Een royaal huis

NEDERLAND HEEFT er volgende maand weer een prinses bij. Medio mei zal Laurentien Brinkhorst in het huwelijk treden met prins Constantijn, de derde zoon van koningin Beatrix. In totaal komt daarmee het aantal leden van het koninklijk huis waarvoor de ministeriële verantwoordelijkheid geldt op zestien. Op hun doen en laten kunnen ministers worden aangesproken. Met nog meer prinsen in de huwbare leeftijd is een verdere uitbreiding van deze bijzondere categorie spoedig te verwachten.

Het is dan ook een goede zaak dat minister-president Kok deze week heeft aangekondigd dat het kabinet zich gaat bezinnen op de omvang van het koninklijk huis. In de voorzichtigste bewoordingen liet Kok doorschemeren dat nog deze kabinetsperiode een wetsvoorstel is te verwachten waarin wordt voorgesteld het aantal leden van het koninklijk huis dat onder ministeriële verantwoordelijkheid valt, te beperken. Dat hiermee een gevoelige materie wordt aangesneden, bewijst het verleden. Een eerder voornemen van het kabinet-Biesheuvel in het begin van de jaren zeventig om de omvang van het koninklijk huis te reduceren, stuitte op heftige weerstand van koningin Juliana en ging dan ook niet door.

Bij de modernisering van het koningshuis waarover tot nu toe vooral veel is gesproken, hoort zeker ook de omvang. Het was ruim dertig jaar geleden de fractievoorzitter van de VVD W.J.Geertsema die stelde dat prinsen het werk moesten kunnen kiezen dat bij hun talenten paste, maar dat de regering daarvoor geen verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Hoe meer de wat verder van de troon afstaande leden van de koninklijke familie de gelegenheid zouden krijgen zich maatschappelijk als gewone burgers te ontplooien, hoe minder last zij van de ministeriële verantwoordelijkheid zouden ondervinden, en de ministers van hen, aldus Geertsema.

DEZE REDENERING gaat nog steeds op. Het is bijvoorbeeld de vraag waarom de kinderen van prinses Margiet en Pieter van Vollenhoven, en hun echtgenotes nog tot het koninklijk huis moeten worden gerekend. Het ligt meer in de lijn het lidmaatschap te beperken tot de directe lijn van erfopvolging. De ministeriële verantwoordelijkheid is een fragiele constructie. Beide partijen – regering en koninklijk huis – hebben er dan ook belang bij deze constructie voor zo min mogelijk mensen te laten gelden.