Ik heb mijn heftigheid aangezet

`Iemand als Frans Halsema kon absoluut niet. Pas nu hoor ik hoe goed die was.' Maarten van Roozendaal kreeg afgelopen zondag de Annie M.G.Schmidt-prijs voor zijn `Red me niet'.

Maarten van Roozendaal wist zich met zijn houding niet goed raad, toen hij zondagmiddag de Annie M.G.Schmidt-prijs voor het beste theaterlied van het afgelopen jaar in ontvangst nam. Nerveus en nogal verlegen stond hij naast juryvoorzitter Seth Gaaikema, die uit het juryrapport voorlas dat hij `een weldadig emotionele explosie van tekst, muziek en optreden' is, en dat zijn bekroonde nummer Red me niet kan worden beschouwd als `een scherpe aanklacht tegen het godsdienstig fundamentalisme dat in deze tijd zo'n fanatieke rol speelt'. Daarna bedankte hij een paar mensen en kondigde zijn bassist Egon Kracht aan. Toen ging hij aan de piano zitten, sloeg zijn lange benen over elkaar en begon te zingen.

,,In dat soort aandacht ben ik niet erg goed'', beaamt hij twee dagen later, aanzienlijk meer op zijn gemak, met rode wijn en Gauloises blondes onder handbereik in een Amsterdams etablissement. ,,Ik kan er nu eenmaal slecht tegen als ik de gang van zaken niet onder controle heb. Vlak voor een voorstelling ben ik ook wel nerveus, maar dan weet ik tenminste precies wat er gaat gebeuren en dat ik dat allemaal in de hand heb. Zo'n prijsuitreiking is ook veel persoonlijker, die komt veel dichterbij dan een voorstelling. En dat heb ik liever niet. Ik vind het erg leuk dat ik die prijs heb gekregen, maar laat mij alsjeblieft de zaak in bedwang houden.''

Red me niet begint als een enigszins raadselachtige opsomming van handelingen, die langzaam maar zeker herkenbaar worden als de uitingen van diverse geloven.Iedereen mag wat hem betreft zo gek doen als hij wil, zingt Maarten van Roozendaal, zolang ze hem er maar niet mee lastigvallen. Hun hemel is voor hem een hel, hij wil er niets mee te maken hebben. Steeds dwingender wordt de tekst en steeds onstuimiger wordt de muziek, tot hij toe is aan de laatste hartstochtelijke strofen. Opeens dringt dan ook het rijm zijn tekst binnen, dat in het begin nog geheel ontbreekt.

,,Je ziet dat wel vaker in mijn werk'', zegt hij. ,,Als het echt ergens over moet gaan, rijmt het niet. Dan wil ik me vrij kunnen voelen. Als ik die opsomming op rijm had gezet, ga je als toehoorder het volgende rijm invullen. Ik doe dat zelf ook als ik anderen hoor – dan ga ik proberen of ik het rijm eerder heb dan zij. Terwijl ik hier juist wilde dat elke volgende regel een verrassing zou zijn. Maar als het later in het nummer pathetischer wordt, moet het rijmen. Dan wil ik dat pathetische beteugelen, dan moet het publiek kunnen denken: oh, er is vorm, het is nog onder controle. Dat vind ik belangrijk, ook als ik een voorstelling speel – de mensen mogen zich best ongemakkelijk voelen, dat past bij mij, maar ze moeten wel het idee hebben dat het nog onder controle is. Anders is de lol eraf.''

Nachtvlinder

Een jaar of zeven geleden kwam Maarten van Roozendaal ogenschijnlijk uit het niets. Hij zat als een nachtvlinder aan de vleugel, zijn schrale lijf gehuld in een zwart pak met wit overhemd, een sigaret waarvan de rook schilderachtig in het zwart naar boven kringelde, zijn kaak gestoppeld en zijn grote mond vol grillige liedjes over Weltschmerz en stomme pech, draaglijk gemaakt door een wrang soort ironie en een verontschuldigende grijns die af en toe licht in de duisternis bracht.

Waar hij vandaan kwam, bleef in het vage. Hij was afkomstig uit Heiloo, uit een net burgerlijk milieu, en leidde vervolgens een ietwat losgeslagen leven waarvan hij slechts enkele fragmentarische bijzonderheden naar buiten bracht: drank en drugs, kroeg en goot, dolen en lanterfanten. ,,Van huis uit heb ik alles geleerd wat je moet doen om je te handhaven in de samenleving, om erbij te horen, en daarna heb ik mijn leven tien jaar lang zó ingericht dat ik nergens bij zou horen'', vat Maarten van Roozendaal die periode handzaam samen. Wilde hij, opper ik, een poète maudit zijn? ,,Natuurlijk'', zegt hij onmiddellijk. ,,Noodgedwongen ook. Je moet toch èrgens je romantiek vandaan halen?''

Pas nu hij erop terugkijkt, blijkt die lange aanloop naar het theater toch rechtstreeks voort te vloeien uit iets wat hij altijd al wilde. ,,Ik snap echt niet hoe ik ooit op dat idee gekomen ben, maar het klopt, ik wilde per se het theater in. Mijn vader en moeder hielden er ook wel van. Toon Hermans ging mee op vakantie, met Leg néér die bal! En mijn broer en ik speelden bij de afwas hele programma's van Bram en Freek na, dat was gewoon een kwestie van: welke doen we vanavond? Jarenlang heb ik gedacht dat ik een Bram was, die geen Freek kon vinden. Het kwam niet bij me op, dat ik misschien Bram èn Freek kon zijn.

