Een aura van ongenaakbaarheid

De eerste blik, de eerste ervaring, de eerste liefde – niets lijkt achteraf zo absoluut, zo overrompelend, zo zuiver en verheven, en tegelijkertijd zo vanzelfsprekend omdat er nog geen vergelijking mogelijk is. Zodra dat wèl het geval is, kan die eerste keer een obsessie worden, iets wat je met alle geweld terug zou willen halen. In Als op de eerste dag, het nieuwe boek van de Vlaamse dichter, schrijver en essayist Stefan Hertmans, hebben alle personages er op de een of andere manier mee te kampen, en niet altijd tot hun genoegen.

Hertmans heeft zijn boek een `roman in verhalen' genoemd. Telkens spelen dezelfde verlangens en obsessies een rol, maar het gaat niet steeds om dezelfde personages en ook is er niet één intrige die, verbrokkeld over verschillende verhalen, wordt uitgewerkt. Wèl houdt Hertmans één chronologie aan, zij het soms voorzien van flashbacks en voorwaartse sprongen in de tijd. In drie delen, elk bestaande uit drie verhalen, beschrijft hij achtereenvolgens de kindertijd, de middelbare schooljaren, en tenslotte de volwassenheid.

Via deze chronologie laat hij zien hoe het perspectief met de jaren verschuift. Wat aanvankelijk alleen een totale ervaring is, kan op den duur een leven verwoesten, zo blijkt, aangezien de zuiverheid of verhevenheid van het begin, bewaard door de herinnering en uitvergroot door de verbeelding, in het latere leven nooit meer op dezelfde manier kan worden teruggevonden. Met alle — funeste — gevolgen vandien.

Zover is het nog niet in het eerste verhaal, `Landschap met vogels', waarin een schilderij van een `neerhof' vol vogels voor de hoofdpersoon, die als kind van jongs af aan met dit door zijn grootvader gemaakte schilderij vertrouwd is geraakt, zoiets als de wereld zelf is gaan vertegenwoordigen. Dat kan omdat hij het eigenlijk nooit aandachtig heeft bekeken. Het schilderij is voor hem geen `kunst', zelfs nauwelijks een voorwerp; het hoort eenvoudigweg bij hem en `groeit' met hem mee, alsof er tussen voorstelling en werkelijkheid geen enkel verschil bestaat.

Pas wanneer de hoofdpersoon, vele jaren later, in een Oostenrijks museum ontdekt dat het schilderij een kopie is van een werk van Melchior de Hondecoeter, raakt de betovering verbroken, zonder dat de betekenis die het schilderij voor hem heeft verdwijnt. Die betekenis wordt hij zich nu pas goed bewust. Voordien bezat het schilderij een vage `dreiging die hem geruststelde'; wanneer hij de kopie vergelijkt met het origineel, krijgt hij oog voor de `apocalyps' die uit het `vermeende paradijs' van de neerhof te voorschijn springt. Het klinkt raadselachtig, want wat heeft de apocalyps met het paradijs te maken?

Een sleutel is misschien te vinden in het lange essay Het bedenkelijke dat Hertmans in 1999 publiceerde. Daarin schrijft hij onder meer over de `herhaling' in relatie tot het `verlangen naar de absolute ervaring van de eerste keer'. Ook in zijn essayistisch proza schuwt Hertmans de raadselen niet, maar als ik hem goed begrijp komt het erop neer dat in het verlangen naar de eerste keer en de doelbewuste herhaling waartoe dat verlangen inspireert een fatale dialectiek aan het werk is, waardoor elke herhaling van de eerste keer ook het verlies ervan zichtbaar maakt. Hoe hevig het verlangen ook mag zijn, die eerste keer krijgen we nooit terug. Voor Hertmans is de herhaling daarom tevens een afleren van de absolute ervaring, een `levenslange oefening in het afscheid nemen', zoals hij in Het bedenkelijke schrijft. In haar onherhaalbaarheid drukt de ervaring van de eerste keer ons achteraf met de neus op onze eindigheid.

