Een bos van grimmige allure

Zoeken naar nationale kenmerken in kunstwerken is strijdig met de aard van kunst, vindt Hafid Bouazza. Dit is de zesde aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Onze olijfgroene Volkswagen had het al in Spanje begeven toen wij na een marteltocht via verschillende, donkere treinstations op een herfstdag in het jaar 1977 eindelijk Arkel bereikten, het dorp waarnaar zoveel dromen onder de nachthemel hadden geleid en dat zijn naam eer aandeed: een erker, een vestzakje aan de dijk. Vader keek meewarig naar onze versleten schoenen en sprak: ,,Ik hoop dat niemand ons ziet, want Nederlanders letten altijd op de schoenen die je draagt.'' De enige toeschouwer van onze aankomst (de welkomstfanfare had, na langdurig wachten, natuurlijk de hoop al opgegeven) was een klein jongetje dat eenzaam speelde op de heuvel waarop het stadshuis prijkte, en inderdaad wierp hij een blik op onze schoenen en hoe vurig hoopten wij op dat moment dat zij van hetzelfde materiaal gemaakt waren als zijn wimpers en wenkbrauwen die onzichtbaar waren geworden in het herfstlicht.

Dit is 24 jaar geleden en hoewel de woorden van mijn vader mij altijd zijn bijgebleven, heb ik de Nederlanders niet kunnen betrappen op een specifieke voorliefde voor schoenen. Toegegeven, enkele van de concubines die ik in dit gastvrije land heb mogen genieten, hadden (hebben ongetwijfeld nog steeds) een indrukwekkende verzameling schoeisel (en Nederlandse vrouwen hebben een goede smaak voor schoenen), maar dat is een bewijs van de sartoriale wispelturigheid die vrouwen nu eenmaal kenmerkt en niet een nationale karaktertrek.

Na 24 jaar ben ik te veel vergroeid met de ruggengraat van dit land om mij bewust te zijn van zaken die als `typisch Nederlands' omschreven zouden kunnen worden. En daarbij vind ik die indeling niet heilzaam. En toen ik 24 jaar geleden hier aankwam, was ik te druk bezig mijn kleine wereldje in te richten volgens de aanwijzingen van mijn dromen om mij bewust te worden van de verschillen tussen mij en de anderen. Ik vond in Holland, Holtzland, Houtland de vrijheid van ontdekking en creativiteit, een tweekoppige demon die zich juist voedt met het nieuwe, het andere en die zich wel verbaast, niet omdat dingen anders zijn, maar omdat dingen zo anders kunnen zijn en het leven zij dank daarvoor. Mijn geest was op 7-jarige leeftijd net ontloken en ontvankelijk en Nederland diende zich aan in al zijn scherpte en helderheid, waar de jaren in Marokko slechts paletvegen waren van een verrukkelijke en wazige droom. In Nederland begon mijn bewustzijn te rijpen.

Houtland. In Ali en Nino van Kurban Said komt de volgende passage voor: `misschien bestaat er slechts één juiste indeling van de mensen: in bosmensen en woestijnmensen. Het bos is vol vragen. Alleen de woestijn vraagt niets, geeft niets en belooft niets. De woestijnmens heeft slechts één gevoel en kent slechts één waarheid. De bosmens heeft vele gezichten. De fanaticus komt van de woestijn, de scheppende mens van het bos.'

Nederland is een bos en als bosmensen vele gezichten hebben, hoe kun je dan de gezichten aanwijzen die typerend zijn voor hen? Uiteindelijk heeft een bosmens al zijn gezichten nodig om bosmens te zijn. Misschien is dit wel het typerende aan Nederland, de veelheid aan gezichten. Een simpele toetsing van integratie zou dan de volgende zijn: wie slechts twee gezichten heeft (een voor het traditionele thuis en een voor het gevaarlijke buiten) is een huichelaar en valt af. Wie meer dan twee heeft, is creatief en mag verder. In een bos is veelgezichtigheid een vorm van schutkleuren en schutkleuren zijn een voorwaarde om te overleven. Ik heb de zandkorrels die af en toe nog steeds uit mijn plooien sijpelen, verwerkt in mijn bosgezichten.

Het moge duidelijk zijn dat ik een afkeer heb van indeling naar nationaliteit. Analytisch ingestelde mensen, zoals de Nederlanders, zouden dat verklaren aan de hand van mijn immigratie. Mijn verkassing zou dan voor mij het bewijs zijn dat de mens in staat is zijn geest zoniet te veranderen, als wel aan te passen. (Karel de Grote zou hebben gezegd dat wie van taal verandert tevens van ziel verandert.) De tiran van de afkomst blijkt een nar van veranderlijkheid. Waarden aarden niet overal en normen worden wormen die krioelen bij dode wortels.

