Nederland werkt en forenst erop los

Nederlanders werken hard en forensen het meest van alle Europeanen. Nederland is na Zweden zelfs koploper qua werkdruk. Maar in tien jaar tijd zijn de arbeidsomstandigheden hier niet verbeterd. Evenmin als elders in de EU.

Nederlanders blijven liever bij tante Truus wonen dan dat ze gaan verhuizen voor een baan. Voormalig minister van Financiën Onno Ruding had gelijk toen hij met die uitspraak in 1984 de kat in de gordijnen joeg. Alleen was dat toen niet de oorzaak van de werkloosheid, zoals hij wilde beweren. Die is inmiddels goeddeels opgelost, maar tante Truus hebben we er niet voor verlaten.

Nederlanders maken van alle ingezeten van de Europese Unie (EU) de meeste reisuren om naar hun werk te komen: gemiddeld ruim drie kwartier. Het gemiddelde in de EU ligt op 37 minuten. Daar staat dan weer tegenover dat Nederland bovengemiddeld scoort als het gaat om telewerken: 7 procent van de werknemers doet dat minstens een kwart van de werktijd. Het Europese gemiddelde ligt op 5 procent. Dat blijkt uit een overzicht over de arbeidsomstandigheden in de de Europese Unie, over het jaar 2000 en over de afgelopen tien jaar, dat de Europese Stichting tot verbetering van de werk- en levensomstandigheden onlangs in Dublin presenteerde. Voor het onderzoek werden in totaal 21.500 interviews afgenomen onder werknemers en zelfstandigen in de vijftien lidstaten van de EU.

De arbeidsomstandigheden in de EU zijn de afgelopen tien jaar niet verbeterd,

concludeert de Europese stichting. Van werknemers wordt meer flexibiliteit verwacht en het werk is intensiever geworden. Nederland is na Zweden koploper als het gaat om werkdruk. 32 procent van de werknemers heeft (vrijwel) permanent een hoog werktempo, 42 procent heeft dat minstens driekwart van de werktijd. Het werken onder hoge druk, zo blijkt uit het Europese onderzoek, leidt tot een verdubbeling van klachten als rugpijn, stress, nek- en schouderpijn en ander letsel.

Nederlandse werknemers maken bovendien veel overuren, concludeert de FNV-vakcentrale in haar onderzoeksrapport `Overwerktijd'. Bijna de helft van de werknemers werkt 8 tot 9 procent van de overeengekomen tijd extra. De overuren worden niet altijd uitbetaald: een kwart van de overwerkers krijgt niets of maar een gedeeltelijke vergoeding voor het extra werk. De rest heeft veelal een stuwmeer aan verlof opgespaard.

,,Je zou zeggen dat de CAO weinig sturing geeft, als mensen toch moeten doorwerken'', zegt socioloog Steven Dhondt van TNO Arbeid, die in de begeleidingscommissie van het Dublinse onderzoek zat. ,,Bovendien is de arbeidsproductiviteit per uur hoog in Nederland, er wordt heel effectief gewerkt. Dat maakt de werkdruk hier hoger dan elders in Europa.'' Dat komt, zegt Dhondt, zelf een Belg, doordat Nederland een ,,dienstenland'' is. Nederland behoort al enkele jaren tot de koplopers op het gebied van computergebruik. Je zou verwachten dat computers de arbeidsproductiviteit al zoveel verhogen, dat werknemers juist korter zouden kunnen werken.

Maar volgens Dhondt is uit onderzoek gebleken dat bedrijven die investeren in technologie, een hogere werkdruk en productiviteit kennen. ,,Werknemers met een computer werken veel intensiever. Ze hebben complexere taken dan anderen en er wordt vaak van ze verwacht dat ze langer doorwerken.'' Ondanks de hoge werkdruk rapporteert maar een kwart van de Nederlanders aan stress te lijden, minder dan het EU-gemiddelde van 28 procent.

Dat de Europese arbeidsomstandigheden in tien jaar tijd weinig zijn verbeterd, wijt Dhondt onder meer aan de economische groei. ,,Daardoor lieten bedrijven hun normen ten aanzien van arbeidsomstandigheden vaak varen. En de controlemechanismen binnen een bedrijf, zoals in Nederland de arbodiensten, werken niet. Werkgevers bewijzen alleen lippendienst aan preventie. Er zijn niet minder ongevallen, de fysieke belasting is gelijk gebleven en er zijn nieuwe risico's ontstaan, zoals RSI. Werknemers voelen zich daartegen slecht beschermd.''

Als je de werkdruk wilt beheersen, moet je werknemers zelf laten bepalen hoeveel ze mogen doen, vindt Dhondt. ,,Niet op individueel niveau, dat zou niet goed zijn. Via hun vertegenwoordigers, zoals de vakbonden. Neem de NS ze hadden het personeel gelijk moeten geven.'' Overigens staat Nederland in de EU op een gedeelde tweede plaats als het gaat om autonomie in het werk. Bijna tachtig procent van de werknemers kan de volgorde van de taken deels

zelf bepalen, tegen gemiddeld 64 procent van de werknemers in de EU.

Dhondt verwacht niet dat de arbeidsomstandigheden in Nederland de komende jaren veel zullen verbeteren. ,,Tenzij de economie instort of de werkgevers heel serieus aan de arbeidsomstandigheden gaan werken. Maar ik zie niet dat ze aanstalten maken.''

Dit is het tweede deel van een serie over werk in Europa. Deel 1 verscheen zaterdag 10 april.

    • Mariël Croon