De geurige bloem is geknakt

De Go's behoren tot de `overzeese Chinezen' die tientallen jaren de economie van Indonesië beheersten. Als immigranten waren zij bereid aan te pakken en zich aan te passen, en zij veroverden marktposities door gebruik te maken van hun netwerk in Zuidoost-Azië. De Go's profiteerden van het `economische wonder' van de jaren tachtig en negentig. Toen het misging, brachten zij zichzelf en hun vermogen in veiligheid.

In hun gloriedagen, halverwege de jaren negentig, behoorden zij tot de vijftig rijkste families van Azië. Hun Dharmala Groep nam in 1996 met een vermogen van 6,4 triljoen roepia (toen ruim 5 miljard gulden) de veertiende plaats in op de top-100 van `conglomeraten', de in Indonesië gangbare term voor sterk gediversifieerde zakelijke imperia.

Het kan verkeren. Anno 2001 voert de Dharmala Groep nog steeds nummer 14, maar nu op een andere lijst: die met de 21 grootste debiteuren van het Openbare lichaam voor sanering van het bankwezen (BPPN). Dat nam, nadat in 1997 de monetaire crisis had toegeslagen, de schulden en zekerheden over van tientallen Indonesische handelsbanken in nood. Het tweede conglomeraat van de familie, Putra Surya Perkasa (PSP), prijkt nog hoger op deze zwarte lijst en is de op vijf na grootste debiteur van de BPPN, en dus van de Indonesische staat.

Dharmala en PSP hebben een gezamenlijke schuld van 5 triljoen roepia en staan bij de BPPN te boek als uiterst onwillige debiteuren. Eind december dienden advocaten van de BPPN bij de arrondissementsrechtbank van Jakarta-Zuid een verzoek in tot gijzeling van vijf familieleden en twee medebestuurders. De vogels bleken gevlogen. Huispersoneel van hun villa's in Jakarta vermoedt dat zij in Singapore zijn, maar de heren kunnen net zo goed in Hongkong of China uithangen, want hun netwerk is wijd vertakt.

Zij noemen zich Gondokusumo, maar heetten oorspronkelijk Go. De Go's behoren tot de categorie der totok. Die term werd in de koloniale tijd gebruikt voor Nederlanders in Indië die in het moederland waren geboren, maar duidt nu op eerste of tweede generatie immigranten uit China. De grondlegger van het familie-imperium, Go Ka Him, werd in 1926 geboren in Nan'an (China), emigreerde in 1947, kort voor de machtsovername van de communisten, naar Java en vestigde zich in de haven- en handelsstad Surabaya.

De totok-Chinezen behoren, anders dan de veel grotere groep van geassimileerde peranakan (`nakomelingen'), die doorgaans geen Chinees meer spreken, tot de meest succesvolle zakenlui van Indonesië. Dat is deels toe te schrijven aan de motivatie die emigranten eigen is, deels aan het hechte netwerk dat `overzeese' Chinezen bindt met volksgenoten in het moederland en elders in Zuidoost-Azië. Etniciteit, clan-banden en de Chinese taal vormen samen het cement van een van de grootste en kapitaalkrachtigste zakelijke netwerken ter wereld.

Go Ka Him ging zich in de tweede helft van de jaren zestig, toen het Soeharto-bewind de Chinese minderheid dwong te assimileren, Suhargo Gondokusumo noemen. Kusumo is Javaans voor `geurige bloem' en is de uitgang van veel adellijke familienamen op Java. Su betekent `goed' en harga is Indonesisch (Maleis) voor `prijs'. Kortom: `de Go met de welriekende naam die een goede prijs berekent'. Dat laatste kan waar zijn, want Go senior boekte zijn eerste zakelijke successen in de handel. In 1954 richtte hij de PT (NV) Dharma Lampung op, die zich toelegde op de export van koffie en peper.

In de jaren tachtig duikt in overzichten van Indonesische conglomeraten de Dharmala Groep op. Suhargo heeft fortuin gemaakt en zijn activiteiten uitgebreid naar de bouw, vastgoed, import van zware machines, bosbouw en het bankwezen. Go's belangrijkste geldschieter was de door etnische Chinezen bestierde Bangkok Bank. Hij moest het, anders dan andere conglomeraten, eerder hebben van zijn regionale netwerk dan van Indonesische politieke connecties. De Dharmala Groep spreidde zijn risico en heeft ook belangen in China, Hongkong, de Filippijnen en Thailand.

Gondokusumo maakte de sprong naar het bank- en verzekeringswezen toen de Indonesische regering in 1988 besloot de kapitaalmarkt te liberaliseren. Tot die tijd moesten de talrijke staatsbedrijven hun tegoeden aanhouden bij staatsbanken, maar sinds 1988 hoefde dat niet meer en privé-bankiers kregen alle ruimte. Het werd conglomeraten bovendien heel gemakkelijk gemaakt hun eigen bank te beginnen door een heel lage kapitaliseringseis (10 miljard roepia, destijds 9 miljoen gulden) en het ontbreken van vaardigheidseisen. Een en ander ontketende een revolutie: in twee jaar tijd verdubbelde het aantal banken.

