VS zien anti-Amerikanisme verkeerd

Anti-Amerikanisme heeft meer te maken met het zoeken naar machtsevenwicht dan met een aversie tegen de Verenigde Staten, vindt William Pfaff.

Het anti-Amerikanisme in het buitenland is een bron van zorg voor veel Amerikanen die zich bekommeren om de plaats van hun land in de wereld, maar het verschijnsel wordt in politieke en bestuurlijke kringen vaak misverstaan. Dat leidt tot onbegrip omtrent de aard en oorzaak van het anti-Amerikanisme.

Voor een deel is dit te wijten aan de journalistiek, aangezien de Amerikaanse media zich bij hun berichtgeving over internationale kwesties tegenwoordig vrijwel geheel door Washington laten leiden. Dat wil zeggen: de vragen die op buitenlands gebied worden gesteld zijn de vragen van Washington, toegesneden op de binnenlandse politiek en de geijkte standpunten van Washington. Ze vragen om nietszeggende antwoorden en ontmoedigen ongewenst of vervelend nieuws. Zaken die niet direct behoren tot de aandachtssfeer van Washington worden veelal veronachtzaamd, omdat algemeen wordt aangenomen dat alles waaraan Washington geen aandacht besteedt niet zo belangrijk kan zijn. Zodoende is het werkelijkheidsgehalte van het debat in de Amerikaanse hoofdstad vaak niet al te hoog.

Het commentaar van minister van Financiën Paul O'Neill op Japan, eerder dit jaar, is in dit verband typerend. Wegens de erbarmelijke economische prestaties van Japan op dit moment moest er volgens hem iets gedaan worden om het Japanse volk te helpen een hogere levensstandaard te bereiken. In een bijtend commentaar noemde Doug Struck van The Washington Post het huidige probleem van Japan juist dat de levensstandaard en de tevredenheid van de consumenten beide op het ogenblik zo hoog zijn – gemiddeld veel hoger dan in de Verenigde Staten – en dat de Japanse consumenten niet zo goed weten waaraan ze nog meer geld zouden willen besteden. Dat leidt tot een verminderde consumentenvraag en dalende productie in het – naar objectieve maatstaven – rijkste land ter wereld.

Voor de typische Amerikaanse zakenman O'Neill sprak het vanzelf dat ieder ander op de wereld naar Amerikaanse maatstaven een achterlijk leven leidt. Hij wist niet waarover hij het had, maar dat geldt vaak net zo goed voor functionarissen die niet uit de zakenwereld komen. De diverse meningsverschillen tussen Amerika en de Europese Unie worden meestal beschreven, zelfs in officiële kringen, als een gevolg van de `Europese subsidies' voor de eigen industrieën, oftewel het protectionisme van `fort Europa' om de scherp concurrerende Amerikaanse rivalen op afstand te houden.

Het idee dat Europese (of Japanse) producten misschien wel geavanceerder zijn dan Amerikaanse en dat de handelsproblemen ook te maken hebben met een verminderd concurrentievermogen en een behoefte aan bescherming bij sommige Amerikaanse bedrijfstakken, wordt niet in brede kring erkend. Toch was de buitenlandse concurrentie één van de factoren achter de verrassende mededeling, twee weken, geleden dat Boeing weggaat uit Seattle, naar verluidt om ,,de fysieke en psychologische vereenzelviging van het bedrijf met de commerciële luchtvaart te doorbreken''. Het bedrijf wil af van het idee bij beleggers en op Wall Street dat het aangewezen is op de verkoop van burgervliegtuigen in concurrentie met Europa.

De overige uitingen van anti-Amerikanisme zijn ruwweg te verdelen in die met objectieve en die met subjectieve oorzaken. De laatste vormen een diffuse categorie met daarin ook het anti-Amerikanisme dat voortkomt uit verschillen in waarden. De buitenlandse kritiek op de puberale normen van de Amerikaanse volkscultuur en vermaaksindustrie, fast food, genetische manipulatie van voedsel, wapenwetten, de doodstraf – ze zijn allemaal terug te brengen tot verschillen in waarden en daar is weinig of niets aan te doen. De Amerikanen zien hun manier van leven als vanzelfsprekend en anderen mogen daarvan vinden wat ze willen.

De objectieve oorzaken van het anti-Amerikanisme zijn gelegen in maatregelen en daden die in het buitenland worden beschouwd als schadelijk voor de legitieme belangen van andere landen of voor de internationale gedragsregels, of die tot internationale wetteloosheid aanzetten. De boze reactie in Europa en Japan op de verwerping door de regering-Bush van het akkoord van Kyoto uit 1997 inzake de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen – hét geschilpunt bij het recente bezoek aan Washington van de Duitse kanselier Schröder – draait erom dat de Verenigde Staten voorbijgaan aan het algemene internationale belang om de opwarming van de aarde te voorkomen.

Dat standpunt wordt gezien als een cynisch bedankje voor de campagnebijdrage van het bedrijfsleven, zonder dat men oog heeft voor grotere menselijke belangen. De regering-Bush belooft in de toekomst een nieuwe benadering van de opwarming van de aarde, maar de heftige anti-Amerikaanse reactie van dit moment is onontkoombaar. De vijandigheid van de Amerikaanse regering tegenover het verdrag tot instelling van een internationaal tribunaal voor misdaden tegen de menselijkheid en haar weigering tot ratificatie van het verdrag tot het verbod op landmijnen, worden alom gezien als een Amerikaanse weigering om zich te houden aan normen die andere landen wel bereid zijn te aanvaarden.

De mening heerst dat de Verenigde Staten bijdragen tot de internationale wetteloosheid door eenzijdig `schurkenstaten' en `terroristische doelen' aan te vallen. Hetzelfde verwijt treft Amerikaanse veto's op pogingen om Israël te weerhouden van het in veler ogen onrechtvaardige en immorele gebruik van collectieve bestraffingen en buitensporig geweld tegen het Palestijnse verzet tegen de onwettige Israëlische kolonisering van Palestijnse gebieden.

Ten slotte zijn er nog de `hegemoniekwesties'. Een bepaald verzet tegen de Verenigde Staten dat voor anti-Amerikanisme wordt aangezien, komt in feite voort uit de klassieke zorg om het machtsevenwicht bij andere grote landen, die zich bewust zijn van hun huidige kwetsbaarheid tegenover het machtige Amerika.

Peter W. Rodman van het Nixon-centrum maakte afgelopen zomer in The National Interest, een kwartaalschrift in Washington, een verstandige opmerking over het Amerikaanse misverstand dat een land dat zelf uit universele morele beginselen denkt te handelen, tegenstand als onwettig beschouwt. De West-Europeanen, Japanners en tal van derdewereldlanden ,,vinden de opkomst van de Verenigde Staten als enige supermacht een gemengd genoegen'', want daardoor is het internationale evenwicht verstoord. Maar dat is geen anti-Amerikanisme, zoals Rodman opmerkt. Daaraan ten grondslag liggen overwegingen van machtsvergelijking en het zoeken naar evenwicht – waar de geschiedenis alle reden toe geeft.

William Pfaff is columnist.

© L.A.Times Syndicate

    • William Pfaff