De hel behoeft geen commentaar

NEW YORK De boodschap op het antwoordapparaat luidde: ,,Jullie kunnen allemaal naar de hel lopen. Jullie allemaal. Voor wat jullie mij hebben aangedaan. Dat jullie mogen branden in de hel.''

Dat hoor je niet iedere dag op een antwoordapparaat. Wel een tikkeltje angstaanjagend. Als het gespeeld was, dan verdomd goed gespeeld.

Ik sprak in: ,,Elayne, ik ben het. Hoe was het bij de dokter?''

Haar eigen bericht negeerde ik. De hel behoeft geen commentaar.

Ik wist dat de boodschap op het antwoordapparaat eigenlijk uitsluitend voor mij bestemd was. Ik was de laatste die nog belde.

Ook in mijn columns stop ik gecodeerde berichten voor deze of gene. Berichten die de geadresseerde nooit bereiken of wel bereiken. Dat is toch anders. Een stuk in de krant is geen antwoordapparaat.

Voor mijn reis naar Europa, in februari, zagen we elkaar zo'n drie keer per week. De laatste keer tijdens een carnavalsviering. Ze droeg de hele avond een zwart masker. We trokken veel bekijks.

Aangenaam excentriek vond ik haar. Dat mocht ook wel. Als je bijna tachtig bent en nog niet excentriek heb je iets fout gedaan.

Een keer huilde ze.

Ik vroeg: ,,Waarom huil je?''

,,Omdat je zo mooi bent'', zei ze.

Alle quasi-bescheidenheid kan weg. Grappig, slim, geniaal. Gemeend of niet gemeend, ik hoorde het van tijd tot tijd en vergat het weer.

Nog nooit had iemand om mijn schoonheid gehuild. Het klopte. Ware schoonheid brengt je aan het huilen als het snijden van een ui. Niet voor niets hebben de mensen er veel meer geld voor over om mooi te zijn dan om slim te zijn.

Bestaan is mooi zijn. We zouden alle dagen dat we niet mooi zijn geweest uit onze agenda moeten scheuren.

Terug uit Europa bespeurde ik een verandering. Ze beweerde me een paar keer op straat te hebben zien lopen.

,,Dat moet een dubbelganger zijn geweest'', zei ik, ,,ik was in Zwitserland, ik beklom de bergen.''

Ze was afgevallen. Ze zei: ,,De liefde verhindert mij te eten.''

Dat de liefde vijftienjarigen het brood uit de mond stoot, vind ik prima, maar tachtigjarigen moet de liefde met rust laten. Dan heet het namelijk: moord.

Ik nam afstand, beweerde te bezwijken onder deadlines.

Haar gebit zat niet meer goed. Dat krijg je, als de liefde je het brood uit de mond stoot, gaat het gebit rammelen. Wij aanbidden een wrede godin.

Ik zei: ,,Ik ben geen dokter.''

Midden in de nacht om een uur of vier stond ze twaalf keer op mijn antwoordapparaat om twaalf verschillende recepten door te geven voor gerechten waarin asperges verwerkt worden. Het excentrieke werd overlast.

Moord, prima. Maar ik wil alleen voor beul spelen. Spelen, begrijpt u wel?

Ze zei: ,,Je bent de beste vriend die ik ooit heb gehad.''

Ik, een vriend? De beste, maar vooral de laatste, de enige, de overgeblevene. Een kop koffie in de namiddag, dat ging nog. Zei ik.

Ze had ook een cadeau dat ze me moest geven. Of ik haar kon afhalen. Ze was verzwakt. Verzwakt, weer een eufemisme. De wrede godin verscheurde haar met huid en haar. Het cadeau: de inhoud van haar medicijnkast. Dertig verschillende soorten pijnstillers en nog veel meer.

,,Dat kan ik niet aannemen, Elayne'', zei ik en lachte.

Tussen de medicijnen zat ook een pot ingelegde groene asperges. Die besloot ik te houden. Net als het masker dat ze had gedragen op het carnavalsfeest en een boek uit de jaren vijftig hoe je cocktails moest maken.

Ook werd er weer zachtjes gehuild.

,,Als ik geld had, zou je me dan wel willen?'' vroeg ze.

,,Geld is het probleem niet.''

Ik wachtte op de onbeantwoorde vraag wat het probleem dan wel was. Die vraag kwam niet. Wel een verhaal over een tandarts die haar expres gemarteld had. Zijn praktijk noemde zij een duivelshuis.

,,Tandartsen maken fouten'', zei ik, ,,maar ik geloof niet dat een tandarts jou expres gaat zitten martelen.''

