Writers' artist

In de nieuwe Tirade slaat de melancholie als een golf over je heen. Dat begint al op de voorkant. Die is niet, zoals normaal, helder en grafisch, maar de nagetekende voorkant van het oktober-nummer van Tirade uit 1964. De maker is de Haagse kunstenaar Marcel van Eeden (1965), die al jaren louter foto's natekent uit de tijd voor zijn geboortejaar. Die tekeningen maakt hij meestal met potlood, in sober zwart-wit, op velletjes van 19 x 14 centimeter. De voorstellingen zijn nadrukkelijk gewóón: een paar boeren bij een hekje, een optocht, een kerstboom bij avondlicht.

Dat aan Van Eeden in deze Tirade meer dan dertig bladzijden worden gewijd is niet zo vreemd, want hij is een typische writers' artist. Een kunstenaar voor schrijvers dus, zoals je ook artists' artists hebt en writers' writers. Een writers' artist is een schilder of tekenaar die werk maakt waaruit eenvoudig een verhaal te lichten valt zonder dat het zich meteen opdringt – de schrijver wil zelf nog wel wat kunnen bedenken. In Nederland gold Carel Willink lange tijd als de writers' artist par excellence. De laatste jaren zijn vooral Vermeer, Balthus en Francis Bacon populair.

In Tirade schrijven George Moormann, Robert Anker en Willem van Toorn over Marcel van Eeden. En alle drie gebruiken ze zijn tekeningen voor hetzelfde doel: om te zwelgen in het verleden. Anker ontdekt een jeugdherinnering in Oostwoud in een van de tekeningen en Van Toorn `tuimelt' bij de eerste confrontatie met Van Eedens werk in `een valkuil van tijd'. Daarmee geven ze meteen het nadeel van het writers'-artist-schap aan. De auteurs nemen Van Eedens werk als kunst nauwelijks serieus; Van Eedens tekeningen zijn vooral een springplank van hun eigen aberraties. De complexe verhouding van zijn werk tot de fotografie krijgt alleen bij Moormann wat aandacht. Over Gerhard Richter, die met verf en kwast al bijna veertig jaar hetzelfde doet als Van Eeden met potlood, geen woord. Als de auteurs iets meer proberen dan het ophalen van herinnering gaan ze hakkelen. ,,De zwarte lijnen van Marcel van Eeden helpen je de voorstelling te ontwaren die in wezen al in het wit aanwezig is. Zoiets.'' schrijft Willem van Toorn.

George Moormann beweert gretig dat `(Van Eeden) niet verfraait', maar dat is onzin. Van Eeden verfraait juist heel veel door de min of meer objectieve blik van de camera te vervangen door een nadrukkelijk aanwezige, sfeerscheppende tekenaarshand. Dat is precies wat zijn werk bijzonder maakt.

Gelukkig worden deze stukken meer dan gecompenseerd door de overige bijdragen. Arjen Duinker komt met een lang, tamelijk complex gedicht, waarin een vrouw met sproeten, een vrouw met oorbellen, een Indiase zanger en `Scarpa' met elkaar in gesprek zijn. Matthijs van Boxsel schrijft een nieuwe aflevering van Encyclopedie van de Domheid, waarin onder andere curieuze vormen van zelfmoord aan de orde komen.

Pièce de résistance van deze Tirade is een kort verhaal van Eva Gerlach. Gerlach is bekend als dichteres. As is, zover ik weet, een van haar eerste verhalen – en het mag er wezen. Om aan te geven hoe vreemd As is hoeven alleen maar de eerste twee zinnen geciteerd te worden: ,,Allie heeft de as, daar is nu even niets aan te doen. Hij staat in een gladde grijze pot onder haar bureau en elke dag neemt ze er een snufje van over haar eten.'' Die pot, begrijp je meteen, is een urn, en de as is de as van Allie's overleden vader. Gerlach roept in veertien bladzijden een fantastisch universum op, waarin een zelfverklaard genie, een afhankelijke dochter en een paranormaal begaafde tante volkomen vanzelfsprekend langs elkaar heen schuiven. Als je het uit hebt duizelt het nog lang na – en dat is in dit geval een goed teken.

Tirade 388, nr.1, 2001. Uitg. van Oorschot, 96 blz. Prijs ƒ25,-.

    • Hans den Hartog Jager