Het kind herkent zichzelf niet meer

Een Sebald-zin meandert traag over de bladzij, hij duurt en duurt en duurt en als je eindelijk bij de punt bent gekomen lees je hem nog eens over, niet omdat je hem slecht kon volgen maar omdat hij je verrukt.

Ouderwets is de volgorde waarin Sebald zijn woorden plaatst en ouderwets zijn ook die woorden zelf. In plaats van capes dragen Sebalds figuren mantilles en auto's heten bij hem automobielen: deze schrijver koestert zowel de plechtstatigheid als de elegantie. Maar de kalmte van W.G. Sebalds stijl bergt onrust in zich en een schrikbarende emotionaliteit.

Sebalds helden lijden aan het heden en aan een verleden dat hen is ontglipt. Opgejaagd proberen zij het ontglipte te vangen, en als ze er een glimp van te pakken hebben begint hun leed pas goed. Hun melancholie zit in alle vezels en is ongeneselijk. De titelheld van Sebalds nieuwe boek Austerlitz voelt zich beroerd zonder te weten waarom. Hij weet alleen dat hij behoefte heeft aan een thuis. Maar hij is gedoemd om voor eeuwig te blijven zwerven, dwars door een duister Europa.

Austerlitz heeft zielsverwanten in Sebalds oudere boeken. Kafka en Stendhal in Schwindel. Gefühle, Robert Walser in Logis in einem Landhaus en de volledig onbekende Dr. Henry Selwyn in Die Ausgewanderten. En in al deze boeken passeert een heer die net zo rusteloos en zwaarmoedig is als degenen over wie hij vertelt, een heer van dezelfde leeftijd als de nu 56-jarige W.G. Sebald.

De schrijvers over wie deze heer bericht hebben echt bestaan, maar hoe zit het met de overige figuren? Sebald illustreert zijn verhalen met foto's en die maken een authentieke indruk. Alsof hij ze van zijn figuren kreeg, om te bewaren voor later. Op de omslagfoto van Austerlitz staat een kleine jongen: dat is de hoofdpersoon toen hij vier was. De jongen draagt een theaterkostuum waarop je haarscherp de ruches ziet. Toch heeft de foto iets vreemds. Het blonde kinderhaar lost aan de randen op in het niets. De witte mantille lijkt op een vleugel. Dit jongetje is niet helemaal van deze wereld; hij zou zo weg kunnen wieken. Waarheen?

W.G. Sebald speelt met de spanning tussen fantasie en feiten en schept een geheimzinnig tussenrijk waarin de levenden de doden zoeken en de doden de levenden. De óverlevenden: van vervolging en ballingschap, van vlucht, verschrikking en verdwijning. Ook Jacques Austerlitz is zo'n overlevende. Hij groeit op bij een hel en verdoemenis prekende dominee en zijn sombere, kwijnende vrouw. De pastorie ligt op een desolate hoogte in Wales en Jacques, die dan nog Dafydd heet, vindt het niet erg dat hij naar kostschool moet. Een foto toont hem daar op Stower Grange als rugbyspeler: dit is de leeftijd waarop zijn pleegouders sterven en zijn ware naam aan het licht komt. Maar het kwartje valt pas wanneer hij op de radio twee oude vrouwen hoort vertellen over een kindertransport, van het continent naar Groot-Brittannië, in 1939.

Intussen heeft Jacques een goed functionerend afweersysteem opgebouwd. Het woord `jood' komt in zijn vocabulaire niet voor en `Hitler' al helemáál niet. De lege plek in zijn geheugen vult hij op met kennis: van vogels en alle vliegende dieren, maar ook van gebouwen en hun geschiedenis. De architectuurhistoricus ontwikkelt zich tot een bezetene die koortsachtig naar samenhang speurt. Bijvoorbeeld naar de samenhang tussen kathedralen en stations.

Het is in een station dat Austerlitz en de verteller elkaar voor het eerst ontmoeten. Austerlitz, berugzakt en met stevige stappers aan zijn voeten, fotografeert de koepelvormige stationshal van Antwerpen. Hij heeft ontdekt dat daar `de goden van de 19de eeuw' op de bezoeker neerkijken: de goden van `de mijnbouw, de industrie, het verkeer, de handel'. En de gemeenschappelijke deugd van die goden is niet de liefde maar `de accumulatie van kapitaal'. In de negentiende eeuw moet het voor Austerlitz en zijn auteur mis zijn gegaan met Europa. Beiden gruwen van de geldmakers met hun vernietigingsdrang en hun intimiderende tempels.