Gondokusumo groepeerde zijn vier kleine pasar-banken in 1989 in Bank Dharmala en reorganiseerde het conglomeraat. Onder de vleugels van een moedermaatschappij, Dharmala Intiutama (DI), werden alle dochters ondergebracht in divisies (financiën, vastgoed, distributie, landbouw en industrie), elk gecontroleerd door een holding. Het hoofdkwartier van de groep is Wisma Dharmala, een kantoorflat met 24 verdiepingen in het centrum van Jakarta. Tot hij zijn rijk overdroeg aan de volgende generatie, zetelde Suhargo op de bovenste etage, een oude man die Chinees en Indonesisch, maar geen woord Engels sprak.

In 1996 werd Suhargo's oudste zoon Suyanto, alias Go Twan Hian (jaargang 1956, in 1979 met een Amerikaans MBA op zak in de zaak gekomen) opperhoofd van de Dharmala Groep. Jongste zoon Trijono (Go Twan Seng) ging de PSP-groep leiden, waaronder Bank PSP. Het paste in het beeld van die jaren: iedere zakelijke groep zijn eigen bank. Was Suhargo een behoedzaam imperiumbouwer, voor de tweede generatie Go's was geen project te dol.

Voor de wildgroei in het bankwezen heeft het land een hoge prijs betaald. Om tegoeden aan te trekken werden de Indonesiërs, vanouds geen grote spaarders en voorzover vermogend tot 1988 eerder geneigd te bankieren in Singapore, gelokt met forse rentes over deposito's waardoor de Indonesische rentestand de hoogste was van heel Zuidoost-Azië. Krediet werd maar al te vaak verstrekt binnen de eigen groep en het toezicht van de nationale bank op de daarvoor geldende limieten schoot tekort. Bij het afsluiten van leningen werden activa regelmatig overgewaardeerd, een val waar ook het gretige buitenlandse bankwezen intuinde. De Indonesische economie groeide op vervaarlijk hoog krediet en in 1997, toen het elders in Azië misging, spatte de bel uiteen.

In november 1997 werden 16 Indonesische banken geliquideerd en in maart 1999 moesten er liefst 36 hun deuren sluiten, waaronder Bank Dharmala en Bank PSP. Hangende de afwikkeling van uitstaande schulden mochten 128 ondernemers en bankiers, onder wie Suyanto Gondokusumo, het land niet verlaten. De twee conglomeraten van de familie raakten in het nauw. Vanaf eind 1998 vroegen crediteuren voor de ene na de andere Dharmala- en PSP-dochter faillissement aan bij de nieuwe, onder de hoede van het IMF opgerichte handelsrechtbanken. In juni 2000 sprak de Handelskamer van Jakarta het faillissement uit van PT Dharmala Sakti Sejahtera (DSS), holding van Dharmala's financiële divisie en het vlaggenschip van de groep. Toen nam het drama een onverwachte wending.

DSS was in 1989 een joint venture aangegaan met Manulife Financial Corp., de oudste en grootste verzekeraar van Canada. Manulife had een belang van 51 procent in PT Asuransi Jiwa Manulife Indonesia (AJMI), dat uitgroeide tot de op drie na grootste verzekeringsmaatschappij van Indonesië. De Dharmala Groep had, via de holding DSS, 40 procent. In oktober vorig jaar gingen de AJMI-aandelen uit de failliete boedel van DSS in de verkoop. De bewindvoerder van DSS organiseerde een veiling onder regeringstoezicht, Manulife was de enige gegadigde en kocht de aandelen voor 18 miljoen dollar. De veilingopbrengst, bestemd voor de schuldeisers van DSS, waaronder het Openbare lichaam voor de sanering van het bankwezen (BPPN), werd geparkeerd op een speciale rekening.

Al voor de hamer was gevallen – per brief enkele dagen voor de veiling en vervolgens tijdens de rechtszitting – werd de openbare verkoping aangevochten door een advocaat die zei op te treden namens Roman Gold Assets Ltd.. Deze onbekende firma bleek geregistreerd te zijn op de Britse Maagdeneilanden en had volgens de raadsman de geveilde aandelen een week eerder voor 50 miljoen dollar gekocht van een bedrijf uit West-Samoa, dat ze weer zou hebben verworven van een in Hongkong geregistreerde onderneming, Harvest Hero International (HHI). HHI had volgens de raadsman van Roman Gold de bewuste 40 procent in AJMI al in 1996 overgenomen van DSS. De beweerde reeks aandelentransacties stond noch bij het orgaan van toezicht op het verzekeringswezen van het Indonesische ministerie van Financiën, noch in het aandelenregister van AJMI vermeld, en de rechter zag dan ook geen reden om de uitkomst van de veiling niet te bekrachtigen.

