Een gebaar van verzoening

Verzamelaar Heinz Berggruen, in 1936 voor de nazi's gevlucht uit Berlijn, verkocht die stad onlangs het grootste deel van zijn kunstverzameling.

Op een dag zat Heinz Berggruen met Pablo Picasso en vrienden in café Felix in Cannes. Frankrijk had weer eens grote financiële problemen, torenhoge inflatie, het geld werd almaar minder waard.

Berggruen liet Picasso het nieuwe biljet van 500 francs zien. Die bekeek het papieren geld aandachtig en zei: ,,Ze zouden mij minister van Financiën moeten maken, ik kan het land uit de economische chaos redden.''

Iedereen keek Picasso verwonderd aan. ,,Ik ben koning Midas'', lachte de Spaanse schilder. Hij pakte een potlood en maakte razendsnel een kleine tekening op het geld. ,,Nu is dit biljet het dubbele waard'', zei hij triomfantelijk.

Toen Berggruen het verhaal 's avonds aan zijn vrienden vertelde, legde een van hen meteen 1.000 francs op tafel in ruil voor het biljet. ,,Zie je wel'', zei Picasso de volgende dag, ,,ik zou minister van Financiën kunnen zijn. Maar ik blijf toch liever dit werk doen'', voegde hij eraan toe, en verdween in zijn atelier.

De ontmoeting met Picasso (1881-1973) hoorde tot de `gelukkigste uren' in zijn leven, vertelt Berggruen, de grootste Picasso-verzamelaar in Duitsland. De Berlijnse kunsthandelaar spreekt liefdevol over de schilder, met wie hij vele warme dagen doorbracht in cafés, in zijn woning in Zuid-Frankrijk en aan het strand van de Rivièra. Berggruen was niet alleen met de schilder bevriend, hij heeft de laatste veertig jaar met maniakale gedrevenheid Picasso's verzameld, zoals het portret van Jaime Sabartés (in Japan heeft hij er vijf jaar geleden vier miljoen dollar voor betaald, nu is het tien miljoen waard), de Zittende Harlekijn, Matador en meisje, Gitaar en krant. En niet alleen Picasso's, ook werken van Paul Klee, Vincent van Gogh, Paul Cézanne, Alberto Giacometti. Van zijn ruim tweehonderd schilderijen tellende collectie zijn er zeventig van Picasso. Wereldwijd geldt de `collectie Berggruen' als een van de belangrijkste klassieke moderne kunst-verzamelingen die nog in particuliere handen is. Of liever: was.

Recentelijk besloot Berggruen de stad Berlijn het grootste deel van zijn collectie te verkopen voor 200 miljoen mark, een prijs die ver onder de marktwaarde ligt. ,,Een gebaar van verzoening'', zegt hij. ,,Ik voel me ertoe verplicht de stad een culturele vitamine-injectie te geven. De nazi's hebben hier een culturele woestenij achtergelaten.''

Berggruen spreekt met zachte stem. Hij is een kleine, gedistingeerde man met wit haar. We praten in Berlijn in zijn klassiek ingerichte werkkamer met twee stijlvolle Diego Giacometti-lampen. Aan de muren zwartwitfoto's van Picasso met zijn kinderen, van Berggruen met de Duitse collectioneur baron Von Thyssen en een affiche van Braque.

Zijn pied-à-terre bevindt zich bovenin de Stühlerbau, een prachtig klein Pantheon van moderne kunst in de hoofdstad. Sinds Berggruens terugkeer naar Berlijn, in 1996, is het speciaal ingericht voor zijn collectie Picasso und seine Zeit. Het museum is de helft van een `tweelinggebouw' tegenover het paleis Charlottenburg. In Berggruens museum troont Picasso's Gele trui, een portret van Dora Maar, zijn vroegere echtgenote. Het andere museum, enkele meters verder, herbergt Egyptische kunst met koningin Nefertete (14de eeuw v. Chr.) als pronkstuk. Twee beroemde vrouwen die om de gunst van het publiek dingen.