Nee, W.G. Sebald gelooft niet in de Vooruitgang. Sinds de industriële revolutie, schrijft hij, laten wij ons opjagen door `ondernemingen die ons verstand verre te boven gaan'. De tastbare resultaten van die ondernemingsdrift maken Austerlitz zo bang dat er barsten in zijn pantser verschijnen. Het afweersysteem brokkelt af en daarmee de taal: `Nauwelijks had ik zo'n met uiterste krachtsinspanning uitgebroede zin neergeschreven of de pijnlijke onwaarheid van mijn constructies en de ongepastheid van alle door mij gebruikte woorden openbaarde zich. Weldra werd het mij onmogelijk de eerste stap te wagen. Als een evenwichtsartiest die niet meer weet hoe hij zijn ene voet voor de andere moet zetten bemerkte ik nog slechts het zwiepende platform onder mij en [...] de verlokking van de afgrond.'

Wie deze toestand kent, streeft des te fanatieker naar taalkundige perfectie. Zie W.G. Sebald zelf, zie zijn pratende personages. Allebei de partijen bedienen zich van eendere, steeds even uitgebalanceerde zinnen, en het verschil tussen directe en indirecte rede is in Austerlitz miniem. Ook de grens tussen de indirecte en de nog indirectere rede vervaagt: de verteller laat een verteller aan het woord die een verteller aan het woord laat, en aanhalingstekens ontbreken. In plaats daarvan stuiten we op formules als: `zei Vera vertelde Austerlitz.' Zulke trucs om afstand te bewaren nemen toe naarmate het verhaal grimmiger wordt.

Zoals hun radarsysteem sommige vogels feilloos naar huis brengt, zo brengt zijn intuïtie Jacques Austerlitz naar Praag. En naar Parijs. En naar Theresiënstadt, zoals de Duitsers het joodse getto noemden. Naar alle plekken die rampzalig waren voor de ouders van Austerlitz. Nieuwe dingen over Auschwitz en holocaust brengt Sebald niet aan het licht. Het door hemzelf gesuggereerde verband tussen vooruitgangswaan en mensen-, lees jodenvernietiging werkt hij amper uit. Maar als geen ander weet hij de vertwijfeling te beschrijven van iemand die ondanks zijn grondige interesse voor de levens van de vernietigden, toch alleen blijft staan. Want hoe ijverig Austerlitz zijn familiegeschiedenis ook reconstrueert, zijn ouders krijgt hij er niet mee terug. Zijn vroege kinderjaren evenmin. Alles van vóór zijn vijfde, want toen deed zijn moeder hem op transport, blijft een pijnlijk niets. Wat heb je ook aan een foto van je moeder wanneer je niet eens zeker weet of het je moeder is? Wat heb je aan een foto van jezelf wanneer je het kind niet herkent?

De vergeefsheid van het pijnigen van het geheugen stelt Sebald evengoed aan de orde als de noodzaak ervan. `Zerstöret das Letzte/ die Erinnerung nicht', koos hij als motto voor Die Ausgewanderten, en dat is het motto van zijn hele oeuvre: nooit mag de Duitse schuld worden vergeten, nooit mogen de misdaden begaan aan de joden worden uitgewist.

Sommige Duitse critici nemen aanstoot aan W.G. Sebalds joodse engagement. Màg, zo vragen zij hardop, een Duitse schrijver zich de biografie van een jood wel toeëigenen? Daar vibreert ten eerste het verwijt in mee dat men zich niet met joden moet bemoeien en ten tweede dat men geen munt mag slaan uit andermans leed. Nou, Sebald bemoeit zich wèl met joden en het lijkt mij sterk dat zij zich door hem uitgebuit voelen. Hij gaat immers respectvol met zijn personages om; ik las zelfs in een interview dat hij de mensen die voor die personages model staan altijd eerst netjes vraagt of hij over hen schrijven mag. Waarna hij hun levens combineert met het zijne.

Ook dat is hem kwalijk genomen: dat hij zijn zielenpijn niet rechtstreeks ventileert maar via anderen. Maar is het niet juist de taak van een schrijver zich in anderen te verplaatsen – met behulp van zijn eigen gevoel? W.G. Sebald voelt zich, net als Jacques Austerlitz, een verdrevene. Hij woont in Engeland, van waaruit hij met enige afstand naar zijn `heimat' Duitsland kan kijken. W.G. Sebald, die behoedzame ondergangschroniqueur, heeft het volste recht om over joden te schrijven.

Van W.G. Sebald verschenen in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Van Gennep: Melancholische dwaalwegen (1991, vertaling van `Schwindel. Gefühle'), De émigré's (1993, `Die Ausgewanderten') en De ringen van Saturnus (1996, `Die Ring des Saturu'). Van Gennep overweegt een vertaling van `Austerlitz'.

[Kop pagina: Buitenlandse literatuur]

    • Anneriek de Jong