Beschavingsoffensief van `woningopzichteressen'

Gisteren opende in Rotterdam een expositie over honderd jaar Woningwet. Zelden had een wet zoveel invloed. Goedkope, deugdelijke woningen voor het volk.

Arbeiders woonden in donkere kelderwoningen zonder stromend water. Ongedierte, tocht, grote gezinnen in kleine ruimtes. ,,De leeuwen en beren in Artis zijn beter gehuisvest dan de mensen'', schreef de Amsterdamse pers.

De liberale minister Goeman Borgesius, zoon van een arts, was ook bang voor het uitbreken van besmettelijke ziektes. Hij was een van de initiatiefnemers van de Woningwet, die in 1901 werd aanvaard door de Tweede Kamer. De kern: strenge eisen aan te bouwen woningen, geld voor woningcorporaties om deugdelijke huizen te bouwen en het aan banden leggen van particuliere huisjesmelkers. Huisvesting werd een verantwoordelijkheid van de overheid.

De Woningwet was ook een ,,beschavingsoffensief'', zegt Joost Gasseling van de Stedelijke Woningdienst in Amsterdam. Speciaal opgeleide `woningopzichteressen' kwamen langs om huurders te leren huur te betalen, hun huis schoon te houden, zichzelf te verzorgen, niet aan de drank te raken. ,,Heel bevoogdend. Gedroeg je je niet, dan werd je op straat gezet.'' Architecten werden ingezet om het lezen te bevorderen. ,,Hoge vensterbanken. Dan konden mensen niet uit het raam hangen, maar er wel een leestafel onder zetten.''

De bedstee verdwijnt, de keuken wordt groter, er wordt niet meer in de huiskamer geslapen. Vooral na de Eerste Wereldoorlog gaat veel geld naar betere en grotere woningen. Elk dorp krijgt zijn eigen corporatie en elke stad meerdere corporaties, gelieerd aan de langs godsdienstige scheidslijnen georganiseerde zuilen. Geïnspireerde wethouders bouwen met vooruitstrevende architecten nieuwe wijken, waarvan sommige nog steeds geslaagde voorbeelden van stedelijke vernieuwing zijn, zoals het Plan-Zuid in Amsterdam (Berlage) en de Eendracht in Rotterdam (Van der Broek).

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de Woningwet hét vehikel voor de wederopbouw van Nederland. Corporaties kregen meer bouwgrond en nog veel meer geld. ,,Tientallen miljarden'', zegt Gasseling. Er moest snel gebouwd worden. De woningnood was inmiddels ,,volksvijand nummer één'', zegt Harm Grünhagen, die bijdroeg aan een boek over de hoogtepunten van honderd jaar Woningwet. Kwantiteit ging even boven kwaliteit. ,,Achteraf kun je zeggen dat er toen te klein is gebouwd'', zegt Grünhagen. De Amsterdamse tuinsteden zijn nu vervallen en worden grootschalig vernieuwd. De Bijlmer is hét voorbeeld van een andere inschattingsfout: dat wonen, werken en recreëren succesvol gescheiden konden worden.

Bij het eeuwfeest van de Woningwet is er ook twijfel over de strakke regels en uniforme eisen aan woningen. Er zijn meer alleenstaanden en meer allochtonen met grote gezinnen gekomen. ,,Daar wordt nog nauwelijks rekening mee gehouden'', zegt Gasseling. Het individu heeft weinig te kiezen. Staatssecretaris Remkes heeft aangekondigd dat te willen veranderen in een nieuwe wet. Maar die wet zal niet zo'n impact hebben als de Woningwet uit 1901, zegt Gasseling.