep heb ik twee foto's op zicht kunnen krijgen van zijn minder bekende landgenoot Elger Esser, ook een adept van de zogenaamde Becher-Schule [een Duits echtpaar dat in zwart-wit industriële gebouwen vanuit steeds een zelfde standpunt klinisch vastlegt, MV], die zijn stadsgezichten een mysterieus, okeren waas, meegeeft. De prijs ligt rond de 20.000 gulden. Ze waren nog niet binnen of een verzamelaar belde met de vraag of hij er eentje mocht overnemen.''

Haven-drieluik

Els Barents praat behoedzaam. Haar bureau staat in een serre-achtige kamer, de eetkamer van het huis, voordat de maatschap erin gevestigd was, waar J.H. De Pont – uit wiens nalatenschap zowel de De Pont in Tilburg, voor eigentijdse kunst, als Huis Marseille werden gefinancierd – destijds een maat was. Tegen de lichtgele wanden wachten foto's op een definitief oordeel: een grofkorrelig haven-drieluik van Leo Dievendal, een forse opname van de Amerikaan Viktor Muniz, die Jezus' Laatste Avondmaal eerst in vloeibare chocolade `tekende', en dat beeld vervolgens zo fotografeerde dat het iets dia-positiefs kreeg. Vanaf de andere wand wordt Gods zoon onnozel gadegeslagen door vijf uit hout gesneden reeën, geportretteerd door de Rotterdamse foto-joker Henk Tas, die ze in een fel blauwe mist onderdompelde.

,,De focus van bedrijven en particulieren op jonge fotografie vereist grote alertheid. Ik lees veel tijdschriften en benader in een vroeg stadium uitgeverijen, simpelweg omdat het onmogelijk is al die tentoonstellingen na te reizen. Tien jaar geleden kon je je eindeloos beraden. Nu moet je er bovenop zitten om zelfs je jonge landgenoten te kunnen aankopen, anders doen de banken dat wel. De jonge fotografie wordt het eerst in de provincie getoond. Meteen er op af, want zodra dit werk in de stad komt, is het al te duur geworden.

,,Galeries houden er bij een oplage van acht of tien exemplaren soms een paar strategisch achter voor de grotere musea. Krijg je als klein museum zo'n opname te pakken, dan geeft dat een prettig gevoel van lotsverbondenheid. De vreugde van de herkenning die je met anderen deelt, stemt je dubbel gelukkig. Een gevoel dat bij de schilderkunst niet voorkomt, want van elk doek is er maar één. Ondanks die jacht op de fotografie hebben we in de anderhalf jaar van ons bestaan de oorspronkelijke collectie van 56 werken kunnen verdubbelen. We kopen niet steeds één werk van één fotograaf, dat maakt een verzameling vlak en steriel, we houden juist van samenhang en continuïteit in een oeuvre.''

Eén ding wist Els Barents als Leidse studente kunstgeschiedenis zeker: ze wilde niet de 17de eeuw in — die was al uitgeplozen. Bij toeval ontmoette ze Ingeborg Leijerzapf, conservatrice van de toen nog in dozen opgeslagen, fabelachtige fotocollectie van het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden. En die kon wel een assistente gebruiken.

,,Ik ben van kort voor de grijze jaren vijftig'', vertelt Barents. ,,Na de oorlog werd over vele zaken gezwegen. Dat was de cultuur van de Wederopbouw. Maar de fotografie liet mij wèl terugkijken. Film vind ik vaak te langdradig en te literair, de fotografie is sneller en doelmatiger, je kunt de beelden oppakken en meteen vergelijken. En er valt nog zo veel in dit genre te ontdekken.