Ik kan mij ook niet voorstellen dat iemand kunst beschouwt, leest, of beluistert op zoek naar sporen van 's kunstenaars afkomst in het kunstwerk. Helaas gebeurt dat nog wel al te vaak. Hoe vaak lezen we niet over schrijvers dat zij `de zenuwen van dat land genadeloos blootleggen'? Of dat ze `de ziel (of geest, of mentaliteit, of aard) van dat volk haarscherp analyseren'? Of (mijn favoriet) dat ze `die maatschappij een spiegel voorhouden'? Kunstenaars zijn geen kappers, alleen kappers houden de mensen een spiegel voor.

Opmerkelijk is dat het alleen buitenlandse auteurs zijn die critici naar zulke platvloerse aanduidingen doen grijpen. Wanneer leest men ooit over Nederlandse schrijvers: `hij/zij fileert onze natuur op weergaloze wijze'? En als er al een `ons' opduikt, dan klinkt die ontegenzeggelijk universeel. Het is overigens vooral in efemere levensvormen, zoals columns, kritieken, ingezonden brieven, en andere uitlaatgassen van een meningdronken volk dat er iets opborrelt van wat `typisch Nederlands' mag heten. (En bij televisieprogramma's, hoewel filistinisme en burgerlijkheid de enige universele levensvormen zijn.) En dat zijn dan de minder aangename trekken. Maar we zouden ons beperken tot de kunst en cultuur.

Zoeken naar antropologische kenmerken in kunstwerken is voorbijgaan aan het transcendentale karakter van kunst. Ik geloof heilig in de individuele expressie van de individuele kunstenaar. Ik geloof heilig in het persoonlijk universum dat een kunstenaar schept. Vandaar mijn diepe afkeer van vertalers die hakken en snijden in dictie en beeldspraak van de oorspronkelijke auteur, zijn nauwkeurig gekozen woorden en zinnen vervangen door uitdrukkingen (een euvel dat Nederlandse vertalers, met Charles B. Timmer als koploper, in het bijzonder aankleeft), die zoeken naar benadering in plaats van precisie en denken dat een godenzetel op de Olympus hetzelfde is als een taboeret op een grasduin: op beide kun je zitten, nietwaar. O! die nuchterheid! Ik zou haar benijden als ik niet overtuigd was van de noodzaak van bedwelming.

Wie heeft Nederlanders ooit op de gedachte gebracht dat zij nuchter zijn? Als kunstenaars de vaandels zijn van een volksaard (wat ze gelukkig niet zijn), dan is die aanduiding, gezien het karakter van de lange traditie van kunstenaars die Nederland heeft, geheel misplaatst. Of ergens moet het fout zijn gegaan met dit volk. Ordelijk, jazeker. Stoïcijns, zozeer zelfs dat elke traan nieuwswaarde heeft (de term `treurbuis' heeft een verrassende wending aangenomen). Berekenend, door Freud verwend, zichzelf genoeg – dit allemaal en nog meer, maar nuchter? Wat is er zo nuchter aan een volk dat zich laat benevelen door een programma als Big Brother – dat pathologisch equivalent van over de geraniums turen? Dat elke bijensteek in de kindertijd tijdens de volwassenheid laat analyseren onder de troebele microscoop van therapie? Dit laatste is vooral kenmerkend voor de vrouwen van dit land, die hun benijdens- en begerenswaardige vrijheid, met zoveel moeite behaald, verleuteren met emotionele ontboezemingen en ernstige zelfbeschouwingen. `Seid ihr ein wenig frei', zingt Hans Sachs in Die Meistersänger von Nürnberg. Maar hoe onmetelijk lijkt dat weinige bij deze wonderlijke schepsels, hetgeen wel weer ontzag afdwingt. Niemand die zo dronken is van zichzelf mag nuchter heten.

De schilderijen van Piet Mondriaan zijn alleen op het eerste gezicht nuchter, bij lange beschouwing komt de bedwelming van kleuren pas boven. En hij is een schilder die in werkelijkheid de kleurenlyriek van Vermeer voortzet. Vermeer gebruikte dezelfde techniek van kleurenjuxtapositie om lichteffecten te creëren.

Laten we dus afspreken dat we het woord nuchter voortaan niet ijdel gebruiken.

