Elegante schilderijen uit keizerlijk hof

Zonder het genereuze mecenaat en de verbluffende verzamelwoede van de Habsburgse keizer Rudolf II, zou de reputatie van Praag als vroegmodern artistiek centrum nooit zo groot zijn geworden als ze is. Van 1583 tot zijn dood in 1612 resideerde de keizer in die stad. Hij bracht er een verzameling kunstwerken en naturalia bijeen die destijds zijn gelijke niet kende.

De Nederlandse schilder en auteur Karel van Mander raadde in 1604 zijn vakgenoten al aan een bezoek aan Praag te brengen om dat alles te aanschouwen en er profijt van te trekken. Van Mander roemde echter niet alleen de collectie van de keizerlijke Burcht, maar spoorde reizigers aan in de Boheemse hoofdstad `oock elders, in alle constkamers der machtighe liefhebbers' te bezoeken. Het culturele leven van Praag beperkte zich omstreeks 1600 niet tot het hof van Rudolf en ook na diens dood blijken er opmerkelijke stukken te zijn toegevoegd aan de collectie van de Burcht van Praag. Een tentoonstelling in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum illustreert Rudolfs veelzijdige belangstelling en laat – zij het summier – ook iets zien van de voorkeuren van zijn opvolgers.

In de selectie van zo'n zestig schilderijen uit de verzameling van het museum dat nu in de Praagse Burcht is gevestigd, overheersen werken uit de Noordelijke en de Italiaanse Renaissance. Ze getuigen van een voorkeur voor elegantie en virtuositeit die typisch is voor de laat zestiende-eeuwse hofcultuur. Zo is er van keizer Rudolfs hofschilder Joseph Heintz de Oude een groot paneel met een voorstelling van het Laatste Oordeel. Een enorm aantal figuren in ingewikkelde poses bevolkt een compositie waarin de grootste figuren naar de randen zijn gedrukt en in het centrum een verschiet met een landschap te zien is. Er is in dit helder gekleurde werk zoveel te beleven dat de oordeelsthematiek bijna van ondergeschikt belang wordt. Dat past wel in de context van de verzameling van Rudolf, voor wie de kunstwaarde van een schilderij minstens zo belangrijk geweest moet zijn als de inhoud. Van een vijftiende-eeuwse schilder als Geertgen tot Sint-Jans bezat hij een werk dat oorspronkelijk als een altaarstuk voor een heel andere plaats was gemaakt. Geertgens drieluik met een ingetogen Aanbidding van het Christuskind op het centrale paneel, is duidelijk verzaagd: in het harnas van een heilige op een van de zijluiken is de weerspiegeling te zien van figuren die in het schilderij zelf niet meer voorkomen. Maar zelfs in die fragmentarische vorm kreeg het werk een plaats in de keizerlijke collectie.

Exemplarisch voor de culturele entourage van Rudolf, is een portret dat de zestiende-eeuwse meester Paolo Veronese maakte van de van oorsprong Duitse edelsmid Jacob König. Met König, die ook handelaar in kunst, boeken en prenten was, onderhield de keizer contacten en het was mogelijk via hem dat hij in contact kwam met zijn latere hofschilder Hans von Aachen. Ook veel Venetiaanse schilderijen, waarvan de keizerlijke collectie met werk van Tintoretto, Bassano en Veronese goed voorzien is, zullen via König hun weg naar Praag hebben gevonden. In de loop van de tijd is er ook weer veel uit die collectie verdwenen. Na Rudolfs dood zijn veel topstukken naar Wenen overgebracht, hebben andere Habsburgers zich delen van de verzameling toegeëigend en zijn er werken verkocht. Dat verklaart ook de wisselende kwaliteit van de werken die nu in Maastricht te zien zijn.

Een omvattende, of ook maar enigszins representatieve, presentatie van de hofcultuur onder Rudolf II, zoals die in 1988 was te zien in de memorabele tentoonstelling `Prag um 1600' in Essen, is uitgaande van de collectie van de Burcht waarschijnlijk onmogelijk. In de publiciteit rond de expositie in Maastricht (gesponsord door de internationale kunstbeurs TEFAF en misschien daarom voorzien van alleen een Engelse titel) ligt een sterke nadruk op Rudolf en zijn collectie. Die wordt maar ten dele waargemaakt in de geëxposeerde werken en in de summiere beschrijvingen in de catalogus, die niet ingaan op de herkomst ervan. Waar komt bijvoorbeeld het, na Rudolfs dood geschilderde, mooie Romeinse ruïnegezicht van de hand van Viviano Codazzi (ca. 1606-1670) vandaan? Of het onrustbarende werk van de Milanese schilder Francesco del Cairo (1607-1665)? Diens handenwringende en met koortsige ogen hemelwaarts blikkende Heilige Franciscus, geschilderd in een dramatisch clair-obscur, doet in niets denken aan het zestiende-eeuwse maniërisme waar Rudolf zo dol op was. Over die latere ontwikkelingen zou je meer willen weten, en dat de tentoonstelling daar nauwelijks op ingaat, is een gemiste kans.

Tentoonstelling: Imperial Paintings from Prague. Bonnefantenmuseum (Avenue Céramique 250, Maastricht). T/m 16/9. Catalogus (Engelstalig, uitg. Ludion): 160 blz., fl. 59,50.

    • Bram de Klerck