Toch deed Roman Gold aangifte wegens `vervalsing' van de geveilde AJMI-aandelen bij de – notoir corrupte – politie van Jakarta. Die pakte de vice-president van Manulife Indonesia en de bewindvoerder van DSS zonder formele tenlastelegging op en hield hen respectievelijk drie weken en een maand vast. De sterke arm liet beslag leggen op de rekening met de veilingopbrengst, zodat de schuldeisers van DSS nog geen cent hebben gezien. De Canadese staf van Manulife in Jakarta ontving dreigbrieven, die overtuigend genoeg waren om vrouwen en kinderen ijlings te doen uitwijken naar Singapore. Manulife's Indonesische manager werd pas vrijgelaten nadat de Canadese premier Jean Chrétien zijn zaak had bepleit in een brief aan president Wahid. Het politieonderzoek naar de vermeende aandelenvervalsing door Manulife is overigens nog steeds niet afgeblazen.

Intussen heeft de Handelskamer van Jakarta een nieuwe bewindvoerder aangesteld voor DSS, die is voorgedragen door Dharmala. Chris Bendl, topman van Manulife: ,,Het probleem is dat het in Indonesië ontbreekt aan sterke instellingen die het durven opnemen tegen Dharmala.'' Manulife is ervan overtuigd dat het hele scenario het werk is van Suyanto Gondokusumo.

Er bestaat enige grond voor deze verdenking. Suyanto is goed bevriend met ene Lucas (35), een etnisch-Chinese procesadvocaat uit Makassar, die geldt als specialist in het oprichten van brievenbusfirma's. Lucas trad op als advocaat voor enkele Dharmala-dochters en is bewindvoerder voor het eveneens failliet PSP, de tweede groep van de familie Gondokusumo. Lucas is ook raadsman van Panca Overseas Finance (POF), een andere onwillige Indonesische schuldenaar. Grootste schuldeiser van POF is de International Finance Corporation (IFC), een lid van de Wereldbank Groep die financiering verzorgt voor bedrijven in ontwikkelingslanden. Toen de IFC vorig jaar faillissement aanvroeg voor POF, kreeg deze dubieuze debiteur plotseling een nieuwe lening op onwaarschijnlijk zachte voorwaarden van een gezelschap onbekende crediteuren. Dat werd aangevoerd door... Hero Harvest International, hetzelfde HHI dat nu poseert als eerste koper van Dharmala's aandelen in verzekeraar AJMI. Deze kennelijk fictieve crediteuren hielpen POF uit de brand door akkoord te gaan met een voor de, aldus sterk vergrote, groep schuldeisers opmerkelijk ongunstig herstructureringsplan. De IFC had het nakijken.

Het IMF en het internationale bedrijfsleven beschouwen beide zaken, POF en Manulife, als een toetssteen voor de rechtszekerheid van investeerders in Indonesië, dat voor economisch herstel is aangewezen op buitenlands kapitaal. Dat Manulife gechanteerd wordt, bleek wel toen de firma onlangs in Singapore werd benaderd door iemand die zei namens Roman Gold Assets te spreken en 40 miljoen dollar vroeg om de beschuldiging van aandelenvervalsing in te trekken. De Canadese verzekeraar heeft processen aangespannen in Singapore en Hongkong tegen de vermeende kopers van de AJMI-aandelen.

De BPPN, de grootste Indonesische crediteur van de Gondokusumo's, is van mening dat de familie de Indonesische staat heeft opgelicht. Een reeks Dharmala-dochters is intussen bankroet verklaard en een groep Japanse banken heeft onlangs faillissement aangevraagd voor moedermaatschappij PT Dharmala Intiutama. Niettemin beschikken de Gondokusumo's nog over een aanzienlijk vermogen in Singapore en Hongkong. De BPPN heeft eind december een Jakartaanse rechtbank gevraagd een vijftal Go's te gijzelen. De Indonesische superminister van Economische Zaken, Rizal Ramli, die aanvankelijk verzuchtte dat de Manulife-zaak ,,te groot'' voor hem was, heeft het openbaar ministerie inmiddels verzocht Suyanto aan de tand te voelen, maar die lijkt, samen met vader, broers en neven, van de aardbodem verdwenen.

Het is achteraf bezien extra pijnlijk dat president Wahid medio vorig jaar het besluit van zijn toenmalige minister van Financiën om onwillige debiteuren als Suyanto te verbieden het land te verlaten, heeft ingetrokken. Wahid beschouwt de conglomeraten als onmisbare steunpilaren van de Indonesische economie en heeft zijn hoop gevestigd op de terugkeer van uitgeweken Chinese tycoons. In februari vorig jaar, toen het reisverbod nog van kracht was, maakte Suyanto deel uit van de groep zakenlieden die Wahid vergezelde naar een aantal Europese hoofdsteden, waaronder Den Haag.