,,Het Museum of Modern Art in New York mag dan al in 1936 een afdeling fotografie hebben opgericht, hier in Nederland, een uitgesproken schilderland, deden foto's er tot voor kort nauwelijks toe. Musea verzamelen nog altijd spaarzaam, het bedrijfsleven is veel gretiger. Toen ik in 1976 onder directeur Edy de Wilde in het Stedelijk Museum kwam te werken, trof ik de totale fotocollectie op identieke kartonnetjes in drie ladenkasten aan. De voorkeur van De Wilde ging nadrukkelijk uit naar schilder- en beeldhouwkunst, maar dat weerhield hem er niet van goed te luisteren naar andere specialisten. Daarom wist hij feilloos welke ontwikkelingen zich in de verschillende genres voordeden. Bij aankoopvoorstellen, zoals het werk van de Amerikaanse fotograaf Walker Evans, haalde hij er het beste uit.

,,We zouden alleen fotografie vanaf de jaren zestig aankopen. Aangezien De Wilde zich streng aan zijn afspraken hield, wist je precies wat je aan elkaar had. Toch zwichtte hij voor mijn argumenten bij een prachtig aanbod van een aantal Man Ray's. En zoals hij mij, als jongste medewerkster van het museum – `elfje' werd ik genoemd – veel leerde en dichtbij de kunst bracht, zo leid ik nu onze jonge conservatrice Saskia Asser op. Je hoort je kennis door te geven en je medewerkers niet over te leveren aan een `rat race' om de productie van tentoonstellingen rond te krijgen. Tien, twintig procent van hun werktijd moet beschikbaar kunnen zijn van reflectie, als buffer tegen de routinematige deadlines.

,,Waar ik in Nederland steeds weer op stuit is dat gebrekkige gevoel voor traditie. Elke nieuwe generatie gooit hier het werk van de vorige overboord. In Duitsland floreert er een Becher-Schule, specialisten die zich gezien de onderlinge concurrentie scherp moeten profileren en die nu in de internationale fotografiewereld tezamen een zeldzaam machtsblok vormen. In Nederland ontstaat steeds meer een `wasteland', waarin het wiel opnieuw wordt uitgevonden, waarin iedereen van alles en nog wat moet doen om het hoofd boven water te houden en waar fotografen zich niet, zoals hun Duitse collega's, een onderwerp volledig toeëigenen.

,,Die instelling van `alles-moet-steeds-weer-anders' is gedeeltelijk toe te schrijven aan de subsidiefondsen, die jonge fotografen belonen en bekronen. Ze hameren voortdurend op `vernieuwing'. Daarom zijn kunstenaars in hun `mid career' hier nauwelijks meer zichtbaar, terwijl juist de continuïteit en de uitbreiding van een oeuvre zo belangrijk zijn. Om de ouderen te vriend te houden heeft het Fonds voor de Beeldende Kunst, Bouwkunst en Vormgeving maar een paar jaarlijkse oeuvre-prijzen ingesteld, je kunt ze zien als troostprijzen.

,,Nee, dan gaat men in Frankrijk veel zorgvuldiger om met zijn kunstenaars op leeftijd. Die krijgen, net als destijds de fotografe Gisèle Freund, keurig een huis en een pensioen – op voorwaarde dat ze hun archief aan de staat nalaten. Ik wil trouwens niet steeds `iets nieuws' of `iets jongs', maar vooral `iets moois' en `iets waardevols' zien.''

Tasje

Els Barents werkte dertien jaar – 99 fototentoonstellingen lang – in het Stedelijk Museum. En dat was welletjes, temeer omdat de werkrelatie met de nieuwe directeur Wim Beeren te wensen over liet. ,,Dankzij mijn vader, die arts was in een ziekenhuis, had ik leren denken in structuren. Daarom kon ik afstandelijk èn geïnteresseerd binnen een museumhiërarchie toekijken hoe men het daar speelde om dingen voor elkaar te krijgen.

,,Zo'n ongeorganiseerde hiërarchie werkt vaak verlammend. Ik heb bijvoorbeeld een complete catalogus van de Stedelijk-fotocollectie geschreven, maar omdat de directie in tweede instantie vond dat iemand anders voor dat karwei èn voor een bepaalde positie in aanmerking kwam, mocht ik dit boek toen het af was niet laten publiceren. Ik was zo kwaad dat ik thuis als een razende voetballer mijn handtas van de ene naar de andere hoek van de kamer trapte. Het was tijd om te vertrekken.''