,,Verder was cabaret voor mijn generatie, in de jaren zeventig, iets truttigs. Daar wilde je niets mee te maken hebben. Iemand als Frans Halsema kon absoluut niet. Pas nu hoor ik hoe goed die was. Wij deden het anders. Toen ik achttien was, speelde ik iets Hauser Orkater-achtigs – niet te volgen adolescentenshit. Over zelfmoord en zo. Heftig, heftig. We waren wereldberoemd in Alkmaar. Maar aan cabaretfestivals deed je niet mee, dat was uit den boze. Later heb ik me ook nog eens aangemeld voor de regie-opleiding van de theaterschool, maar daar ben ik niet toegelaten. Ik was te moe, vonden ze. Dat klopte trouwens ook wel, want ik blowde me in die tijd een slag in de rondte. Het heeft lang geduurd voordat ik eindelijk tegen mezelf kon zeggen: ga nou gewoon eens wat liedjes schrijven en zing die nou eens tegen iemand.''

Wanhoop

Dat klinkt rationeler dan het was, geeft Maarten van Roozendaal grif toe. ,,Het was wanhoop, ik wist helemaal niet meer waar ik het zoeken moest. Dit was nog het enige waarvan ik dacht dat ik het zou kunnen. Wel heb ik toen heel bewust mijn eigen heftigheid nog wat aangezet. Ik wist dat ik moest opvallen en dat heb ik gedaan door cowboylaarzen aan te trekken, een pinkelhoutje te dragen en nog harder te schreeuwen dan ik toch al deed. Ik was de passiezanger en daar heb ik nog een schepje bovenop gedaan. In het begin leek het zelfs zo ongecontroleerd, dat de mensen dachten: we moeten die jongen redden, die hangt zich straks op. Dat beeld heb ik met ironie, met humor, een beetje recht weten te trekken. Dat hypochondrische zit nog steeds wel in mij, maar ik lach het nu liever een beetje weg.''

Hij won in 1994 het Amsterdams Kleinkunst Festival en speelde sindsdien vier liedjesprogramma's, eerst met de geplukte en gestreken contrabas van Kim Soepnel en nu met die van Egon Kracht. Het vijfde komt volgend jaar. ,,Het is blijkbaar nog niet opgedroogd'', zegt Maarten van Roozendaal met een mengeling van verbazing en tevredenheid. ,,Ik begin er nu langzaam aan te wennen dat dit mijn leven is, en dat dat veel prettige kanten heeft.'' Hij schrijft liedjes, die allengs in de lijn van een programma blijken te passen. Dat is de beste volgorde, zegt hij. ,,Ik zou niet graag eerst de thematiek van het programma vastleggen en daarna pas de liedjes maken. Dat wordt invullen. En ik zou ook bang zijn dat ik dan veel te uitleggerig ga schrijven. Je doet mij geen plezier met Tennessee Williams. Mannen als Werner Schwab en Rainald Goetz, taal taal taal, het ene beeld na het andere, dat vind ik veel interessanter.''

Dat hij in het juryrapport met Jacques Brel wordt vergeleken, is geen nieuws. De naam van Brel duikt ook in de recensies regelmatig op, net als die van Tom Waits en Randy Newman, en die van Ramses Shaffy, van wie hij al op zijn zevende `op mijn eigen verzoek' een verzamel-cd cadeau kreeg. ,,Ik vind het best om met anderen te worden vergeleken, zolang het er maar véél zijn. Mensen van mijn leeftijd komen niet meer uit een rechtstreekse lijn, zoals Freek de Jonge van Toon Hermans afstamt. Wij hebben veel meer invloeden ondergaan; onze tijd stond ook veel meer open voor alles en iedereen, wij hoefden geen keus meer te maken. Ik vind alleen wel dat je Brel slecht kent als je zijn werk met dat van mij vergelijkt. Brel was geniaal. Maar hij was ook een volksartiest, hij heeft hits geschreven! Dat is bij mij ondenkbaar, zo schrijf ik niet.''

Wat hij schrijft, leunt vaak tegen het parlando aan. Hij vertelt verhalen op muziek. ,,Parlando vind ik interessant'', zegt hij geestdriftig. ,,Als niet meer helemaal duidelijk is wanneer er wordt gesproken of gezongen, krijgt het iets vanzelfsprekends. Lou Reed kan dat bijvoorbeeld heel goed; soms hoor je niet eens de melodie meer, terwijl die er wel is. Dat spelen met het principe trekt me zeer aan. En het heeft ook wel iets pesterigs, dat bij me past.''

Het gaat hem goed, stelt Maarten van Roozendaal op zijn 38ste vast, maar hij durft nog niet hardop te zeggen dat dat altijd zo zal blijven. ,,Ik denk wel dat ik de rest van mijn leven liedjes zal blijven maken. Voor mijn zelfontplooiing heb ik nu geen professionele therapie meer nodig, of ik zou weer in een diepe depressie moeten raken. Maar het verschil tussen wie ik ben en wat ik doe, wordt steeds kleiner. Dat is prettig. Net zo prettig als het voelt om in een theater te zijn. Die theaterromantiek van vroeger ben ik natuurlijk kwijtgeraakt, daar is de gewenning voor in de plaats gekomen. En tegelijk heb ik er nu een heel ander gevoel bij gekregen: wat leuk dat ik me hier zo op mijn gemak voel.''

`Als het echt ergens over moet gaan, rijmt het niet'