Hersenwerken

Twee aanwinsten voor de onderkastplank `hersenwerken', een niet alledaagse gebeurtenis. In de eerste plaats verschenen eindelijk de memoires van een van de grondleggers van het hersenonderzoek, C.U. Ariëns Kappers (1877-1946). Eindelijk, omdat ze al in de Tweede Wereldoorlog werden geschreven en nu pas door wetenschapsjournalist Frank Kolfschoten werden bezorgd in Reiziger in breinen. In Kolfschotens verantwoording stuitte ik op een interessante zin: `Ariëns Kappers heeft het geschreven in de jaren veertig van de twintigste eeuw, maar door zijn overlijden in 1946 is het net niet voltooid.' Dat `net niet' roept vragen op. Kan een gretige terugblikker als Ariëns Kappers wel zelf de laatste punt achter zijn memoires zetten, of is die laatste punt toch aan de dood voorbehouden? De filosoof Bertrand Russell formuleerde het anders, in zijn Paradox van Tristram Shandy: `Kan iemand die eeuwig leeft op een gegeven moment zeggen – ziezo, mijn levensbeschrijving is af'?

Zo dwalen we bij het lezen van Reiziger in breinen meteen al af. Kennelijk werken mijn hersens zo. Eerlijk gezegd vraagt de tekst van de hooggeleerde, internationaal vermaarde hersenonderzoeker zelf ook een beetje om afdwalen. Ondanks zijn ongetwijfeld terechte roem (hij doceerde in Amerika, China, Syrië en correspondeerde met vakgenoten over de hele wereld), een schrijver is Ariëns Kappers niet en om nu te zeggen dat zijn bestaan tussen collega's op instituten en mede-commensalen in kosthuizen zo verschrikkelijk meeslepend is, nee. `Dankzij die goede hulp, vooral echter door het liefdevolle geduld van mijn vrouw, zijn de dagen in Zwitserland een heerlijke herinnering voor mij.' Ongetwijfeld een beminnelijk man geweest, deze hersenonderzoeker, al is hij door verregaand workaholism pas erg laat aan de vrouw geraakt. De werkdrift zat er al vroeg in bij hem, wat leidde tot een van die zinnen in bladzijden vol collegiale bonhomie (erg diep op zijn wetenschappelijke bedrijf zelf gaat Ariëns Kappers niet in) die tot nadenken stemt. Als student schrikt de toekomstige auteur van Reiziger in breinen van bloederig sputum. De dokter stelt hem gerust: `Dit sputum was slechts toe te schrijven aan congesties bij het langdurig gebogen zijn over mijn boeken.'

Snel hoest ik zelf wat slijm in een zakdoek – ik zit al twee uren over Ariëns Kappers gebogen. Géén bloed. Waarom ik niet en hij wel?

Ariëns Kappers zegt zich op goed moment te willen gaan oefenen in de Weigert-kleuring, de Golgi-impregnatie en Ehrlichs vitale methyleen-blauwkleuring. Wat levert het onderzoek van het zenuwstelsel toch prachtige termen op! Opmerkelijk ook is de manier waarop de hersenanatoom tot zijn levensmotto is gekomen. Hij zoekt in een laboratoriumkast naar een bordje om zijn sneden op te leggen en vindt een Delftsblauw exemplaar met de spreuk `Zorg is zegen'. Hij leest er een aansporing om te volharden in, maar zegt er niet bij waarom. Wat is het zegenrijke van zorg? Teveel zorg kan immers ook tot bloederig sputum leiden. Een van de weinige aardige anekdotes in Reiziger in breinen betreft Schopenhauer. Ariëns Kappers vraagt aan de latere bewoner van het huis of er misschien iets van de grote denker in de woning was achtergebleven. `U komt te laat,' zegt de man. `Ik heb net twee weken geleden zijn kachel verkocht als oud schroot.'

Het tweede hersenwerk is Lee Baers Het duiveltje van de geest. Een verkenning van het veelvoorkomende verschijnsel van dwangmatige, kwade gedachten. Opnieuw werk van een befaamd medicus, ditmaal niet een anatoom maar van een psycholoog. Een typisch Amerikaans therapie-werkje: wat eruditie voor gewicht en uitstraling, veel gevalsbeschrijvingen waarin de lezer zich kan herkennen, en natuurlijk een actieplan ter verlichting en verbetering. Want de Amerikaanse samenleving is een doe-maatschappij en veel Amerikaanse boeken zijn doe-boeken. Misschien wel tekenend is het geval van een zevenendertigjarige, homoseksuele, celibatair levende, doopsgezinde, blauwogige, blonde man met sproeten die werd geplaagd door zich aan hem opdringende gedachten in verband met minderjarige jongens waar hij doorgaans niet op viel. `Telkens wanneer hij een knappe jongeman zag, begon hij zich ongerust te maken dat deze misschien nog geen achttien was.' Het gebeurt vooral tijdens kerkdiensten, vertelt Baer.

Wat te doen? Exposure-therapie blijkt het antwoord. Met de therapeut naar mannenmode-catalogi kijken, de minst verontrustende foto uitzoeken en daar net zo lang naar kijken tot er rust intreedt. Vervolgens komt in vivo-exposure, tussen jonge mannen rondlopen en op een natuurlijke manier naar hen kijken. Bij de laatste fase in Baers actieplan wordt de tv aangezet op een reli-zender. De dwangdenker moet bij de uitgezonden kerkdienst doelbewust op een normale manier naar jongemannen en tienerjongens kijken. Hij voelt zich sindsdien iets beter.

Er is veel gebeurd in de periode tussen de schedelmetende en hersensnijdende Ariëns Kappers en de in vivo-exposure van Lee Baer. Ik weet niet hoe lang hun beider boeken het op mijn onderkastplank `hersenwerken' zullen volhouden, maar voor de beweeglijke boekenbezitter speelt dat geen rol. Zodra er beter komt, kan weg wat minder is. En voor de zoekers onder ons valt er altijd wel genot bijeen te bladeren.

C.U. Ariëns Kappers: Reiziger in breinen. Herinneringen van een hersenonderzoeker. Veen, 252 blz. ƒ45,– Lee Baer: Het duiveltje van de geest. Een verkenning van het veelvoorkomende verschijnsel van dwangmatige, kwade gedachten. Vert. Annelies Hazenberg, Uitgeverij Nieuwezijds, 223 blz. ƒ39,90 (pbk)

    • Atte Jongstra