Gelukzoekers in Casa Nostra

De man in het tomaatrode jasje met het clubembleem op de borstzak komt eindelijk naar voren. Hij is iets over de zestig en kijkt droevig uit zijn ogen. De hele avond heeft hij zenuwachtig aan zijn tafeltje gezeten, dicht bij de bar. In een mengelmoes van Nederlands en Italiaans brabbelt hij nu iets voor zich uit. Dan zet de pianist in en zingt hij uit volle borst het romantische lied Non ti scordar di me (Vergeet me niet).

De man in het tomaatrode jasje is niet zo ritme- en tekstvast, maar in een mum van tijd voert hij zijn publiek mee naar het Italië van zijn jeugd en neuriet iedereen met hem mee. We zijn ineens niet meer in Haarlem, maar in het Sicilië van de jaren vijftig. Op het station van Palermo staat een trein met emigranten op het punt te vertrekken naar de koude uithoek van Europa die Nederland heet. De emigranten weten dat ze hun dierbaren lange tijd niet zullen zien. En daarom zingen ze samen een afscheidslied.

De man in het tomaatrode jasje is een van de vijftien Italianen die zich vanavond samen met zo'n zestig andere muziekliefhebbers hebben verzameld in het parochiegebouw van de Sint Josephskerk aan het Donkere Begijnhof. Vroeger zetelde hier de r.k. jongerengroep Haarlem (`...want geloven doe je samen'), maar sinds 18 september 1961 herbergt het gebouw het Centro Italiano Casa Nostra. De Italiaanse barman, een levenslustige zestiger, kan het zich nog als de dag van gisteren herinneren. ,,We kwamen hier met een arbeidscontract'', zegt hij trots over zijn komst naar Nederland. ,,En we zijn hier gebleven, ook omdat de meeste van ons getrouwd zijn met Hollandse vrouwen.''

Op woensdagmiddag, vrijdagavond, zaterdag- en zondagmiddag kun je in Casa Nostra terecht voor een kop koffie, wat gezelligheid of een Italiaanse les. Maar al zeven jaar lang is het er eens in de twee weken feest, want dan wordt er gezongen. De Italianen zijn in Casa Nostra tegenwoordig in de minderheid, al zou je dat niet zeggen, omdat zij een groot deel van het avondvullende programma voor hun rekening nemen.

Vanaf half acht vult de zaal zich met publiek. Het zijn vooral oudere echtparen met een hoog grijsgehalte, hoewel ook hooggeblondeerde vrouwen van onbestemde jaargang ruimschoots vertegenwoordigd zijn. Allen betalen bij de ingang vijf gulden entreegeld aan penning- en ceremoniemeester Antonio Palumbo. Hij weet te vertellen dat de ster van de avond, Michèle Stanisci, niet van de partij zal zijn. Hij zit in Italië, omdat zijn moeder plotseling ziek is geworden. Ook een andere koning van het Italiaanse lied, bloemenkoopman Rinus van Essen uit de Amsterdamse Jordaan, laat het vanavond afweten. Het stelt sommigen oprecht teleur. Vooral omdat over Van Essen wordt verteld dat als je een glazen koepel over Amsterdam zet terwijl hij met zijn gouden tenor aan het zingen is, je hem in de hele stad kunt horen. Mijn zegsman weet ook te melden dat als dit natuurtalent in militaire dienst bij het granaatwerpen niet twee benen en een arm had verloren, hij ongetwijfeld was doorgebroken op het internationale operapodium. Nu beperkt hij zijn zangkunst tot de liefhebbers in Casa Nostra.

Om vijf over acht gaat de deur dicht en kan het spektakel beginnen. Antonio Palumbo neemt het woord en meldt dat er vanavond tien zangers zullen optreden. Vervolgens verzorgt hij zelf de aftrap met het lied Soli, soli della notte uit een Napolitaanse musical. Alvorens hij begint, kijkt hij de zaal in alsof zijn leven ervan afhangt, maar daarna barst hij los. Terwijl hij zingt spoelen de barmannen de koffiekopjes af. Als hij even later zijn applaus in ontvangst heeft genomen, gaat hij voorin de zaal achter het tafeltje zitten waarop de kas staat. Vanuit die positie wijst hij de volgende artiesten aan, waarna hij zich op de administratie stort als een ware ingenieur E. van der Pik uit Van Oekel's Discohoek. Het regent nu aria's uit opera's van Verdi, Caldara, Tosti en Puccini. Een verlegen Nederlandse tenor zingt Händels Ombra mai fu en opnieuw neuriet de zaal mee. De op Adèle Bloemendaal lijkende vrouw achter me pinkt een traan weg van ontroering.

Halverwege de avond vertolkt een dubbelganger van Willy Alberti met de mooie naam Salvatore Cantièri de Hymne d'Italia en laat een oudere Amsterdammer het Santa Lucia weerklinken met de mooie dikke `l' van Johnny Jordaan. Voor een paar minuten zijn ze weer kleine jongetjes en keert de levenslust in hen terug. De vrouw van de Amsterdammer krijgt vochtige ogen als ze haar man hoort zingen en wordt weer even verliefd op hem als ze toen ze hem net kende.

En op zo'n moment besef je ineens hoe belangrijk muziek voor het gemoed is en waarom er in Nederland zo'n 600.000 amateurs zijn die in allerlei koortjes en bij tal van zangpedagogen hun stem willen laten klinken om uiting te geven aan iets dat nu eens niets met de beurskoersen of de hypotheekaflossing te maken heeft. Zingen maakt gelukkig, waar het ook gebeurt.

Heinrich Mann heeft dat in zijn memoires Ein Zeitalter wird besichtigt schitterend beschreven. In 1900 zat hij in Italië in de tram, toen een draaiorgel langs de weg iets uit Puccini's La Bohème speelde. Hij was zo ontroerd dat hij van de tram sprong om zo lang mogelijk naar de hartstochtelijke klanken van `welluidendheid, bezieling en doodsverlangen' te kunnen luisteren. ,,Zelfs de mooiste acrobate die op een tapijt haar soepele ledematen gedemonstreerd had, was niet in staat geweest mij zo lang te boeien'', schrijft hij.

De man in het tomaatrode jasje zegt het na afloop van zijn tweede lied (de meezinger Volare) misschien nog wel indringender. Als ik hem complimenteer met zijn optreden, vertelt hij dat zijn vrouw een jaar geleden plotseling is overleden en hij zich na 39 jaar in Nederland eenzaam voelt. Alleen door te zingen kan hij zijn verdriet vergeten. ,,Ze was zo mooi en kon zo goed het huis schoonmaken'', zegt hij met een bevroren blik.

Als even later het Ave Maria van Caccini is gezongen, sluit Antonio Palumbo de avond af. ,,Applaus voor de mensen, zonder wie dit allemaal niet mogelijk was'', zegt hij. ,,Leve de vrijwilligheid!''