De euthanasiewet

EEN NIJVERE Amerikaanse verslaggever rekende uit dat bij de behandeling van het Nederlandse wetsvoorstel tot legalisering van euthanasie maar liefst 540 vragen uit het parlement zijn afgevuurd op de regering, een topaantal. Dat betrof nog alleen de Tweede Kamer. Men kan dus rustig zeggen dat `ons Lagerhuis' niet over één nacht ijs is gegaan, toen het na een uitvoerig debat in november het wetsvoorstel goedkeurde met 104 tegen 40 stemmen. Het is bovendien een wetsvoorstel dat aansluit bij een langdurige en doordachte jurisprudentie in dit land, die kan rekenen op een brede - zij het zeker niet onkritische - steun.

Wat is in zo'n situatie de rol van de Eerste Kamer? De senaat geldt als `chambre de réflexion', tegenwicht tegen de waan van de dag aan gene zijde van het Binnenhof. Maar `gene zijde' kon hier moeilijk een gebrek aan bezinning worden verweten. Het was veeleer de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer die een schrille toonzetting kreeg door termen als nazi-methoden. Met name in Europese gremia heeft het confessionele smaldeel na het debat in de Tweede Kamer geprobeerd een campagne op touw te zetten die overspannen trekken vertoonde.

DE EERSTE KAMER is met een solide meerderheid (46 tegen 28 stemmen en slechts één afwezige) akkoord gegaan met het wetsvoorstel. Dit resultaat telt, een duidelijke keuze voor een afgewogen regeling van wat elders in een gevaarlijke grijze zone wordt gepraktiseerd. Want ondanks al het buitenlandse lawaai is euthanasie een realiteit in élk land, gedekt door de Grote Leugen. Het risico van de duidelijke uitslag is dat de indruk postvat dat wij daar in Nederland nu tenminste mee hebben afgerekend. Zo eenvoudig ligt het echter niet.

De nieuwe wet heeft als niet te onderschatten voordeel dat mensen in ultieme nood niet worden veroordeeld tot wat anderen bestempelen als bestwil, maar dat zij een eigen wettelijk recht hebben aan te geven waar hun persoonlijke grens ligt. Evenzeer van belang is dat geen hulpverlener kan worden verplicht te handelen tegen zijn of haar geweten. Voor het verwijt, dat helaas toch ook vanuit de senaat werd gehoord, dat euthanasie wordt gereduceerd tot ,,een behandelingsoptie als elk ander'' geeft de nieuwe wet in redelijkheid geen grond. Euthanasie blijft bijzonder. Zo hoort het ook.

DE NIEUWE REGELS maken niet een eind aan alle vragen, zoals wordt geïllustreerd door de rechtszaak over oud-senator Brongersma die ,,klaar was met het leven''. Ook de betekenis van de voorafgaande schriftelijke wilsverklaring is minder duidelijk dan wel wordt gehoopt. Nederland steekt met deze wet internationaal zijn nek uit. Het belang van een mild levenseinde is dat alleszins waard. Het verplicht Nederland wel tot een extra inspanning op het parallelle spoor van de palliatieve zorg, zoals de Tweede Kamer eind vorig jaar ook duidelijk liet blijken.

De lakmoesproef is de meldingsbereidheid van medici, die overigens niet een louter kwantitatieve kwestie is. De nieuwe wet brengt de op zichzelf begrijpelijke aversie van gewetensvolle artsen voor een justitieel onderzoek terug tot een minimum. Maar uit te sluiten valt dat nooit. Van de medische stand mag nu meer dan ooit worden verwacht dat hij zich heenzet over de weerzin tegen de procedurele rompslomp en de toetsbaarheid van zijn handelen erkent als een onmisbaar onderdeel van een menswaardige medische praktijk.