Schijnexactheid

Met de ene hand geeft minister Hermans de scholen vrijheid om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten, met de andere hand bindt hij ze vast door dwingende toetsprocedures voor te schrijven. De verplichte toetsing van vierjarigen om achterstanden op te sporen is daar een voorbeeld van. Als leraren en ouders hiertegen protesteren omdat kleuters zo lastig te testen zijn, of omdat de voorspellende waarde van een test op die leeftijd gering is, of omdat het iets onaangenaams heeft die jonge kinderen onder het vergrootglas te leggen, dan luidt de dooddoener dat je problemen maar beter zo vroeg mogelijk kunt onderkennen.

Een ander argument ten faveure van vroege en constante toetsing is dat op die manier de kwaliteit van het onderwijs gemeten kan worden. In deze redenering gaat het niet zozeer om het testresultaat van een individueel kind, maar om gemiddelde scores. Als op een bepaalde school een groep vierjarigen over een periode van acht jaar gemiddeld een grotere vooruitgang boekt dan een andere groep op een andere school, dan wordt op die eerste school beter onderwijs gegeven dan op die tweede. Het venijn zit erin dat op die eerste school de uiteindelijke Cito-toetsresultaten best een heel stuk lager kunnen liggen dan op die tweede. Op een rijke, witte school is het aanvangsniveau van vierjarigen hoog. Dat blijft acht jaar lang zo, er wordt dus nauwelijks vooruitgang geboekt, maar het geeft wel hoge eindscores. Is het ontbreken van vooruitgang een reden om zo'n school een lagere kwaliteitsscore toe te kennen? Dit is een volstrekt triviale manier om met testgegevens om te gaan en er is natuurlijk ook geen enkele ouder geïnteresseerd in deze relatieve verschillen, omdat alleen bevestigd wordt wat iedereen allang weet: milieu is nog steeds de belangrijkste voorspeller van schoolsucces.

Gemiddelde testscores leveren oninteressante resultaten op, maar elk afzonderlijk toetsmoment vormt voor een kind (of de ouders) wel een hoepel om doorheen te springen. Het valt ouders slecht uit te leggen dat bijvoorbeeld de Cito-entreetoets in groep 7 afgenomen wordt om een indicatie te krijgen over het niveau van de groep als geheel, om te kunnen bepalen op welke punten het onderwijs in gebreke is gebleven. Ouders zien de uitslag hardnekkig als een door hun kind behaald resultaat, wat het natuurlijk óók is.

Testen en toetsen zijn onvermijdelijk, als diagnostisch hulpmiddel of omdat er behoefte bestaat aan objectieve gegevens. Toch staat het testen als volcontinubedrijf me tegen. Zeker wanneer het routinematig gebeurt, zonder aanzien des persoons. Zelden levert een test iets verrassends op wat een goede observator niet ook al was opgevallen. Iedereen moet door de mangel, want meten is weten, zoals het motto luidt van de onderwijskundigen. Maar het `meten-is-weten'-idee is een statistische waarheid: exact voor groepen, schijnexact voor een individu. Alle toetsen, tests en leerlingvolgsystemen werken met een sjabloon van normaalheid dat als een net over kinderen heen wordt heengelegd. Als niet op leeftijd X cognitieve vaardigheid Y optreedt, dan hebben we met achterstand te maken. Ook voor sociaal-emotionele en motorische vaardigheden bestaan dergelijke sjablonen en tests. Het technocratisch onderwijs legt alles vast en slaat het op in dossiers (ook al zo onaangenaam: dat in een dossier van een 12-jarige te lezen valt dat-ie als kleuter een medekleuter met een schepje te lijf is gegaan). Lastig genoeg betonen veel normale kinderen zich toetsresistent en ontwikkelen zich zijdelings, asymmetrisch, twee stappen vooruit eentje naar achteren, niet volgens het geijkte stramien.

Het hele onderwijs op de basisschool, en daarmee samenhangend het toets- en testsysteem, is sowieso geënt op meisjes en hun gezeglijkheid, hun vroege cognitieve belangstelling, hun bereidheid om geconcentreerd werkjes te doen die fijne motoriek vereisen. Veel jongetjes kunnen geen aandacht opbrengen voor de tafel van zeven. Liever rennen ze achter een bal aan of roeren met een stokje in de sloot. Achterstand! wijst de toets uit en hup naar bijles van de bijspijkeraar. Die met hangen en wurgen in orde brengt wat een paar jaar later vanzelf in orde was gekomen. Meten is geen weten, maar vastnagelen wat vloeibaar hoort te zijn.