Veeziekten te belangrijk om aan deskundigen over te laten

De mond- en klauwzeercrisis is niet alleen een crisis van de landbouw alleen, stelt A.J. van Noordwijk. Daarom moeten ook anderen dan de landbouwdeskundigen zich met de oplossing bezighouden.

We zien op dit moment dat het non-vaccinatiebeleid voor mond- en klauwzeer gevolgen heeft ver buiten de landbouw. Zo heeft het afsluiten van agrarische- en natuurgebieden grote consequenties voor het toerisme, maar bijvoorbeeld ook voor het verzamelen van gegevens om het natuur- en milieubeleid te evalueren. Door de afsluiting van gebieden kunnen de tellers van vogels, andere dieren en planten hun (onbetaalde) werk niet doen.

Zoals we nu te werk gaan, laten we belangrijke elementen van ons milieubeleid, net als vele andere niet-agrarische sectoren van de samenleving bepalen door landbouweconomen en een groepje deskundigen op het gebied van veeziekten. De minister van Landbouw is de belangrijkste uitvoerder van het beleid om mond- en klauwzeer te bestrijden. Hij zit gevangen tussen de kwade aspecten van het beleid van preventieve ruimingen en een dreigend failliet gaan van de Nederlandse veehouderij bij verlies van het etiket MKZ-vrij. Hij wordt daarbij natuurlijk geadviseerd door deskundigen op het gebied van veeziekten en landbouweconomen.

In deze benadering ligt een grote tragiek besloten. In rekensommen over het aantal koeien (schapen, varkens, vul maar in) maal de gemiddelde opbrengst min de gemiddelde kosten is geen plaats voor de waarde van diversiteit. Maar de ene koe is de andere niet. Er is een enorm verschil tussen een kalvermesterij waar geregeld dieren binnenkomen en weer weggaan en de veestapel van een melkveehouder die generatie op generatie uitgezocht heeft welke dieren het heel goed doen onder de omstandigheden van die specifieke boerderij. Het is niet mogelijk om een discussie over verduurzaming van de landbouw uit te stellen tot na de crisis, wanneer het basiskapitaal preventief geruimd is. Want dat gebeurt nu: als gevolg van het `beleid' wordt op diverse plekken de basis van een productieve duurzame landbouw met optimaal aan de lokale omstandigheden aangepaste dieren om zeep geholpen.

In Nederland is de minister van Landbouw ook minister van Natuurbeheer. Het zou de minister van Natuurbeheer geenszins misstaan een aanklacht tegen zijn collega van Landbouw in te dienen vanwege de grove miskenning vanhet belang van het behoud van genetische diversiteit in landbouwhuis- en andere dieren.

Wellicht zou de minister van Landbouw antwoordden dat het MKZ-virus geen onderscheid maakt tussen soorten en rassen. Dat is echter maar helemaal de vraag. Een van de belangrijkste, zo niet hét belangrijkste middel om het gebruik van pesticiden terug te dringen is het resistent maken tegen ziekten. In het verleden gold dat ook voor MKZ toen de ziekte kon uitzieken en alleen de ergst getroffen dieren werden afgemaakt. Daarna gingen we enten en werd selectie op resistentie gestopt. De grootste kans op het vinden van resistentiegenen tegen MKZ vinden we in oude rassen die niet excessief op productie-eigenschappen zijn geselecteerd. Dezelfde rassen die nu akelig bedreigd worden of dat heel snel zullen gaan worden door het beleid van selectief ruimen.

De minister van Landbouw betrekt op dit moment uitdrukkelijk de landbouworganisaties bij het maken van een belangrijke keuze. Dat is goed,maar ook veel te beperkt. De voorliggende keuze in de afgesloten driehoek heeft ook miljardenconsequenties buiten de agrarische sector. Zelfs als alle gevolg-kosten door landbouw betaald worden, moeten ook niet agrarische sectoren meedenken en meepraten over het te voeren beleid. Veeziekten zijn te belangrijk om aan de deskundigen over te laten.

Prof. dr. A.J. van Noordwijk is als oecoloog en populatie-geneticus werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek van de KNAW te Heteren.

    • A.J. van Noordwijk