Levensverhaal

Heinz Berggruen heeft op zijn 86ste zijn levenswerk aan Berlijn gegeven, omdat zijn eigen levensverhaal diep verbonden is met de Duitse hoofdstad. Door Hitler verdreven uit zijn Heimat, besloot hij na zestig jaar toch terug te keren.

,,Ik ben een Berlijner'', zegt Berggruen. ,,Ik ben er geboren, opgegroeid en heb er 22 jaar gewoond.'' In 1936 is hij naar Californië geëmigreerd omdat hij merkte dat er in Duitsland geen toekomst meer voor hem was. De nationaal-socialisten waren aan de macht.

Berggruen, een Duitse jood, die literatuur had gestudeerd, was nog maar nauwelijks het journalistieke pad ingeslagen of hij kreeg met het antisemitisme te maken. De redactie van de Frankfürter Allgemeine Zeitung liet hem weten dat ze zijn artikelen graag afdrukten, maar zonder zijn naam. Die had zo'n joodse klank. ,,Voordat het bruine onweer goed losbarstte ben ik weggegaan, met precies tien mark op zak.'' Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kon hij nog op het nippertje zijn ouders het land uithalen, die met het beroemde emigrantenschip Saint Louis naar Amerika kwamen. Broers of zussen had hij niet.

,,Veel vluchtelingen hadden in Amerika groot succes. Zelfs mensen die uit de armste milieus kwamen zoals Henry Kissinger, die minister van Buitenlandse Zaken werd'', zegt Berggruen. ,,Mij is dat niet gelukt.'' Wel kwam hij in de Verenigde Staten in contact met de kunstwereld. Voor de San Francisco Chronicle schreef hij artikelen over kunst en kunstenaars. Toch voelde hij zich niet thuis in de nieuwe wereld. Als de jonge Berggruen in de bibliotheek van Berkeley gedichten van Rilke las en verhalen van Kafka, gingen zijn gedachten als vanzelf terug naar de cafés aan de Kurfürstendamm en naar de Hallensee, waar hij altijd zwom. Terug op zijn kamer kon hij wel huilen, zover weg was Berlijn.

,,Ik had voortdurend heimwee naar Europa'', zegt hij. De Amerikanen waren hem te pragmatisch, te extrovert, te materialistisch. De oppervlakkige lichtheid van het bestaan bezorgde hem `Seelenpiepen'. Toen Amerika na het bombardement op Pearl Harbor (1941) bij de oorlog betrokken raakte, keerde Berggruen als soldaat terug naar Europa. ,,Ik was de enige militair op het oorlogsschip die met plezier naar Europa reisde. Ik wilde meehelpen de nazi's te verslaan en ik verheugde me enorm spoedig weer in Europa te zijn. Dat was een groot geluk voor me'', zegt hij met een glimlach.

Hij vond Berlijn, de stad waar hij zoveel van hield, terug als een grote puinhoop. Van zijn ouderlijk huis in de Konstanzer Strasse in het `goedburgerlijke' Wilmersdorf, was slechts een stoffige berg stenen overgebleven. De Duitsers die hij sprak waren wanhopig, gedeprimeerd. ,,Ze wisten dat ze zich hadden laten verleiden en een volstrekt verkeerde weg waren ingeslagen.''

In dat Duitsland kon hij nog altijd niet leven, ook niet na de capitulatie. Berggruen nam de wijk naar Parijs. Een blauwe maandag werkte hij daar als directeur bij de cultuurafdeling van de Unesco, maar al snel begon hij in de Franse hoofdstad een kleine galerie en kwam terecht in het artistieke milieu van kunstenaars, schrijvers, actrices en fotografen. Man Ray, Simone Signoret, Paul Eluard, Gertrude Stein, Henri Matisse, Juan Miró, Marc Chagall, Max Ernst Berggruen kende ze allemaal.

Tristan Tzara

De ontmoeting met Picasso was evenwel de `grootste gebeurtenis' in zijn leven. In 1950 liep Berggruen in Café Flore tegen de dichter Tristan Tzara aan, een van de oprichters van Dada. ,,Tzara had net een dichtbundel geschreven, De mémoire d'homme, met illustraties van Picasso en vroeg of ik die wilde tentoonstellen. Ik was net met m'n galerie begonnen en voelde daar wel voor. Er was wel toestemming van Picasso nodig. Dat was spannend – wie niet bij hem in de smaak viel, kon het als galerist wel vergeten.''

