Engeland in vreemde tijden

In de jaren zeventig was de wereld nog niet aangevreten door cynisme, en verloren de mensen zich niet in oeverloos relativeren. Met deze boodschap richtte Jonathan Coe (Birmingham, 1961) zich onlangs tot de lezers van The Sunday Times. In een essay over de uitwassen van de ironie pleitte de schrijver van de briljante jaren-tachtigsatire What a Carve-up! (1994) voor het hervinden van de `komische ernst van de Seventies'. Een pleidooi dat hij kracht bijzette met de publicatie van een nieuwe roman, The Rotters' Club, die zich bijna volledig afspeelt in het tijdperk van Old Labour en J.R.R. Tolkien, van symfonische rock en even fanatiek georkestreerde stakingen.

Coe mag zich dan opstellen als een nostalgicus die zwelgt in de herinnering aan wijde pijpen en Watership Down; de hoofdpersonen van The Rotters' Club doen dat niet. `De mensen vergeten hoe het was in de jaren zeventig,' schrijft Douglas Anderton terugkijkend op zijn jeugd ; `they forget the ungodly strangeness of it.' Volgens Doug vergeten ze de anarchie die in de hand werd gewerkt door de macht van de vakbonden, door de golf van vreemdelingenhaat die volgde op de massale immigratie van Aziatische Oegandezen in 1972, en vooral door de terroristische acties van de IRA op Engelse bodem. Doug kan er als zoon van een vakbondsman over meepraten; zijn vriend Benjamin Trotter nog meer, want diens oudere zuster verliest haar geliefde en haar geestelijke evenwicht bij een van de (historische) 1974 pub bombings in Birmingham.

The Rotters' Club – genoemd naar de onvertaalbare woordspeling waarmee Bens familie zichzelf aanduidt – is een tragikomedie over de middelbareschooltijd van drie jongens uit de Birminghamse middenklasse: de aankomende popjournalist Doug (die het bij de opkomst van de punkrock zelfs schopt tot provinciaal correspondent van het legendarische muziekblad NME), de onhandige Philip (die uit bewondering voor de symfonische pop van Yes een eigen `prog-rock'-bandje begint), en de doodserieuze would-be-schrijver en (klassiek) componist Ben, die worstelt met de liefde en zijn voor de buitenwereld verborgen geloof in God.

Het is Ben die van Coe de meeste aandacht krijgt. Hij is niet alleen een geboren observator, `a spectator to other people's stories', en daarmee een mooi alter ego van de schrijver; maar ook een aandoenlijke figuur die met schokken volwassen wordt, en met wie je je als lezer identificeert – zelfs al ben je niet geboren in de jaren zestig. Bens karakterfout is zijn gebrek aan doortastendheid. `You won't take life by the throat and give it good old shaking,' zegt Doug tegen hem. Als Ben een paar jaar later eindelijk `zijn kansen grijpt' en iets moois krijgt met het meisje op wie hij sinds zijn veertiende verliefd is, betekent dat het natuurlijke einde van het boek. Maar Coe is venijnig genoeg om Bens verrukte slotmonoloog – opgeschreven op de dag van de verkiezingen in 1979 die de Conservatieven aan de macht zouden brengen – een ironische lading te geven. De vader van zijn vriend Philip voorspelt Ben twee dingen: hij zal lang en gelukkig leven met zijn nieuwe vriendin, en Margaret Thatcher `zal nooit premier van dit land worden.'

Volgens de regels van de generatieroman wordt de Bildung van Ben en zijn vrienden afgezet tegen de hoogte- en vooral dieptepunten van de jaren zeventig: het IRA-terrorisme, de nucleaire dreiging van de Koude Oorlog, de naijleffecten van de seksuele revolutie, Emerson, Lake & Palmer. De verhaallijnen wisselen elkaar in een hoog tempo af, en hoewel de rampen in het leven van de personages zich opstapelen, verliest The Rotters' Club nooit zijn humor. Wie niet kan lachen om Dougs schoolkrantrecensie van het nieuwste conceptalbum van Yes, of om Bens religieuze epifanie in de kleedkamer van het schoolzwembad, zal tenminste moeten grinniken om de dickensiaanse bijfiguren of de stilistische grapjes waarmee Coe de vaart in zijn verhaal houdt. Het neemt niet weg dat The Rotters' Club in de eerste plaats een melancholiek boek is, een zoektocht naar de verloren tijd die met open armen ontvangen zal worden nu de Silver Seventies als nooit tevoren in de belangstelling staan.

The Rotters' Club is een verhaal met een hoge inzet, niet alleen inhoudelijk maar ook compositorisch. Alsof hij bang is om de aandacht van de lezer te verliezen, haalt Coe alle mogelijke vertelvormen uit de kast: dagboekaantekeningen, passages met een alwetende verteller, monologen, verhalen in de derde persoon enkelvoud, brieven en nieuwsberichten. Soms gaat hij te ver. Zo is het weinig geloofwaardig (en onnodig) dat het hele verhaal van Ben en zijn vrienden zogenaamd verteld wordt door zijn nichtje in 2003 — als een lange flashback met details die geen moderne tiener paraat heeft. En ook de lange uitweiding over een vakantie van de Trotters in Denemarken, met daarin een verhaal van twee joodse geliefden tijdens de Tweede Wereldoorlog, voegt op zijn zachtst gezegd weinig toe.

Het zij Coe vergeven. In een `Author's Note' aan het eind van het boek schrijft Coe dat hij bezig is aan een vervolgroman, waarin de personages uit The Rotters' Club in de jaren negentig gevolgd worden. Dat je haast niet kunt wachten om dat te lezen, is na 400 bladzijden het grootste compliment dat je de schrijver kunt geven.

De Nederlandse vertaling, `De Rotters Club', verschijnt eind mei bij Meulenhoff.

[Streamliner] Coe schrijft over de rampen van de jaren 70: kerndreiging, IRA-terrorisme, symfonische rock

[Kop pagina: Buitenlandse literatuur]