Permanent instituut nodig bij arbeidsconflict

Het conflict bij de NS toont aan dat Nederland toe is aan een professioneel instituut voor het oplossen van arbeidsgeschillen, vinden Annie de Roo en Rob Jagtenberg.

Met het hoogopgelopen conflict tussen het rijdend personeel en de directie van de NS is andermaal bewezen dat ook Nederland behoefte heeft aan een permanent instituut voor het beslechten van zowel collectieve als individuele arbeidsconflicten. Nederland kan niet langer achterblijven bij buurlanden als Groot-Brittannië, België, Duitsland, en wat noordelijker Zweden. Deze landen kennen sinds lange tijd permanente organen van onafhankelijke en neutrale bemiddelaars.

Nederland kent slechts de Advies- en Arbitragecommissie, beter bekend als de commissie-De Ruiter, die uitsluitend adviseert, bemiddelt en arbitreert in de publieke sector. De overweging dat er in dit land zo weinig stakingen zijn en daarmee geen noodzaak tot het oprichten van een dergelijk instituut in de private sector, is niet langer relevant. Consensusland of niet, de effecten van een staking zoals bij de NS zijn enorm en rechtvaardigen de tussenkomst van professionele bemiddelaars. Vooral nu de interventie van de 'wijze mannen' Blankert en Stekelenburg niet succesvol is gebleken. Dit is niet verbazingwekkend.

In een aantal arbeidsconflicten in het verleden werd eveneens de hulp van bemiddelaars van een vergelijkbare statuur ingeroepen: Biesheuvel en Albeda in het conflict met de binnenschippers, Van der Zwan in het conflict over de sleepdiensten, en Rosenmöller en Krul bij acties in de Rotterdamse haven. Ook hun interventie was weinig geslaagd en deze bemiddelaars hadden een ding steeds gemeen: ze intervenieerden op een ad-hocbasis. Als bekende figuren uit de sociaal-economische arena werden zij verzocht eenmalig als bemiddelaar op te treden, in één bepaald conflict. Zelfs als hun pogingen soms succesvol bleken, ging in de beginfase veel kostbare tijd verloren met het zoeken naar een geschikte derde partij c.q. bemiddelaar.

Wat kan Nederland nu van de eerder genoemde landen leren?

In veel westerse industrielanden volgen werkgevers en werknemers een andere strategie dan in Nederland als onderling overleg is vastgelopen. Voor hen is bemiddeling een gebruikelijke en betrekkelijk vanzelfsprekende optie, niet in de laatste plaats omdat een permanent bemiddelingsinstituut eenvoudig beschikbaar is. Onnodig gebakkelei en daarmee tijdverlies over de meest geschikte vorm van interventie door derden kan zo voorkomen worden. Partijen hoeven dus niet steeds op zoek naar een geschikte bemiddelaar.

Bovendien zijn de bemiddelaars die binnen zo'n permanent instituut werken, goed getraind en vertrouwd met de problemen en de onderhandelaars in een bepaalde branche. Vaak ontstaat zelfs een vertrouwensrelatie, die voor het welslagen van bemiddelingspogingen zeer belangrijk kan zijn. Anders dan de ad-hocbemiddelaars in Nederland, zoeken deze professionele bemiddelaars niet de publiciteit. Steeds opereren zij op de achtergrond. De Belgische Sociaal Bemiddelaar is het zelfs verboden om contact te onderhouden met de pers, tenzij partijen hem hiertoe expliciet toestemming hebben verleend. De essentie van bemiddeling is nu eenmaal dat partijen zelf de eigenaren blijven van hun conflict. Autonomie is van het grootste belang.

Onderzoek heeft aangetoond dat dergelijke bemiddelingsinstanties zeer succesvol zijn. Dat wil zeggen dat met de tussenkomst van de bemiddelaar een grote meerderheid van de voorgelegde conflicten kon worden beëindigd, tot tevredenheid van beide partijen. Sterker: partijen kwamen vaak tot de conclusie dat zij met de assistentie van de bemiddelaar tot een creatievere oplossing waren gekomen, overigens zonder verlies van hun autonomie.

De aanwezigheid van een permanent instituut heeft nog een ander voordeel namelijk dat het de bemiddelingstaak vaak combineert met adviesdiensten. Met name bij een opeenvolging van collectieve arbeidsconflicten binnen een onderneming blijken de onafhankelijke adviseurs binnen het instituut nuttige diensten te kunnen verlenen bij het weer op gang brengen van de verstoorde communicatie en het structureel verbeteren van de arbeidsverhoudingen; een belangrijk aspect in het huidige conflict bij de NS. Men noemt dit wel `preventive mediation'.

Mocht men in Nederland tot de oprichting van een permanent bemiddelingsinstituut besluiten, dan dient voor het welslagen ervan aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Het instituut dient een wettelijke basis te hebben en gefinancierd te worden uit de publieke middelen. Elke stakingsdag kost vele miljoenen. Een permanente bemiddelingsinstantie die zo'n conflict met een dag weet te bekorten heeft zichzelf al snel terugverdiend.

De financiering door de overheid houdt overigens niet in dat zij zich inhoudelijk met het advies- en bemiddelingswerk zou mogen bemoeien. In Groot-Brittannië en de Verenigde Staten heeft men dit opgelost door de desbetreffende instituten een geheel eigen plaats te geven buiten enig relevant vakministerie. Elk zweem van partijdigheid wordt hiermee voorkomen. Bovendien kan zo duidelijkheid worden gecreëerd omtrent de bevoegdheden van bewindslieden in conflicten zoals bij NS, waar privatiseringsoperaties op de achtergrond spelen en politici zelf verschillende belangen dienen.

Als aan de hierboven beschreven vereisten zou kunnen worden voldaan, dan zou men zelfs kunnen overwegen om het instituut van de Rijksbemiddelaar nieuw leven in te blazen. Voor de Tweede Wereldoorlog kende Nederland al het instituut van de Rijksbemiddelaar. Dat dat instituut na de oorlog niet terugkeerde was onder meer te wijten aan het ontbreken van een vertrouwensbasis bij de organisaties van werkgevers en werknemers. Na de oorlog maakte de geleide loonpolitiek arbeidsconflicten geruime tijd ondenkbaar. Toen de overheid uiteindelijk terugtrad, was het wantrouwen jegens alles wat als `overheidsinterventie' kon worden uitgelegd nog verder toegenomen.

Dr. Annie de Roo en dr. Rob Jagtenberg zijn verbonden aan de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze doen onderzoek naar de bemiddelingspraktijk in arbeidsconflicten.