Tzara nam Berggruen mee naar het atelier van Picasso in de Rue des Grands Augustins 7, dicht bij de Seine. Hij woonde op de vijfde etage, in een prachtig 17de-eeuws huis, herinnert Berggruen zich. ,,Ik had eens gelezen dat er al in 1942 bij Picasso aan de deur een klein briefje hing waarin met blauw Ici was geschreven. Dat hing er nog steeds.''

Picasso's persoonlijke secretaris Jaime Sabartés deed open en leidde de twee mannen naar een grote donkere voorkamer. Daar wachtte een lange rij mensen uit de hele wereld geduldig op een stoel tot ze de grote meester konden ontmoeten. Het geheel deed Berggruen denken aan een hofceremonieel uit de tijd van Philips de Tweede, alleen droegen de hoofdpersonen 20ste-eeuwse kleding. Lang duurde het niet voor ze werden binnengelaten. Toen de deur openging was dat voor Berggruen het spannendste moment. ,,Zou Picasso, die bot en onbehouwen kon zijn, me accepteren?''

Picasso bleek buitengewoon innemend. ,,Zijn scherpe gezichtstrekken, zijn heerlijke, grote, magnetische ogen, zijn prachtige gedrongen lichaam ik raakte onmiddellijk in zijn ban.'' Kennelijk beviel de jonge Duitse kunsthandelaar Picasso ook. Tzara had nog niet verteld dat hij bij Berggruen kon exposeren of de schilder verklaarde zich akkoord.

Humor

Het was het begin van Berggruens succes als kunsthandelaar, en van een lange vriendschap. ,,Picasso was een geweldige man. Hij had charisma, humor, zag en hoorde alles. Alles wat hij deed of wat hem dreef was opwindend. Dat weerspiegelt zich in zijn werk. Hij is dé grote schilder van de 20ste eeuw, het tijdperk van de Guernica. Natuurlijk zijn er andere interessante schilders geweest, maar niemand was als Picasso. Hij was een genie.''

Een werk van de schilder bezat Berggruen toen nog niet, als collectioneur was hij nog een beginner. ,,Wel een die het gelukt is heel vroeg aan mooie dingen te komen'', vertelt hij. Zijn eerste Picasso kocht hij van een vriend in Parijs, de dichter Paul Eluard. Picasso schonk Eluard, die hij een veelbelovend schrijver vond, regelmatig tekeningen omdat hij nauwelijks kon rondkomen. Van Eluard kocht Berggruen De Slaper uit 1942. ,,Een verrukkelijke tekening van een slapende man met zijn geliefde aan zijn voeteneind, die over hem waakt. De prent hangt hier in het museum'', zegt Berggruen. ,,Ze heeft vrijwel niets gekost.'' Eluard vroeg er destijds 5.000 francs voor, 1.500 mark. ,,Ik vond de tekening geweldig en zei Eluard dat ik haar wilde hebben. Alleen het geld had ik niet. Eluard keek me aan, verdween naar achteren en kwam terug met een wondermooie aquarel van Klee: ,,Als u de Picasso koopt, schenk ik u de Klee'. Daarop heb ik onmiddellijk `ja' gezegd, hoewel ik het geld nog steeds niet had. Maar ik heb het bij elkaar geschraapt.''

Een week later kwam er een Zwitserse verzamelaar in Berggruens galerie die helemaal verrukt was van de Klee. Hij betaalde meteen de 5.000 francs die Berggruen ervoor vroeg het bedrag dat Bergruen voor beide schilderijen had betaald. ,,Zo ben ik begonnen. Bij een goede veiling, Christie's of Sotheby's in New York, zou deze Picasso-tekening nu 600.000 dollar opleveren, meer dan een miljoen mark. Dat is een aardig verschil.''

