Een dubbelzinnige wereld

Hé, daar ging Dries van Agt. De kampioen van de argeloze provocatie wond zich in Buitenhof behoorlijk op over het weren van de Argentijnse familievader Jorge Zorreguieta bij het huwelijk van diens dochter. De oud-politicus, premier van 1977 tot 1981, vond het een loos gebaar, `egoïstisch', en verborg zijn gezicht achter beide handen om duidelijk te maken wat er mis is met ons morele escapisme in de zaak-Z: zolang we hem maar niet zien, is ons geweten al gekalmeerd. Mooie wereldburgers.

Het is opmerkelijk dat Van Agt, ook al heeft hij altijd graag gewezen op de gratuite kanten van morele verontwaardiging, zich juist in deze zaak opwerpt als criticus van een vrijblijvende opstelling. Hij had immers jarenlang de gelegenheid om de repressie van het Argentijnse regime te veroordelen of op internationale fora aan de kaak te stellen. In plaats daarvan, zo maakt het rapport-Baud duidelijk, liep Van Agt op kousenvoeten, en hield zijn regering één hand voor het gezicht als het om de mensenrechten ging. `Ze beleed het belang van de mensenrechten', aldus Baud, `maar aarzelde om de Nederlandse economische belangen daaraan ondergeschikt te maken'.

Nu gaat het er niet om dat zo'n aarzelend beleid onbegrijpelijk zou zijn, of onverdedigbaar. Maar wie destijds, terwijl hij daar als geen ander de kans voor had, naliet de Argentijnse wantoestanden onder de aandacht te brengen, kan beter zijn opvolgers niet hekelen om het bedrijven van symboolpolitiek, of zich overgeven aan makkelijk anti-moralisme (zelf een vorm van moralisme).

Maar ook als de Nederlandse houding inderdaad schijnheilig is, dan nog zou juist een pragmaticus als hij, die de betrekkelijkheid van de dingen zo goed inziet, dat moeten kunnen waarderen. In het ondermaanse is schijnheiligheid nog altijd beter dan helemaal geen heiligheid.

Kritiek zoals die van Van Agt komt erop neer, dat het niet alleen vrijblijvend maar vooral hoogmoedig is om te oordelen over situaties in het verleden. Dat horen we tegenwoordig vaker, niet alleen als het om Argentinië gaat, maar ook om het Duitse oorlogsverleden, of dat van onszelf. Waarom is zo'n oordeel arrogant? Twee argumenten lopen hier door elkaar. Eerst het besef, zoals ook in het rapport-Baud bewonderenswaardig subtiel verwoord, dat gepolariseerde, pijnlijke historische gebeurtenissen moreel complex en ambigu zijn. Baud heeft een open oog voor de valkuilen van een oordeel achteraf, en het doolhof waarin een buitenstaander kan belanden.

Behalve dat besef van morele ambiguïteit is er de notie dat we niet onze huidige normen mogen opleggen aan het verleden, en al helemaal niet aan dat van andere naties of culturen. In feite een vorm van moreel relativisme, waar conservatieven als Van Agt zich juist tegen afzetten als het gaat om kwesties in eigen land, zoals seksuele zeden, of de inburgering van allochtonen.

De ogenschijnlijke redelijkheid van deze inzichten, is bedrieglijk. Erkennen dat een situatie complex is, kan natuurlijk clichés of mythes ontkrachten, maar is nog geen brevet van moreel onvermogen, en al helemaal geen alibi voor afzijdigheid. Een leerzaam voorbeeld biedt het onderzoek naar een andere groep die onder de voet gelopen is in de geschiedenis, de inheemse Amerikanen, ooit bij uitstek gecanoniseerd als zielige nobele wilden, over wie we tranen mogen plengen zonder ons te bekommeren om hun nazaten. Nieuwe Amerikaanse historici als Patricia Limerick hebben dat kleinerende stereotype aangevallen, en de nadruk gelegd op de actieve rol die inheemse culturen hebben gespeeld in de Amerikaanse geschiedenis, op het diffuse karakter van hun onderwerping, en, in morele zin, op `the great muddle that is human nature'. Grijstinten dus, zoals hier onlangs ook nogal luidkeels gepropageerd door Chris van der Heijden met zijn Grijs verleden. En toch, schrijft Limerick in haar bundel Something in the soil, als we de clichés achter ons laten, en, met alle diffuse feiten in het achterhoofd, kijken naar het restje afgematte en uitgehongerde indianen dat overbleef na de zegetocht van de blanke veroveraars, wie zien we dan anders dan: slachtoffers?

Baud citeert op zijn beurt als pijnlijk voorbeeld van de dubbelzinnigheid over het wereldkampioenschap voetbal in 1978 een interview met een Argentijnse ex-gevangene, die vertelt hoe hij vanuit zijn cel mocht kijken: ,,Ze openden onze cellen en stonden ons toe onze kappen net boven onze ogen omhoog te trekken en lieten ons in de opening van onze cel op de grond zitten. Met kettingen om onze enkels en handboeien keken we naar de wedstrijd. En juichten om de doelpunten.'' Zoals ze thuis gedaan zouden hebben. Dat is schrijnend, maar het maakt zo'n ultieme vernedering nog niet dubbelzinnig.

Het verwerpen van moralistische stereotypen moet, met andere woorden, geen al te bescheiden orthodoxie worden die een politiek of moreel oordeel bij voorbaat verdacht maakt. De wereld is een dubbelzinnig oord, maar dat is geen excuus om niets te doen of je in de grijze mist te verliezen. Chris van der Heijden heeft het ook over de mens als `modderaar', maar trekt daar kennelijk de conclusie uit dat de nazi Seyss Inquart minder `zwart' wordt omdat hij van klassieke muziek hield. Zo wordt juist een `pre-grijs' misverstand bevestigd: dat een schoft alleen maar schoftenstreken mag hebben.

Ook het argument dat we onze normen niet mogen opleggen aan een andere plaats en tijd oogt sympathiek, maar is weinig behulpzaam. Gevraagd is nu eenmaal om ons oordeel in het heden, en met welke normen – en in welke tijd – zouden we dat anders moeten formuleren? Bovendien wordt de kloof tussen `hun' normen en de `onze' zo overschat. Baud spreekt over Nederland en Argentinië als `twee samenlevingen met volledig verschillende mentale schema's'. Maar als die volledig verschillend zijn, zou elke kennis en communicatie onmogelijk worden, inclusief het vaststellen van relevante verschillen. Dat is de zwakte van het cultuurrelativisme: om contrast te herkennen, is een veel grotere gedeelde achtergrond nodig, die toegang geeft tot elkaars werkelijkheid. Baud concludeert gelukkig dat morele oordelen mogelijk zijn, mits op basis van `expliciete parameters', zoals internationale verdragen, en `deugdelijke kennis'. Dat laatste is waar onder meer Patricia Limerick, en Baud zelf, aan werken: zulke kennis schept ruimte, en soms de verplichting, om te oordelen. Ook achteraf.

    • Sjoerd de Jong