Hoog radioactief afval kan best definitief onder de grond

Definitieve ondergrondse opslag van hoog radioactief afval is technisch mogelijk en veilig. Het in 1993 afgekondigde overheidsdogma dat die opslag `terugneembaar' moet zijn, dient geen redelijk doel en frustreert de veiligheidsplannen, meent Arnout Jaspers.

Voor wie de politiek verwijt dat ze nooit verder kijkt dan de volgende verkiezing, moet het eind februari verschenen rapport van de Commissie Opberging Radioactief Afval (CORA) adembenemende lectuur vormen. Daarin staat bijvoorbeeld dat de stralingspiek aan de oppervlakte door opslag van hoog-radioactief afval in diepe kleilagen over 200 miljoen jaar zal optreden, en dan 0,0000004 procent bedraagt van de huidige natuurlijke achtergrondstraling. De regering komt binnenkort met een standpunt over de eindberging van hoogactief afval.

Hoog-radioactief afval ontstaat in kerncentrales. De kernsplijting van uranium-235 of plutonium in de splijtstofstaven levert kernsplijtingsafval op, een mix van radioactieve elementen waarvan sommige miljoenen jaren actief blijven. Ook de opwerking (recycling) van gebruikte splijtstofstaven en de ontmanteling van kerncentrales levert hoogactief afval op, dat z'n activiteit echter grotendeels binnen 100 jaar kwijtraakt.

Het totale volume is te overzien: de hele kernenergie in Nederland zal (als geen nieuwe centrales gebouwd worden) 3000 kubieke meter hoogactief afval genereren, een zwembad vol. Momenteel wordt op het COVRA-terrein (Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval) bij Borssele een speciaal gebouw voor al dit Nederlandse hoogactief afval neergezet, de HABOG (Hoogradioactief Afval Behandelings- en Opslag Gebouw). Onvermijdelijk is dat het afval hierin de komende vijftig jaar `afkoelt'. Al jaren staat ter discussie wat daarna moet gebeuren – de eindberging.

Voor de milieubeweging is het een geloofsartikel dat eindberging een onoplosbaar probleem vormt. Zij pleit daarom voor permanente bovengrondse opslag, naar je moet aannemen in een periodiek opgekalefaterd behandelings- en opslaggebouw dat dan mooi als een soort eeuwig Lenin-mausoleum voor de kernenergie kan dienen.

Buiten de milieubeweging bestaat consensus dat ondergrondse eindberging technisch en qua veiligheid haalbaar is. Het afval wordt dan enige honderden meters diep in een stabiele zout- of kleilaag geplaatst. Na afsluiting van de mijn ontstaat een passief-veilige situatie: geo-chemische processen sluiten het afval voor tienduizenden jaren op, en zelfs na die periode zal de natuurlijke achtergrondstraling aan de oppervlakte hoogstens met fracties van een promille oplopen. Zeker op hoofdlijnen is dit geen hypothese of wishful thinking van kernenergie-lobbyisten, maar algemeen aanvaarde wetenschap.

Het CORA-rapport maakt voor de nabije toekomst geen duidelijke keuze tussen de drie onderzochte opties – permanente opslag bovengronds, ondergrondse berging in zoutlagen of in klei – maar beveelt vooral meer onderzoek aan. Nu is meer onderzoek altijd prachtig, ware het niet dat de Nederlandse overheid daaraan een absurde randvoorwaarde heeft gesteld, namelijk dat de eindberging terugneembaar moet zijn. Het afval moet dus `eeuwig' (in de praktijk meerdere eeuwen) toegankelijk blijven voor inspectie en uit de berging kunnen worden weggehaald. Terugneembaarheid is inherent aan bovengrondse opslag, maar voor berging in de diepe ondergrond zorgt dat principe voor complicaties. In de samenvatting van het CORA-rapport luidt het: ,,Terugneembaarheid (...) vereist meer onderhoud en kan ook meer risico's opleveren. (...) (Er) moeten speciale technische voorzieningen worden getroffen, die een berging meer gecompliceerd en duurder kunnen maken. Terugneembaarheid kan in dit verband gezien worden als een uitstel van een passief-veilige eindsituatie.''

De eis van `eeuwige' terugneembaarheid is ontsproten aan de politieke paniek na Tsjernobyl, toen het Nederlandse onderzoek naar echte ondergrondse eindberging werd stopgezet. De terugneem-optie, zo dacht men, zou de maatschappelijke onrust over het `onoplosbare' afvalprobleem kunnen indammen, doordat ingrijpen in de eindberging mogelijk blijft.

Internationaal worden terugneembare varianten weliswaar niet op voorhand uitgesloten, maar Nederland heeft zich weer eens in een gidslandpositie gemanoeuvreerd door daar een dogma van te maken. Dat neemt niet weg dat elk praktisch onderzoek op dit gebied in Nederland sinds 1993 verboden is en blijft, zodat de CORA voor gegevens afhankelijk is van de buurlanden.

Behalve als maatschappelijk doekje voor het bloeden, wordt voor `terugneembaarheid' nog een argument aangevoerd: met toekomstige technieken kan het hoogactief afval mogelijk in minder gevaarlijk afval worden omgezet, of wellicht kan er ooit een waardevolle grondstof uit gewonnen worden. Deze `transmutatie' – waarbij het afval door bestraling wordt omgezet in stoffen met een kortere levensduur – wordt momenteel ontwikkeld, onder meer bij ECN in Petten. Best mogelijk dat transmutatie een oplossing vormt voor een klein deel van het hoogactieve afval, maar zeker niet voor de bulk van wat in de HABOG komt te liggen. Bovendien zullen dergelijke technieken over vijftig jaar ruimschoots uitontwikkeld zijn, waarmee de reden voor terugneembare eindberging na die tijd vervalt.

`Terugneembaarheid' is dus technisch en economisch onzin, een politiek placebo voor de verontruste burgers van nu. De illusie van extra beheersbaarheid gaat echter ten koste van de echte veiligheid. Op een termijn van eeuwen zitten de onvoorspelbare risico's van opslag namelijk niet in geologische processen of de chemie van het afval, maar in de mens zelf. Joegoslavië-scenario's, anarchie en banditisme zijn op zo'n termijn in geen enkel land uit te sluiten, en terugneembare vaten hoogverrijkt uranium en hoogactief afval vormen dan een schrikbeeld. Dat geldt natuurlijk zeker ook voor de door de milieubeweging bepleite eindberging bovengronds.

Het langdurig openhouden frustreert juist de passieve veiligheid die het sterkste punt van ondergrondse eindberging vormt. Het beste wat zo'n `terugneembare' eindberging kan overkomen, is een adequate calamiteit kort na de vulling, zodat de schachten instorten en de berging volloopt met grond en water. Dat scheelt eeuwenlang weggegooid geld voor onderhoud en maakt het afval tenminste voorgoed onbereikbaar. Nog beter zou het zijn, als de Nederlandse overheid weer enige rationaliteit in het kernenergiebeleid toelaat, in plaats van te kiezen voor maatschappelijk correcte schijnoplossingen waarover toekomstige generaties meewarig het hoofd zullen schudden.

A. Jaspers is natuurkundige en wetenschapsjournalist.