Niet altijd had hij zoveel geluk, voegt hij eraan toe. Toch is Berggruen zo'n succesvol collectioneur geworden omdat hij veel werken al lang geleden relatief goedkoop wist te verwerven. ,,Ik geloofde erin, ik geloofde in de kwaliteit van de schilderijen. Picasso's studie bijvoorbeeld van Les Demoiselles d'Avignon uit 1907. In 1956 heb ik het schilderij nog opgehangen op een Picasso-tentoonstelling. Maar geen mens heeft het gekocht. Het is iets heel bijzonders.'' Nu geldt het schilderij, dat in het museum hangt, als een laat meesterwerk van Picasso. Als het op de vrije markt verkocht zou worden, brengt het ongezien 100 miljoen dollar op, rekent de handelaar voor.

Drug

Berggruen kocht van kunstenaars, schrijvers, handelaren en op veilingen. Zijn indrukwekkende collectie kon hij vooral vergaren omdat hij `in het juiste milieu' zat, zoals hij zegt. ,,Het verzamelen werkte als een drug voor me. Ik kon er niet mee ophouden, het is een hartstocht, een obsessie misschien.''

Berggruen staat op en loopt naar een antieke kast waarop een kleine kopie staat uit Picasso's blauwe periode, Vrouw met armen over elkaar, uit 1902. ,,Haar heb ik nooit kunnen krijgen'', zegt hij. Te duur: 55 miljoen dollar heeft ze op een veiling opgeleverd. Berggruen had hooguit 30 miljoen kunnen geven (,,Ik was kansloos''). De vrouw blijft hem intrigeren. ,,Picasso was heel jong, 23 jaar, toen hij haar schilderde. Toen al lukte het hem in de vrouw alle emoties te leggen die belangrijk zijn: verdriet, weemoed, eenzaamheid. Het is een geweldig schilderij, met haar aanwezigheid heerst ze als een koningin.''

Pijn doet het Berggruen niet dat hij het grootste deel van zijn collectie aan Berlijn heeft gegeven. Het is goed dat Europese kunst in Europa blijft. De kunstverzamelaar verzet zich fel tegen de `McDonaldisering' van de musea in Europa, de vele Guggenheims die oprukken ook in Berlijn waar vooral Amerikaanse kunst te zien is. ,,Europa moet de kans krijgen zijn eigen kunst te tonen; de Europese modernen zijn ontstaan uit onze eeuwenlange traditie waartoe Rembrandt hoort, Vermeer, Dürer en Velásquez. Nee, het is goed dat Berlijn zijn collectie heeft. Waar zijn hier anders de Picasso's?''

Berggruen wilde met de verkoop ook als jood een geste maken. Met slechts tien dollar lieten de nazi's hem destijds uit het land vertrekken, zestig jaar later keert de verloren zoon terug en kan hij de stad verrijken met zijn schatten. Daarop is hij toch een beetje trots.

Halverwege de jaren negentig zei de Israëlische president Ezer Weizman bij een bezoek aan Duitsland hoe onbegrijpelijk hij het vond dat joden nog in het land van Hitler en Himmler wilden leven. Een vreemde uitspraak, vond Berggruen. Had Yehudi Menuhin ook niet een geweldig gebaar van verzoening gemaakt, toen hij al kort na de oorlog in de Berlijnse Philharmonie onder Furtwängler zijn eerste vioolconcert gaf? En is Daniel Barenboim, Israëlisch staatsburger en volledig in Berlijn geïntegreerd, niet al jaren de gewaardeerde leider van de Staatsoper Unter den Linden?

,,Duitsland is de afgelopen decennia een echte democratie geworden, zoals je die in Europa nauwelijks beter en sterker vindt. Natuurlijk zijn er randverschijnselen zoals die skinheads. Het zijn rowdies, zonder enige opvoeding. Maar er is een belangrijke tegenbeweging van de regering op gang gekomen die de meeste radicalen wil verbieden. Dat is volkomen juist.'' Toen Barenboim voor Palestijnen een Mozart-concert speelde zei hij: ,,Ik wil jullie de hand reiken met de enige taal die ik spreek: de muziek.'' Berggruen: ,,De taal van Barenboim is de taal van de tolerantie, die diep in de joodse traditie is verankerd. Die taal wil ik ook spreken.''

De oppervlakkige lichtheid van het bestaan in Amerika bezorgde hem Seelenpiepen

    • Michèle de Waard