Als ik wil kan ik de redelijkheid zelve zijn.

De eeuwigheid, wat een onsmakelijk concept.

Die avond belde ze: ,,Er lopen mensen in en uit mijn appartement. Kun je een sleutelmaker voor me bellen?''

Ik sputterde tegen.

Ze zei: ,,Ik word hier gemarteld.''

Een marteling is urgenter dan een deadline. Ik wil de gemartelden eigenlijk niet meer zien, ook niet in musea achter vitrines.

De 28ste verdieping. De deur stond open, maar niemand liep in en uit. De balkondeuren stonden ook open.

Elayne zei: ,,Er zit uranium in mijn keel, ik kan niet slikken.'' Overal ravage. Het werd tijd voor het alarmnummer.

,,Wie bel je?'' vroeg ze.

,,Het alarmnummer voor wanhopig verliefden.''

Daar kon ze om lachen. Dat scheelde.

Een vriend is een hulpverlener die geen medicijnen mag voorschrijven. Het alarmnummer bleek een moppentrommel.

,,Ik zit hier bij mevrouw X. Ze heeft uranium in haar keel.''

,,Hoe komt ze aan dat uranium?''

,,Ik vermoed dat het om een hallucinatie gaat.''

Wie hallucineerde hier?

Succes, wat dat ook moge zijn, zorgt ervoor dat andere mensen je van tijd tot tijd op komen zoeken in je hallucinatie. En als andere mensen je op komen zoeken in je hallucinatie, dan is het geen hallucinatie meer. Het is maar een tip.

Na een uur kwamen de hogepriesters van de liefde. Aardige mannen van begin twintig. Behulpzaam, ik kan niet anders zeggen. De politie hadden ze voor de zekerheid meegenomen. Die dachten natuurlijk, uranium in de keel, vast een spion.

In de ambulance was het vooral gezellig.

Elayne: ,,De Amerikaanse luchtmacht is in de hoogste staat van paraatheid gebracht. 's Nachts van 4 tot 5 hoor je de straaljagers overvliegen.''

De hogepriesters bekommerden zich om de bloeddruk.

Het werd het Bellevue Hospital, psychiatrische afdeling. Ik hoefde geen afscheid te nemen. De gemartelde werd discreet afgevoerd. Alleen een paar vragen moest ik nog beantwoorden. Of ze nog familie had wist niemand. Ik verzweeg dat ik de laatste beller was en aangezien ik niet hallucineerde mocht ik zonder begeleiding naar huis.

Die woensdag had ik afgesproken met iemand die ik ruim drie jaar niet had gezien. Ik verheugde me en schreef: ,,Ik ben blij je in mijn hallucinatie te mogen verwelkomen. Het is er schoon, je kunt van de grond eten als je wil. Dus breng niets mee.''

Uiteindelijk besloot ik een suite in het Sherry-Netherland te huren, vooral omdat ze daar een liftboy hebben. Anderen hallucineren ook, maar die hebben dan weer geen liftboy in de aanbieding. Je moet de concurrentie nooit onderschatten.

Het eten verliep genoeglijk. Veel ditjes en datjes. Drie jaar geleden was de liefde ongeconsumeerd gebleven. Het werd tijd. Om elf uur zei ik: ,,Ik zal je wat laten zien.''

De liftboy deed zijn best. ,,Mag ik je helpen met de koffers meneer?''

,,Geen koffers'', zei ik.

Van de suite ging ze zuchten.

Nog meer ditjes en datjes. Om half twee, toen ik voelde dat de tijd begon te dringen deed ik een ochtendjas aan. ,,Ik ben zo mooi'', zei ik, ,,dat sommige mensen ervan gaan huilen.''

Wat is het gezellig in elkaars hallucinatie. Alleen in de mijne moet je niet te lang blijven. Het tocht er nogal.

Iets voor vier brachten wij elkaar uitgeput, maar volledig ongeconsumeerd naar de lift. Zelden hebben mensen elkaar zo ongeconsumeerd gelaten als wij die avond.

Bij de uitgang zei ik: ,,Melancholie is beter dan je lichaam, maar in de toekomst ben ik bereid genoegen te nemen met tweede keus.''

Ik ging terug naar de suite. De slaap wilde niet komen, daarom belde ik Elayne. Nog steeds luidde het bericht dat wij allemaal naar de hel konden lopen. Een krachtige boodschap. Laatste woorden, vooral ook dat.

Toen hoorde ik het. De stad trilde, schudde. Ik opende het raam. Straaljagers vlogen boven New York. Iemand had de luchtmacht in de hoogste staat van paraatheid gebracht.