De Amerikaanse Alleingang is een politieke realiteit

Politici mogen een hekel hebben aan visies op en scenario's voor de toekomst, zij kunnen niet verhinderen dat anderen zich daaraan overgeven. Bush senior sprak destijds wegwerpend van `the vision thing' wanneer hem naar zijn ideeën werd gevraagd over de wereld, of zelfs maar over Amerika, van na de Koude Oorlog. Minister Van Aartsen liet onlangs blijken niet gecharmeerd te zijn van speculaties over een mogelijk eindstation van de Europese integratie. Bush had wel gelijk met zijn terughoudendheid, want de wereld ziet er heel anders uit dan de analisten en commentatoren tien jaar geleden voorspelden. Gerekend werd toen op een neergang van de Verenigde Staten waarvan de economische en militaire macht zich zou oplossen in een multipolaire wereld. De werkelijkheid van nu toont echter een unipolaire wereld waarin een Amerika, dat sterker is dan ooit tevoren, steeds meer zijn eigen weg gaat.

De regering-Clinton geloofde de voorspelling aanvankelijk. Binnenlands klonk het presidentiële parool `It's the economy, stupid', een oproep alles op alles te zetten om de economische stagnatie te overwinnen. Internationaal bekende Washington zich tot het dogma van het multilateralisme: wel de eerste viool spelen, maar in een orkest van bondgenoten en van zoveel mogelijk, desnoods tijdelijke, partners. Oproep en dogma getuigden van werkelijkheidszin. Amerika zat economisch in het slop en voorganger Bush had getoond hoe een rijk gevarieerde alliantie in staat was om onder Amerikaanse leiding de onruststoker Saddam Hussein uit het door hem veroverde Koeweit te verjagen. En aan de kosten bij te dragen, gezien het Amerikaanse financieringstekort van eminent belang.

Maar juist de nederlaag van Saddam had ook iets anders laten zien: de militair-technologische suprematie van de Verenigde Staten. Niet alleen tegenover Irak – dat was voorgesteld als een buitengewoon gevaarlijke tegenstander – maar ook tegenover militair nog altijd significante bondgenoten als Frankrijk en Groot-Brittannië. Bijtende scherts uit die dagen: de Franse haan vliegt in de schaduw van de Amerikaanse adelaar. De Tornado's van de RAF voldeden evenmin aan de hoog gespannen verwachtingen. Iraks luchtmacht, bestaande uit Sovjet-modellen en toestellen van Franse makelij, had al in de eerste uren van de oorlog een goed heenkomen gezocht naar Iran. De Iraakse luchtafweer, ook naar Sovjet-voorbeeld opgezet, bleek althans voor de Amerikanen geen partij.

Toch leidde dit wapenfeit niet tot Amerikaanse overmoed. Integendeel, de Verenigde Staten gedroegen zich eerder timide. In Europa werd geschreven en gesproken over Amerikaans unilateralisme, maar dan doelde men niet op Amerikaanse geldingsdrang, maar juist op Amerikaanse afzijdigheid bij een crisis die Europa op eigen kracht niet meester werd: verzonken als het was in het moeras van voormalig Joegoslavië. Zelfs in Haïti weigerden de VS alleen op te treden. Op de rede van Port-au-Prince maakte de Amerikaanse vloot rechtsomkeert toen op de kades een menigte zich verzamelde om een landing tegen te houden. De VN moesten uiteindelijk de verdediging van de democratie op de eilandstaat voor hun rekening nemen, in wat gewoonlijk Amerika's achtertuin werd genoemd.

Crises in Somalië, Rwanda, Sierra Leone, Oost-Timor, Bosnië, het waren evenzovele voorbeelden van Amerikaanse afstandelijkheid gedurende de jaren negentig. Pas na drie jaar burgeroorlog, tweehonderdduizend doden, een grootscheepse gijzeling van blauwhelmen culminerend in de tragedie van Srebrenica dwong de Amerikaanse diplomaat Holbrooke het akkoord van Dayton af dat weliswaar de driespalt in Bosnië bevroor, maar niet oploste. Nog eens vier jaar later demonstreerden de VS dan eindelijk opnieuw hun militaire overmacht, ditmaal in Kosovo. Had Europa bij de bevrijding van Koeweit nog dankbaar plaatsgenomen op de Amerikaanse bagagedrager, had het zich in Dayton het bos laten insturen, de NAVO-interventie in Kosovo ontpopte zich als een bron van wrevel. Niet meer te ontkennen viel dat de Europese keizers naakt gingen en de niet altijd even gelukkige regie van de onderneming morrend aan Washington hadden moeten overlaten.

De Amerikanen van hun kant toonden zich geïrriteerd door wat zij als verwarring aan Europese kant bestempelden en door de gedemonstreerde onmacht van de Europese strijdkrachten. Europese, vooral Britse, aandrang om het niet bij luchtaanvallen te laten maar ook grondtroepen in te zetten, kwam in Washington als onserieus over. De stootkracht, zoveel was duidelijk, moest immers van Amerika komen – of het nu in de lucht of op de grond was. En de Amerikaanse regering had geen behoefte meer risico's te lopen dan strikt noodzakelijk was. Europa kreeg de vermaning belangrijk meer aan zijn bewapening te doen dan het gewend was.

Opvallend is dat Europa zo lang heeft gewacht met pogingen het vacuüm op te vullen dat met het einde van de Koude Oorlog ontstond. Amerika's gebrek aan geloof in zichzelf, zeker gedurende de eerste regeringstermijn van Clinton, bood kansen genoeg. En bij het begin van de Joegoslavische crisis zag het er ook even naar uit dat Europa zijn slag wilde slaan. De Amerikaanse minister Baker verklaarde: ,,We have no dog in this fight''. Een Europese bewindsman juichte dat nu het uur van Europa had geslagen. Maar de harde werkelijkheid leerde anders. Onderlinge verdeeldheid en gebrek aan wilskracht deden het Europese Balkanbeleid eindigen in een fiasco.

De nieuwe Amerikaanse regering heeft enkele piketpaaltjes in de grond geslagen die haar strategie markeren. Unipolariteit staat voorop. Het opmerkelijkste bewijs daarvan is het voornemen het Amerikaanse grondgebied te beveiligen met een raketverdediging. Anders dan in de jaren tachtig het geval was met Reagans Star Wars, stuit dit plan in Amerika zelf nauwelijks op verzet. Wel is er een begin van bereidheid om met Europese wensen rekening te houden, maar dan moet Europa in staat zijn om die wensen gemeenschappelijk te formuleren. Het Amerikaanse afscheid van het Kyoto-protocol over de invloed van menselijk handelen op het klimaat, is een ander signaal van de Amerikaanse Alleingang, zoals ook de Amerikaanse boycot van internationale geboorteregeling met ruimte voor abortus provocatus dat is. Europa zal er goed aan doen zich, in afwachting van eigen visies en scenario's, alvast op die werkelijkheid in te stellen.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.