Politieke en juridische mijlpalen in 28 jaar euthanasie-discussie

februari 1973

De Friese huisarts Postma wordt veroordeeld. Zij pleegt euthanasie met een dodelijke injectie op haar 78-jarige moeder, die in een verpleeghuis verkeert. De moeder had haar dochter uitdrukkelijk om de injectie gevraagd. Postma krijgt een week voorwaardelijke gevangenisstraf. De gebeurtenis jaagt de discussie over euthanasie aan. Drie dagen later wordt de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie opgericht door de Friezin Sybrandy-Alberda.

april 1984

Initiatief-wetsvoorstel van D66-Kamerlid Wessel-Tuinstra. Zij stelt voor de strafbaarstelling van euthanasie voor de medische beroepsgroep te schrappen ('medische exceptie'). Hoewel het voorstel aanvankelijk steun krijgt van een Kamermeerderheid van PvdA, VVD en D66, trekt de VVD deze steun later weer in onder druk van coalitiepartner CDA. De politiek schuift de beslissing voor zich uit door een commissie onder leiding van procureur-generaal Remmelink de praktijk van euthanasie-toepassing te laten onderzoeken. De latere minister Borst is lid van deze commissie. Het initiatief van Wessel-Tuinstra sterft een zachte dood.

november 1984

De Hoge Raad honoreert in een euthanasie-zaak van een 93-jarige patiënt met euthanasieverklaring voor het eerst het beroep van de betrokken arts op de 'noodtoestand': de arts bevindt zich in een conflictsituatie van enerzijds de plicht het lijden te verlichten en anderzijds de patiënt te genezen. Door de uitspraak wordt voor het eerst erkend dat artsen euthanasie kunnen plegen zonder daarvoor straf te krijgen, mits zij zorgvuldig handelen. Het moet gaan om ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Er staan voor de arts geen andere mogelijkheden open om het lijden te verzachten.

november 1991

CDA en PvdA bereiken overeenstemming over een nieuwe euthanasie- regeling. Euthanasie blijft op aandrang van het CDA strafbaar, maar artsen kunnen aan strafvervolging ontkomen indien zij aan de eerder genoemde zorgvuldigheidseisen voldoen, die zijn opgenomen in een wettelijke meldingsprocedure. De eisen zijn ontwikkeld door de commissie-Remmelink die de euthanasie-praktijk onderzocht. Op 1 juni 1994 treedt de meldingsprocedure in werking.

juni 1994

De Hoge Raad verruimt in het zogeheten Chapot-arrest het begrip 'lijden' tot 'niet-somatisch, psychisch lijden'. Wel gelden verscherpte voorwaarden zoals de eis dat de behandelend arts altijd een tweede onafhankelijke arts moet consulteren. Het arrest is genoemd naar de Haarlemse psychiater Chabot die euthanasie pleegde op een ernstig depressieve patient. De Hoge raad acht Chabot strafbaar omdat hij geen tweede deskundige heeft geraadpleegd, maar legt geen straf op. Ook de tuchtrechter vindt naderhand dat Chabot zorgvuldiger had moeten handelen.

oktober 2000

De rechtbank in Haarlem ontslaat de arts van oud-PvdA-senator Brongersma van rechtsvervolging. De arts had Brongersma geholpen bij zelfdoding omdat hij "leed aan het leven". Hoewel bij Brongersma geen sprake was van lichamelijk of psychisch lijden vond de rechtbank toch dat de arts zorgvuldig had gehandeld. Hiermee werd het criterium ondraaglijk en uitzichtloos lijden verder opgerekt.

april 2001

De Eerste Kamer aanvaardt het wetsvoorstel van de ministers Borst en Korthals dat euthanasie in Nederland voor het eerst legaliseert. In tegenstelling tot het voorstel in 1991 neemt het paarse kabinet nu in de wet zelf de criteria op waaraan het OM euthanasie-gevallen toetst. Het moet om een vrijwillig verzoek gaan van de patiënt, om uitzichtloos en ondraaglijk lijden en er moet een second opinion van een andere arts komen. Over 'levensmoeheid' als criterium zegt de wet niets.