Veilig, schoon, maar ook niet té behaaglijk

Op het station wordt gewacht en gerend, maar NS wil meer: wonen, werken en recreëren rond het spoor. En: een `tegenspits'.

DE TEKST OP HET BLAUWE bordje met huisregels dat op elk van de 326 NS-stations in Nederland hangt, is meer een wens van NS dan een gebod aan reizigers: `NS wil dat stations prettige, veilige en schone plaatsen zijn waar mensen graag komen.'

Maar dat is niet het enige wat de Spoorwegen met hun stations willen. Winstgevendheid is, naast veiligheid en reinheid, ook een van de wensen die NS heeft betreffende de stations.

Vraag een gemiddelde reiziger naar het doel van stationslocaties, en hij zal antwoorden dat het station bij uitstek een plek is waar naartoe en vandaan gereisd kan worden. NS ziet dit anders. Stations bieden inderdaad op- en uitstapmogelijkheden voor diverse vormen van vervoer, maar daarnaast moeten stationsomgevingen volgens de Spoorwegen ruimte bieden voor plezierig wonen, werken en winkelen.

En daar komt NS Vastgoed om de hoek kijken. Dit bedrijfsonderdeel bezit en beheert namelijk grote delen van de gebouwen in de omgeving van stations. Het spoor zelf is van de staat. NS Vastgoed is druk bezig zijn vijftig hoofdknooppunten te verbeteren, en het pas opgeleverde station van 's-Hertogenbosch is daar een goed voorbeeld van. Na een totale facelift komt `Den Bosch. Station Den Bosch' nu volgens NS het dichtst bij `het ideale station'.

Het lijkt er dan ook aan niets te ontbreken: EHBO, kaartverkoop, kluisjes, politie, toiletten, parkeermogelijkheden voor auto en fiets, een bank, een vergadercentrum, een brasserie, fastfood-restaurants, boeken-, bloemen-, muziek- en vlaaiwinkels en zelfs een Albert Heijn. Maar ook aan het wonen en werken is gedacht: aan de achterzijde (NS noemt het zelf `de tweede voorzijde') zijn appartementen ontwikkeld. Kantoorpanden staan aan beide kanten van het spoor.

Bosschenaar Paul Hendriks, die zijn dochter met de fiets van het station komt halen, vindt de vele functies van het nieuwe station plezierig, maar laakt de afwerking. ,,De hal van het station is erg mooi, maar veel te open. Het waait aan alle kanten door. Volgens mij heeft NS dat expres gedaan, zo waaien alle junks weg van het station.''

Directeur Commercie van NS Vastgoed, Herman van Herwaarden, geeft een verband toe: ,,Alle reizigers die gebruikmaken van het station, hebben een jas aan. Het moet er niet té behaaglijk worden.''

Altijd lastig voor stationontwikkelaars zijn de verschillende verkeersstromen: voetgangers, fietsers, bussen, auto's en soms ook nog trams en de metro. Die stromen moeten uit elkaar worden gehaald, anders wordt het chaos. Voor NS Vastgoed bestaat tussen die stromen een duidelijke hiërarchie. Het belangrijkst zijn voetgangers, daarna volgen achtereenvolgens fietsers, reizigers die gebruikmaken van bus, tram of metro en taxi's. Helemaal onderaan dit lijstje staan automobilisten. Van Herwaarden van NS Vastgoed: ,,De automobilist is in mindere mate welkom op het station.''

NS probeert met de inrichting van de stations de verkeersstromen te beïnvloeden. Met recreatieve voorzieningen als de Jaarbeurs in Utrecht wil NS de treinen ook in de daluren vol krijgen. Ook moet de `tegenspits' worden bevorderd door rond stations gebouwen (in het bezit van NS Vastgoed) te ontwikkelen die andere vervoersstromen met zich meebrengen. De tegenspits is al het vervoer dat in de spits van de knooppunten af rijdt. Bijvoorbeeld: op een doordeweekse ochtend de route van Den Bosch naar Vught, terwijl forensen collectief in de richting van de grote stad reizen. NS Vastgoed kan een drukkere tegenspits realiseren door te investeren in bepaalde gebouwen, zodat het aantrekkelijk wordt kantoren op minder voor de hand liggende locaties te vestigen.

Want kantoren, hoewel ze uitstekend binnen het nieuwe beleid passen, zijn de achilleshiel van NS Vastgoed. De Spoorwegen waren voor de verzelfstandiging een vervoersbedrijf, maar hebben het accent verlegd in de richting van een `ontwikkelaar van knooppunten, met vervoer daartussen'. Specialist op het gebied van stationslocaties bij de TU Delft, Gert-Joost Peek, vindt dat de nadruk bij de stationsontwikkeling tot nog toe wel heel erg op kantoren ligt. Toch ziet Peek het als onvermijdelijk: de vraag vanuit de markt naar kantoren is groter dan die naar woningen.

En een grotere vraag betekent in dit geval hogere inkomsten. Volgens Peek leiden traditionele `negen tot vijf'-kantoren vlakbij stations voornamelijk tot meer reizigers in de spits. Maar een belangrijker bezwaar is de beperkte bijdrage die een kantorenpark in de buurt van een station aan de sociale veiligheid biedt. En als NS zijn wens van de blauwe bordjes, dat de stations `prettige en veilige plaatsen' moeten zijn, waar wil blijven maken, kan juist dat wel eens een probleem worden.

    • Freek Staps