Kauwgom kauwen

Mijn zolder staat barstensvol oude woordenboeken en encyclopedieën. Bezoekers worden daar soms een beetje lacherig van. Een paar oude drukken, akkoord, maar om nu alle edities van Van Dale, Kramers, Koenen, de Oosthoek én de Winkler Prins in huis te willen halen, dat gaat toch wel ver. Ik kan ze niet helemaal ongelijk geven, het is een ruimtevretende gekte en ik hoor de balken zuchten onder het gewicht van al die boeken. Maar, zeg ik ter verdediging, dergelijke naslagwerken zijn onmisbaar als je de geschiedenis van een woord of zaak wilt nazoeken.

Neem bijvoorbeeld kauwgom. De herkomst van dat woord is niet moeilijk. Het is een vertaling van het Engelse chewing gum, een woord dat in 1850 voor het eerst is opgetekend. Precies honderd jaar later vermeldde Van Dale kauwgom voor het eerst, met als vormvariant kauwgummi. Betekent dit dat kauwgom in Nederland is geïntroduceerd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, door onze bevrijders? Nee, want Koenen vermeldt het sinds 1929, en een vreemde-woordentolkje van Van Goor sinds 1921, wat voorzover bekend de vroegste datering is.

Oude encyclopedieën maken duidelijk hoe de kauwgom in Nederland terecht is gekomen en hoe men er vroeger tegenaan keek. Zo schreef de Oosthoek eveneens in 1921: ,,Het gebruik van kauwgom, vroeger `chic', begint thans gelukkig als een ongepaste gewoonte beschouwd te worden.'' De Winkler Prins van 1936 geeft nog meer informatie: ,,De gewoonte om deze gom te kauwen, in Amerika reeds sedert 1876 bekend en in Europa tijdens de verwildering van den wereldoorlog ingevoerd, heeft zich gelukkig op den duur niet kunnen handhaven.''

Kortom, kauwgom bereikte Nederland niet tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar een wereldbrand eerder. De Katholieke encyclopedie (uit 1936) bevestigt dit: ,,De in Amerika reeds 50 jaar bekende `chewinggum' vond in onze streken na den Wereldoorlog ingang.''

Dat ook de Amerikanen, sinds lang de grootste kauwgomkauwers ter wereld, aanvankelijk hun bedenkingen hadden over dit goedje, blijkt weer uit een ander oud naslagwerkje, namelijk Hedendaagsche Amerikanismen van J.H. van der Voort uit 1894. Van der Voort maakte dit boekje omdat er indertijd in Engelse kranten steeds meer – onbegrijpelijke – Amerikaanse woorden opdoken. Bij chewing-gum schreef hij: ,,Een zekere stof, welks hoofdbestanddeel gomelastiek is, die door den jeugdigen Amerikaan gebruikt wordt om op te kauwen; zij dient derhalve als plaatsvervangster van tabak. Zij wordt niet doorgeslikt en zou ook waarschijnlijk zeer nadeelige gevolgen hebben voor de ingewanden en aanleiding geven tot obstructies; doch de uitwerking op de spijsverteringsorganen is desniettemin zeer verderfelijk; daarenboven geeft deze slechte gewoonte aanleiding tot verlamming van de kaak, welke door sommige geneesheeren `gum chewers disease' genoemd wordt.''

De balken mogen hier dan kraken en zuchten, voorlopig blijf ik zoeken tot ik echt al die oude drukken te pakken heb.