Processie

Hoogtepunten binnen het rooms-katholieke kerkelijk leven waren en zijn de processies. Deze mochten bij ons niet, zoals in het zuiden des lands, op de openbare weg worden gehouden. Wij moesten ons beperken tot de kerk en de aangrenzende begraafplaats. Voorop ging een misdienaar met het kruis op een lange houten steel, zodat het boven iedereen uitstak. Degene die voorop liep gaf het tempo van de processie aan en omdat wij jongetjes destijds toch altijd nog liever buiten speelden dan te misdienen, werd er vaak flink de pas ingezet. De hardloper werd dan door de pastoor terug in het peloton geroepen, gesist, of gegromd.

Achter het kruis liepen weer twee misdienaars, de een met het wierookvat, de ander met het wijwater. Dit laatste werd meegedragen in een koperen emmertje en de bedoeling was de gelovigen mild te besprenkelen met de wijwaterkwast. Deze had de vorm van een ouderwetse wc-borstel, maar de haren waren veel zachter, meer zoals van een plumeau.

Het `wijwater' was een van de populairste taken. Je kon selectief besprenkelen en soms had je het geluk dat een vriendje uit de klas vooraan in de bank zat. Dan werd de kwast diep in de emmer gestoken en kreeg de kleine gelovige de volle laag.

Een andere gelegenheid om je vriendjes of klasgenoten te plagen deed zich voor op Goede Vrijdag vlak voor Pasen. Een vast ritueel op deze avond werd dan gevormd door het kussen van de voeten van Christus aan het kruis. Een van ons misdienaars stond dan met een kruisbeeld in zijn handen voor het middenpad, terwijl de parochianen in rijen kwamen aangeschuifeld om de voeten van het beeld te kussen. Een tweede misdienaar had de taak de voetjes na elke zoen met een doekje droog te vegen. De zoen van degene die vóór een klasgenootje of buurjongen aan de beurt was werd niet, of alleen maar ogenschijnlijk weggeveegd. Zeker wanneer dit zo'n natte lebberkus was. Het slachtoffer moest het niet wagen zich aan het ritueel te onttrekken door middel van een kusje in het luchtledige. In dat geval werden hem de voetjes wel op de mond gedúwd.

Een activiteit waarbij de misdienaars, vooral de wat oudere, de acolieten, ook af en toe werden ingezet, was de collecte. Ze assisteerden dan de leden van het kerkbestuur die dit corvee gewoonlijk op zich namen. In het begin van mijn carrière als misdienaar werd er gecollecteerd met een zwarte zak waaronder een kwastje bungelde en die aan een lange stok bevestigd was. Hiermee werd al hengelend rondgegaan. Daarna kwam er iemand met een glanzende koperen koekenpan. Toen mijn neef Johan eens met de koekenpan rondging en deze op een gegeven ogenblik zijn jongere broertje Willy onder de neus hield, sloeg het broertje, denkend dat het een spelletje was, hem de pan uit de hand zodat de honderden munten en muntjes die al waren ingezameld, in het het rond vlogen. Na de pan kwam er ook nog een schaal en soms nog een mandje.

De opbrengst van elke ronde had een andere bestemming en kon variëren van hulp aan slachtoffers van een overstroming, steun aan het missiegebied van een ex-parochiaan die missionaris was geworden, tot de financiering van een nieuw orgel. Ook in de kerk moest de schoorsteen blijven roken.

    • Gerrit Kolthof