Iedereen gijzelaar

Ook in een gemondialiseerde wereld waar – zoals een half jaar geleden nog werd aangenomen – de gebraden duiven iedereen de mond binnen vliegen, blijven de mensen een aantal elementaire behoeften houden waarin de markt blijkbaar niet kan voorzien. Daartoe horen de voorzieningen voor openbare veiligheid, redelijk zuivere lucht, energie, gezondheidszorg, goed onderwijs dat voor alle kinderen toegankelijk is, infrastructuur en een betrouwbaar openbaar vervoer. Een hogere kwaliteit gezondheidszorg, beter onderwijs, en tot in zekere mate grotere veiligheid zijn te koop. Het is in tegenspraak met onze democratie van gelijke kansen, maar we zijn er langzamerhand zo aan gewend dat we onszelf in deze ongelijkheid gedogen. Met de energievoorziening door geprivatiseerde ondernemingen kan het mis gaan, zoals nu in Californië te zien is. Dat trekt de aandacht omdat in deze hoogst geavanceerde staat, zelfs de bakermat van de dotcomwereld, Silicon Valley, nu regelmatig iedereen in het donker zit. Ik zeg het zonder leedvermaak, hoewel ik ook wel eens door een breakdown of blackout in mijn elektronisch schrijfgerei ben getroffen.

In een aanvaardbaar georganiseerde maatschappij – volmaakt is niet van deze wereld – horen de vrije markt, het vrije ondernemerschap en de staat elkaar min of meer in evenwicht te houden. Dat de markt niet als vanzelf de wijsheid produceert die op haar beurt de eeuwige vooruitgang verzekert, is de afgelopen maanden op de beurs weer bewezen. Hoewel het als een paal boven water staat dat na een periode van toenemend overspannen verwachtingen over snel rijk worden de koersval volgt, willen de investeerders het pas geloven als hun vermogen is gedecimeerd. Dat is hun eigen schuld, zal men zeggen. Ze zijn gewaarschuwd, ze waren er zelf bij. De verantwoordelijkheid kan niet op Wall Street en de Nasdaq worden afgewenteld.

Maar hoe gaat het intussen met de staat? Ook niet goed. Overheidsdiensten en geprivatiseerde, de natie hun diensten verlenende organisaties, zijn evenmin nog het vertrouwen waard dat de burgerij gewend was. Om dat te ervaren, hoeven we niet naar een schilderachtig land in de Balkan. Een grof onderzoek in het poldermodel leert dat de afgelopen vijf jaar de artsen driemaal hebben gestaakt, de leraren vijfmaal, de politie viermaal en het openbaar vervoer vijfmaal. De keren dat met staking is gedreigd, op het nippertje voorkomen, niet meegeteld. De spoorwegstaking die het publiek getroffen heeft, is opvallend door het chaotisch verloop waarbij de radicalen de gematigden op sleeptouw nemen, maar als aantasting van een openbare dienst op zichzelf niets bijzonders meer.

Altijd zijn er, vanzelfsprekend, bijzondere oorzaken. Docenten, artsen, verplegend personeel en politie willen hun zwaarder geworden werk aan de fronten van een snel veranderende maatschappij hoger beloond zien. In het openbaar vervoer is men bovendien bang voor de gevolgen van reorganisaties die vaak met privatisering verband houden. En in dit geval van de spoorwegen hebben de bonden behalve met de directie ook onderling ruzie over het langzamerhand ridicule `rondje om de kerk'. Maar afgezien van de inhoudelijke inzet, is er een gemeenschappelijke noemer. Bij al deze acties wordt op een of andere manier een algemeen belang in gijzeling genomen.

Dat is het principiële verschil tussen deze en de ouderwetse stakingen in commerciële, strikt zelfstandige bedrijven. De orthodoxe staking richt zich tegen een directie. In het uiterste geval zijn de werknemers desnoods bereid, het bedrijf `kapot te staken'. Hier, in deze conflicten van nationale reikwijdte, zijn het de beroepsgroepen die zich zo benadeeld voelen dat ze bereid zijn, een algemeen belang te bedreigen.

Maar het algemeen belang kan niet worden kapot gestaakt. Het is geen eenheid die tot onderhandelen in staat is. Het algemeen belang wordt beschermd door de staat. Die wordt door de regering en andere overheden bestuurd. Sommige beroepsgroepen kunnen zich tot de staat richten door een algemeen belang te bedreigen: door `zondagsdienst te draaien', de kinderen naar huis te sturen, het openbaar vervoer niet te laten rijden, door feitelijk een groep afhankelijken tot slachtoffer te maken nemen ze een algemeen belang in gijzeling en richten zich op die manier tot de staat.

En nu blijkt, niet van gisteren op vandaag maar over een periode van jaren, dat de staat er niet meer in slaagt, het algemeen belang vertrouwenwekkend te beschermen. De beroepsgroepen hebben hun macht herkend, en wat minstens even belangrijk is: ze zijn bereid er een hard gebruik van te maken, ook als dat ten koste mocht gaan van degenen die van hen afhankelijk zijn. Ik ga nu niet in op de rechtvaardigheid van de onderscheiden acties. Voor het publiek komt het erop neer dat de beroepsgroepen zich van het algemeen belang desolidariseren terwijl de staat zich geen raad weet; zolang mogelijk Gods water over Gods akker laat lopen of de uitspraak van de rechter afwachten.

Zoals het algemeen belang geen eenheid is die kan handelen, zo is de staat geen verschijnsel met een eigen wil. De staat wordt gevormd, onder andere, door `de' politiek, de mensen die het personeel van de uitvoerende macht zijn, de controlerende organen en de bureaucratie, het systeem waardoor wordt bepaald wat zal worden gedaan om het algemeen belang te dienen. En nu zien we de paradox: de beroepsgroepen waarop het algemeen belang direct is aangewezen, voelen zich door de staat zodanig in de steek gelaten dat zij van oordeel zijn geen andere keus te hebben dan zich tijdelijk, direct, tegen het algemeen belang te keren. Dat beperkt zich niet tot een paar incidenten; het ontwikkelt zich tot een gevestigd strijdmiddel.

Twee partijen voelen zich door de staat verraden: de beroepsgroepen en degenen die het slachtoffer zijn van een gijzeling. Nu de reizigers, straks de leerlingen en hun ouders, de patiënten. Onder onze ogen fragmentariseert de staat terwijl het algemeen belang vogelvrij wordt. Het leven wordt weer avontuurlijker: survivallen, op de scholen en de stations. Het publiek heeft er genoeg van, maar het went. Ook dat hoort tot onze `brazilisering' (Ulrich Beck). Volgt er een reactie? In dit poldermodel zie ik het nog niet gebeuren.