Rechter bij beursfraude strikt binnen de wet

Met de vrijspraak van drie Clickfondsverdachten wees de Amsterdamse rechtbank gisteren een richtinggevend vonnis voor de komende processen.

Hoe lang zal de rechtbank die speciaal is samengesteld voor de afhandeling van de beursfraudezaken, hebben vergaderd over het gisteren uitgesproken vonnis? Het antwoord op die vraag blijft het geheim van de raadkamer, maar het oordeel moet na veel afwegingen tot stand zijn gekomen. Afgezet tegen eerdere vonnissen in het Clickfonds lijkt er in de uitspraak tegen drie ex-medewerkers van Strating Effecten sprake van minder interpretatie en een strakkere juridische lijn.

Eind vorig jaar was dat anders. Toen verraste de Clickfondskamer met een soms ruime uitleg van de wet. Twee voormalige effectenhandelaren werden veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping, ondanks het feit dat niet vast was komen te staan waarvoor ze precies waren omgekocht.

Een ex-medewerker van een pensioenfonds ontving een veroordeling omdat hij gehandeld had volgens de ,,niet noodzakelijkerwijze optimaal te verkrijgen prijs'', een nieuw begrip in het financieel strafrecht. En een ex-directeur van Bank Bangert Pontier kreeg voor de voeten geworpen dat hij transacties had moeten melden ,,vanwege de aanmerkelijke kans'' dat het ging om fiscaal zwart geld.

Maar gisteren was er van interpretaties weinig te merken. Er volgde een gedegen gemotiveerd oordeel waarin strikt volgens de wet werd geredeneerd. Dat was nou juist niet de inzet van het OM, dat in deze zaak onderscheid maakte tussen de ,,juridische werkelijkheid'' en de ,,feitelijke situatie''. Voor Justitie was die feitelijke situatie het bestaan van een constructie die tot doel had de belasting te ontduiken, via het systeem van coderekeningen. Daarbij ging het om de zogenaamde `tripartiete overeenkomst': een contract dat Strating Effecten had gesloten met een bank (KasAssociatie) en een Zwitserse rechtspersoon.

Die bezat op haar beurt weer een aantal subrekeningen onder codenaam. Stortingen en transacties bleven zo buiten het zicht van de fiscus. Er was alleen één probleem: het OM had bewijs in Zwitserland vergaard. Dat mag, volgens de rechtshulpvoorwaarden, niet in een Nederlandse fiscale zaak gebruikt. Dus zocht het OM een `kapstokartikel' voor strafbaarstelling en zei zij dat gebruik van een codenaam valsheid in geschrifte oplevert.

De rechtbank werd vervolgens tijdens het proces door raadslieden V. Koppe en B. Fibbe uitgedaagd om juist bij haar primaire taak te blijven: het vaststellen van de juridische werkelijkheid. De advocaten hielden een pleidooi waarin ze het hele palet aan regelgeving rond coderekeningen en het begrip valsheid de revue lieten passeren. Gisteren bleek de rechtbank in grote lijnen hun redenering te volgen: zolang de constructie juridisch waterdicht is, kan van valsheid geen sprake zijn. Frustrerend voor het OM. Immers: vast staat dat de belasting inderdaad werd ontdoken. Maar het strafrecht bleek in dit geval een tandeloos middel.

Uit regelgeving van toezichthouders STE en DNB valt al af te leiden dat het systeem van coderekeningen juridisch niet strafbaar is te stellen. Waarom die toezichthouders het OM eerder niet nadrukkelijker op dit punt hebben gewezen, blijft een boeiende vraag. Zo zijn er meer aspecten. Door de vrijspraak kon de rechtbank verdere vragen over de manier waarop het OM in Zwitserland rechtshulp had gevraagd, onbesproken laten. Die zaak zal nu weer opduiken in het proces tegen het effectenhuis Leemhuis en Van Loon.

De kwestie rond de constructie met coderekeningen speelt met name in de verdenkingen tegen hoofdverdachten Adri S. en D. de Groot een cruciale rol. Zij zullen, na dit vonnis, de afgelopen nacht dan ook ongetwijfeld goed hebben geslapen.

    • Joost Oranje