Is de extase van een dichter als Gorter een Nederlandse extase? Of is het de vervoering van elke dichter, high van zon en zee? De vreugde van zijn taal is wel Nederlands om de simpele reden dat hij in en vanuit het Nederlands schrijft – evenals zijn zee en hemel:

De zee buiten grijs, zilverig, regenig

En:

samen te eten van de grijze lucht

Voor de rest is zijn werk doordrenkt van zonnigheid. En je zou kunnen zeggen dat zijn zon niet de ijle, heldere zon is van de Middellandse Zee, maar duidelijk een Germaanse zon, het oog van Wotan, gedrenkt in mede. En de intimiteit die zijn Mei kenmerkt, grenst soms aan het huiselijke, aan het `gezellige'. Maar bij herlezing blijkt dat gedicht in de traditie te staan van Shakespeare's Venus and Adonis, een renaissance-werk in verschillende opzichten, in thematiek en schildering, uitwerking en kleurgebruik – en niet een tekening van Hollandse knusheid. En zo hoort het ook: het is het werk van een bosmens met vele gezichten. En misleiding is inherent aan een bosmens.

Die misleiding vind je ook in de muziek van de groep Oud West, voorheen Trio Bier. De verschijning van hun laatste cd Bakkum aan Zee ging vergezeld van een persbericht waarin de band trots hun liefde voor en voortzetting van het eerlijke Nederlands lied verkondigde, om dan die plaat te beginnen met een onvervalst country-nummer. De teksten zijn in het Nederlands, dat wel. Deze troubadours zingen van alcohol, eenzaamheid in de stad, een stedelijk verlangen naar natuur, stedelijke dronkenschappen en Amsterdam op de ritmes van de wals, de tango, klezmer. En geen moment twijfel je eraan dat dit Nederlandse muziek is. Je bent alleen wel verbaasd dat Nederland opeens zoveel groter lijkt.

Wat voor Gorter geldt, geldt ook voor het Concertgebouworkest. Is de klank (goud en gebrand sienna) van dit orkest Nederlands? Muziekcritici spreken vaak (daar gaan we weer) over het `volle, robuuste, Russische karakter' van een Russisch orkest, of over `de verfijning en doorschijnendheid' van een Frans orkest, of affijn, de rest kunt u zelf wel invullen. Een of andere criticaster bestond het zelfs een uitvoering van dirigent Seji Ozawa te vergelijken met een Mitsubishi. Als de clichés van een land toepasbaar zijn op een orkestklank, dan zouden we moeten spreken van `de broodnuchtere, Hollandse' klank van het Concertgebouworkest. Niemand doet dat echter, want het is onzin, maar niet onzinniger dan die andere typeringen. En wanneer lees je ooit over een uitvoering van Bernard Haitink dat zij lijkt op een Philips-scheerapparaat (een glad resultaat, maar veroorzaakt rode vlekken)?

Aan de warmte en voluptas van de Concertgebouworkestklank kon de Italiaanse dirigent Ricardo Chailly een puntje zuigen: daar ga je dan met je mediterrane warmbloedigheid, die in werkelijkheid niets meer is dan het dampen van moeders pastagerechten. Als we Rembrandt, Van Gogh, Vermeer, Gorter, Multatuli, Gossaert, Leopold, Boutens en anderen niet hadden, dan zou het Concertgebouworkest onhollands genoemd kunnen worden. Het orkest past namelijk in een rijke traditie van extatische lyriek die de Nederlandse kunsten altijd heeft gekenmerkt en die we tegenwoordig voortgezet zien worden door onder andere Menno Wigman en Pieter Boskma, twee van de beste dichters van dit moment. Lyriek uit het volle hart, zonder de vermoeiende grijnslach van de ironie, die zoveel poëzie van tegenwoordig doet klinken als commentaar op poëzie. En als Nederland ergens aan ten onder zal gaan, dan is het wel aan commentaar.

Het is prettig toeven in een bos van zulke grimmige allure als Nederland. Vruchtbare grond voor de kunsten. Fraai decor voor het spel van misleiding.

Ik weet niet wie de jongen is die ons in 1977 verwelkomde. Ik hoop dat het hem goed gaat. Ik hoop dat zijn wimpers en wenkbrauwen weer zijn gegroeid. En ik hoop dat hij nog steeds de gedachte koestert dat Marokkanen altijd versleten schoenen dragen.

Volgende week begeeft Max van Rooy zich in het Holst van Nederland

Discussieer mee in Tegenspraak, www.nrc.nl

Wie heeft Nederlanders ooit op de gedachte gebracht dat zij nuchter zijn?

Als Nederland ergens aan ten onder zal gaan, dan is het aan commentaar

    • Hafid Bouazza