Actieve euthanasie doodt zowel gezonden als zieken

De Nederlandse euthanasiewet spreekt ook in Duitsland veel mensen aan. Zij willen snel, pijnloos en liefst thuis sterven. Wettelijke toestemming voor actieve euthanasie kan een bevrijding lijken, ze neemt ook het verschil weg tussen laten sterven en doden, meent Heribert Prantl.

De wens om maar snel en zonder lijden te mogen sterven is van alle tijden. De ars moriendi, de kunst van het sterven, was een van de grote thema's van de Middeleeuwen. De dood was toen alomtegenwoordig, hij beheerste het leven. Maar de toentertijd geliefde `sterfboeken', die gingen over de goede en de kwade dood, waren geen handleidingen ter verlichting van lichamelijk lijden, geen middeleeuwse huisapotheek met pijnmiddeltjes van Hildegard von Bingen; het waren dus geen voorlopers van de folders van de Vereniging voor menswaardig sterven. De sterfboeken beschreven de religieuze rituelen van de voorbereiding op de dood. Men kon erin lezen welk ceremonieel, welke gebruiken vereist waren om goed voorbereid het hiernamaals binnen te gaan en aan de eeuwige verdoemenis te ontkomen. De toenmalige mens vreesde niet zozeer het sterven, als wel de hellefolteringen die de kerk hem voorspiegelde – vergeleken waarbij het stervenslijden in het niet viel. Goed sterven wilde zeggen: goed toegerust de wereld verlaten, voorzien van het heilig oliesel en met vergiffenis van de zonden.

Vagevuur en hel, de stadia van de verdoemenis, hebben voor de verlichte mens hun afschrikwekkend karakter verloren, zij zijn van hun mythische kracht ontdaan. De hel is thans voor velen elders te vinden, niet in het hiernamaals, maar hier op aarde – in de moderne ziekenhuizen, waar apparaten het leven pijnlijk verlengen. Mét het voortschrijden van de medische wetenschap is ook de angst voor een ondraaglijke verlenging van het leven toegenomen. De angst voor een door computers mogelijk gemaakt vegeteren, waarbij de zegeningen van de moderne geneeskunde de plaats van de zegeningen van de kerk innemen, is de opvolger van de middeleeuwse angst voor vagevuur en hel. Een zware dood, dat is nu: verlenging van het sterven door inzet van alle middelen waarover de hoogontwikkelde medische wetenschap beschikt. Daartegenover stellen vele potentiële patiënten de eis van zelfbeschikking over het moment van de dood. Zij willen sterven, niet creperen.

In de `sterfboeken' van tegenwoordig staat hoe dat gaat en wat daartoe moet worden gedaan. Sinds dinsdag 10 april 2001 is daarin een groot nieuw hoofdstuk geschreven: het Nederlandse parlement heeft een wet aangenomen die actieve hulp bij het sterven, die daar euthanasie heet, toelaat. Volgens enquêtes spreekt deze wet ook in Duitsland de meerderheid van de mensen aan. Zij willen snel, pijnloos en liefst thuis sterven. De realiteit van het sterven ziet er intussen heel anders uit: in heel wat grote steden sterft zo'n negentig procent van de mensen niet thuis, maar in openbare instellingen. De roep om toelating van `actieve euthanasie' verenigt daarom de mensen die terecht verlangen naar een waardige dood. Het gaat velen echter vooral om het beperken en staken van buitensporig medisch handelen, om verlichting van het lijden door middel van opiaten in hoge dosering, dus om een effectieve pijntherapie. Daarvoor heeft de Duitse wetgever al zinnige regels opgesteld. Met actieve euthanasie volgens het Nederlandse model hebben die niets te maken. De daar aangenomen wet verkleint het verschil tussen het staken van verdere medische behandeling en het bewust doden van de patiënt.

Het is zelfs zo dat vele ziekenhuisartsen in Duitsland op het moment uit vrees voor strafrechtelijke gevolgen geen levensverkortende pijnstillers durven te verstrekken. Wettelijke toestemming voor actieve euthanasie kan een bevrijding lijken die alle twijfels uit de weg ruimt, doordat ze het grijze gebied tussen toelaatbare passieve, en strafbare actieve euthanasie wegneemt. Daarmee neemt ze echter ook het verschil weg tussen laten sterven en doden.

Het uitschakelen van de apparatuur laat de patiënt sterven. Actieve euthanasie, een dodelijke injectie bijvoorbeeld, doodt; en wel – en daarin steekt het verschil – zowel gezonden als zieken. De Nederlandse euthanasiewet beoogt regels te bieden voor een abstracte verscheidenheid van sterfgevallen, die zich niet in regels laat vangen. Hij negeert met algemene bepalingen de afzonderlijke gevallen, en ontneemt daardoor het sterven zijn waardigheid.

Ook kan deze wet misbruik niet voorkomen. Hij kan niet beletten dat euthanasie wordt gedicteerd door economische overwegingen. Hij kan niet verhinderen dat de zorg om een waardig sterven verandert in het uit de weg ruimen van leven waarvan men meent dat het niet of niet meer levenswaardig is. Hoezeer deze bezorgdheid gerechtvaardigd is, blijkt uit een onlangs verschenen proefschrift over de vraag of de Nederlandse euthanasiewet ,,een model voor de Bondsrepubliek Duitsland is''. De juriste Birgit Reuter komt na bestudering van de jarenlange Nederlandse praktijk – die nu bij de wet is vastgelegd – tot de conclusie dat artsen vaak met sterfhulp hebben gereageerd op roepen om levenshulp. Als dat waar is, zou de vrees al zijn bewaarheid dat bij toelating van actieve euthanasie de medische wetenschap uitmaakt wanneer de levenslast ondraaglijk geworden is.

Dat zou betekenen: de middeleeuwse sterfboeken boden de mens tenminste troost, die van de moderne tijd geen enkele.

Heribert Prantl is redacteur van de Süddeutsche Zeitung. Dit artikel verscheen gisteren in deze krant.

©Süddeutsche Zeitung