Bij de Rijkdienst Beeldende Kunst in Den Haag bouwde Barents ,,dankzij het vele reizen voor Nederlandse tentoonstellingen'' een internationaal netwerk op en tijdens een dienstverband met het ministerie van buitenlandse zaken werd zij gevraagd voor het directeurschap van Huis Marseille. Vorig jaar kwamen er in het museum 15.000 bezoekers, ongeveer net zoveel als in het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam, dat om zijn lage bezoekcijfer zo vaak door Amsterdammers bekritiseerd wordt.

Moet er bij zo'n relatief laag bezoekersaantal nog wel een ander fotomuseum in Amsterdam komen? Of een Las Palmas, een centrum voor beeldcultuur, in Rotterdam?

,,Jazeker, elke kosmopolitische stad – van Berlijn tot Boedapest, van Moskou tot Parijs – heeft een fotomuseum. Waarom zouden Rotterdam, Amsterdam en Utrecht dat niet hebben? Huis Marseille is vergeleken met de andere grachtenmusea in Amsterdam, inclusief het eigentijdse kunstcentrum De Appel, maar een kleintje. We zitten met die 15.000 bezoekers hier aardig in de richting van wat zij over de jaren heen hebben opgebouwd. En meer dan 30.000 bezoekers per jaar kan dit huis niet aan.

,,De bestaande musea doen veel te weinig aan fotografie, ze missen vaak de flexibiliteit, omdat hun middelen te beperkt zijn en omdat er veel meer tijd moet worden besteed aan het in stand houden van de eigen verzameling. Het Rijksmuseum maakt maar één grote foto-tentoonstelling per twee jaar, terwijl ze een prachtige collectie in huis hebben. Een deel daarvan is nu in Huis Marseille te zien. Het Stedelijk Museum, dat eveneens een interessante verzameling bezit is op dit moment niet in superconditie, onder meer door die alsmaar opschuivende verbouwing. Ik hoop dat de verhouding schilderkunst-fotografie, die op recente, grote internationale kunstbeurzen op fifty-fifty is komen te liggen, na die verbouwing meer recht wordt gedaan.

,,Een onderneming als Las Palmas in Rotterdam lijkt mij een sprong in het duister. Dat V2 [multi mediacentrum en computerlab, MV] loopt goed, schijnt het, en wat daar allemaal gebeurt hoef je niet te kunnen begrijpen want de magie is een deel van het geheel. Maar of die elektronische kunst méér gaat betekenen dan communicatie, weet ik niet. Het is een kunstvorm die alsmaar weigert op de wand terecht te komen. Of de fusie van die uiteenlopende disciplines in Las Palmas een meerwaarde oplevert, kan ik evenmin voorspellen. Het is in Keulen geprobeerd, maar daar willen ze weer graag uit elkaar.

,,Of ik zelf foto's thuis verzamel? Nee, dan zou ik een dubbelleven leiden. Ik vecht graag voor Huis Marseille, en dat is genoeg. Vrouwen neigen ook minder naar verzamelen dan mannen. Die kunnen zeer obsessief zijn. Zou ik iets moeten kopen, dan werd het een landschap van Thomas Struth. Zo'n paradijs-foto, zo'n haarscherpe opname van een groene jungle die ondanks de detaillering bijna abstract is geworden. In thematiek, kleurgebruik, compositie en atmosfeer borduren veel fotografen voort op de schilderkunst. Dat wordt nog wel eens vergeten. En Struth doet dat op sublieme wijze.''

Van 27 april tot 26 aug. `Nachtstukken' van Axel Hütte en candid camera-opnamen van Erich Salomon, Keizersgracht 401, Amsterdam. tel. 020 5318989