In het eerste verhaal resulteert dat in milde berusting. De hoofdpersoon, een schrijver en denker, realiseert zich dat zijn denkende en schrijvende leven tot nu toe vooral heeft bestaan uit `de noodzakelijke arbeid van het ontcijferen van dit ene schilderij, dit landschap waarin de vormen ervaringen waren geworden — terwijl hij zich domweg steeds had ingespannen om van zijn ervaringen vormen te maken'.

In de meeste andere verhalen van Als op de eerste dag verdwijnt de berusting, om plaats te maken voor roes, wanhoop en vervreemding, vaak in combinatie met passief of actief geweld. Een jongen wurgt bijna het meisje op wie hij verliefd is, een ander meisje werpt zich voor de tram nadat haar vriendje (die stiekem verliefd is op een ander) het heeft uitgemaakt, een door sadistische pubers gepeste leraar dondert van de trap, een andere leraar raakt met zijn das dodelijk verstrikt in het vliegwiel van een radiator wanneer hij zijn kop onder de motorkap van een auto steekt, een man duwt zijn geliefde over de reling van een hotelbalkon, een andere man vermoordt een vrouw op wie hij eerst zijn pornografische fantasie heeft losgelaten.

Waarschijnlijk spelen beiden laatste moorden zich alleen af in de fantasie van de personages. Hun hang naar het absolute is ontaard in machteloze perversie. Bij de middelbare scholieren dient het geweld zich nog aan als iets van buitenaf, als een noodlottige samenloop van omstandigheden, die zij met hun pesterijen en met hun fixatie op een onmogelijke eerste liefde hoogstens hebben uitgelokt. Bij de volwassenen daarentegen is het volledig geïnternaliseerd, als de duistere keerzijde van hun niet te bevredigen verlangen.

In deze verhalen is dat minder een psychologisch dan een existentieel tekort, waaraan voor de personages geen ontsnapping mogelijk lijkt. Leven en verlies komen bij Hertmans op hetzelfde neer, juist omdat het zo moeilijk is om dat verlies te aanvaarden. Wat verloren is gegaan blijft de verbeelding als illusie bestoken en onderstreept zo het verlies.

In een van de verhalen wordt het ook wat minder spectaculair verwoord, wanneer een van de hoofdpersonen jaren later zijn eerste jeugdliefde, inmiddels veranderd in een sloverige moeder, terugziet en hij nog altijd in staat is in haar gezicht het beminde meisje van weleer te herkennen: `Als in een flits begrijp je iets wat bijna niet is te overzien, een wonderbaarlijk, onverwoestbaar beeld van een andere mens die er misschien nooit is geweest en die juist daarom zo onverwoestbaar is, en die over een verschrikkelijke, eeuwige jeugd beschikt, waardoor je zelf in een oogwenk voelbaar ouder wordt'.

Wie nu denkt dat Hertmans' `roman in verhalen' niet meer is dan een illustratie van een tragische levensles, heeft het mis. Die levensles valt er — met enige moeite weliswaar — uit te distilleren, maar de attractie van dit proza zit eerder in de raadselachtige concreetheid waarmee Hertmans zijn verhalen vertelt. Of hij nu schrijft over jeugdherinneringen, over de meedogenloosheid waarmee leerlingen hun incapabele leraren kunnen bejegenen of over een huwelijk dat langzaam tot ontbinding overgaat, steeds slaagt hij erin de beschreven gebeurtenissen zelf een aura van ongenaakbaarheid te geven, waardoor de levensles die erin schuilgaat verandert in een even ondoorgrondelijk als elementair gegeven.

Dankzij zijn beeldende, lyrische vertelkunst weet Hertmans met literaire middelen te bereiken wat in de verhalen zelf als een onmogelijkheid wordt voorgesteld: een ervaring van iets dat je eigenlijk al lang weet, maar dat je raakt alsof het voor het eerst is, en dat pas daarna dwingt tot de reflectie die nodig is om te achterhalen wat je precies gelezen hebt.

Stefan Hertmans: Als op de eerste dag. Meulenhoff, 190 blz. ƒ36,50

[Kop pagina: Nederlandse literatuur]

    • Arnold Heumakers