Trou Moet Blycken

De keuken, het slagveld, het crematorium, het abattoir – oorden van reorganisatie en gedaanteverwisseling. Lichamen worden daar lijken en lijken gehakt. Niets blijft zoals het was. De rollade raakt bedolven onder een saus en de dooie soldaat onder een eretak. Eeuwige herrangschikking.

De keukenprinses hoort thuis in het rijtje beulen, houwdegens, slagers, chirurgen. Ze omringt zich met een liefst zo professioneel mogelijke collectie operatie- en martelapparatuur. Ze kan snijden, fileren, braden, wat niet al.

Over de wreedheid van de huisvrouw gaat dit gedicht. Als alle gedichten van Ina Rousseau is het zeer precies en economisch gestructureerd, en die economie versterkt het hardvochtige karakter van de gebeurtenissen. De dichteres laat ons meekijken met een klinisch oog.

Er zit een klimmende lijn in de objecten die ten prooi vallen aan de onverschillige huisvrouw. Eerst zijn er de damascusrozen die zij met haar schaar te lijf gaat en naar de spoelkeuken sleept om ze daar, getreiterd en gekneusd, in een aardewerken beker te schikken. In de tweede (hier niet geciteerde) strofe neemt ze het op tegen een hele bloemkool. Het weefsel dissecterend verdeelt ze de stronk in dwergboompjes, gedachteloos –

voor sy die lewe in hulle blus

met water van honderd grade Celsius

de damascusrozen hadden teminste nog het geluk te worden gerekend tot de oneetbaren. Maar de suggestie van vlees was er al. Vaatbundels, het vloeien van het sap dat bloed heet.

Strofe drie en vier: vis en vlees.

Het gaat er onmiddellijk nog ongevoeliger aan toe. We horen het aan de klanken waarmee de vis belandt op de droogplank. Kap, kapmes, kop af, krap. Hier is de ware huisvrouw aan het werk, die de edele delen weet te scheiden van de afval. Ze heeft tenslotte een gezin in leven te houden. Een verwijtend vissenoog kan haar niet vermurwen.

Pas bij het hart van het lammetje wordt ze de volmaakte chirurg. Slagaderlijk bloed kleeft nog licht en dun, als rooie inkt, tegen de weerloze en onteerde tussenwanden waar haar lemmet op stoot. Een laatste haal door de verweesde hartklep

Even moest ik denken aan het gedicht Kooklust van Marjoleine de Vos, een gedicht uit een bundel van dertig jaar later

Met gretige borsten staat begeerte aan het aanrecht

zoent het zaad uit tomaten, kijkt naar het zwellen

van beslag onder vochtig doek. Haar hand liefkoost

de haas van een jonge stier, zijn zoekende tong

is gemaakt voor de hare, verzaligd streelt ze

zijn ballen de pan in. Hartstocht

is een keukenprinses met aanraakbare huid,

donzig als deeg, geurig als boter, een weerloze

van bot bevrijde eend die naakt wil zijn

als een olijf in olie, een perzik op sap.

Ze wil zich ontleden op het hakblok, betast worden

door gulzige vingers en gloeiend verslonden.

Een vis zijn, zwemmend in roomsaus

gewiegd, gekend, begeerd, genoten.

– maar terwijl de moord op het willoze in dit gedicht leidt tot identificatie, tot een geilheid die de beul deelt met het slachtoffer, blijkt er in de haast laconieke slotregels van Ina Rousseau sprake van een heel andere wisselwerking. Wat de huisvrouw daar braadt en fijnsnijdt komt in haar buik juist weer tot leven.

De rijmwoorden lopen in deze laatste regels door, in het `sel met sel' echoot het voorgaande na – de schepping is cyclisch verbonden met de vernietiging.

Dat mag een oud verhaal zijn, in het Afrikaanse gedicht werkt het misschien nog schokkender dan het beeld van de in roomsaus gebakken Nederlandse dichteres.

Sommigen zullen Ina Rousseaus slotregels misschien als hoopvol ervaren. Alles begint opnieuw. Alles herstelt zich. Maar verpletterender kan de zinloosheid van het leven toch niet worden uitgedrukt. Alles is cyclisch, dus ook het kind zal straks worden blootgesteld aan spijkers, kokend water, kapmes, lemmet. Het nieuwe leven is nu nog `onsigbaar vir almal', maar wij hebben met gloeiende ogen de toekomst al gezien in het verleden. De mens stoot zich steeds opnieuw zélf uit het paradijs.

    • Gerrit Komrij