Potsierlijke regie van minder stuk van Edward Albee

Twee opgezette kraaien kijken voor zich uit en in een nis staat een glanzend doodshoofd. Kleine Alice lijkt op een spookhuis, ook omdat het donker is op het toneel. Uit die schemering komt een krom wijfje gekropen, een zwarte heks met een krassende stem.

Maar zodra zij haar rug recht, verandert de heks in een zinnelijk vrouwmens: juffrouw Alice is blond en wulps en één en al rijp verlangen. Arme Julian. In opdracht van de kardinaal moet hij de rijke juffrouw voor de kerk winnen en ach jee, zij leidt hem in verzoeking. Julian, de ongerepte jongeman, de vrome lekenbroeder, ontdekt de aardse liefde.

Edward Albee schreef Tiny Alice in 1964 en hij noemde zijn trip, pardon, zijn drama, een metafysisch droomspel. Ook in de enscenering van Victor Löw verwijst alles naar een andere werkelijkheid. In het spookhuis bevindt zich nòg een spookhuis, een houten maquette. En in die maquette, beweren de personages, bevindt zich nòg een maquette: een afbeelding in een afbeelding in een afbeelding, het Droste-effect, precies. Alleen intrigeert het cacaoblik meer dan de voorstelling.

Löws poging om het liefdesverhaaltje een allegorische dimensie te geven maakt een geforceerde indruk. Zo kwistig strooit hij rond met symbolen dat niet alleen de lekenbroeder maar ook de regisseur er hopeloos in verdwaalt. Er is doodssymboliek en katholieke symboliek en hocuspocussymboliek en een navenante overdaad aan stijlen. Zij variëren van kluchtig tot en met loodzwaar en ze komen nooit bij elkaar.

Kluchtig bijvoorbeeld zijn de scènes met de kardinaal. Zijn commerciële bedoelingen komen al gauw aan het licht, maar voor een houtsnijdende kritiek op kerk en kapitaal ontbreekt zowel de scherpte als het doorzettingsvermogen: in de loop van de avond verwatert de kardinaal, gespeeld door Carol Linssen, tot een senielerig oudje van wie we niets meer te vrezen hebben. Loodzwaar en evenmin consistent is het gedoe om Alice. Alice (Mirjam Kiljan) heet `klein', omdat we ons moeten voorstellen dat ze zelfs in de maquette van de maquette leeft. Ze is dus tevens groot, want alomtegenwoordig. ,,Dit wezen'', legt het Nationale Toneel in het programmaboekje uit, ,,is oppermachtig en te vergelijken met God.'' Maar waarom laat God dan zo met zich sollen? Waarom is Alice als was in de handen van Julians rivaal, een duistere advocaat?

Trouwens, mij ontgaat de zin van de bezetting van deze rol met een vrouw. Dat Josée Ruiter in haar stoere smoking lesbische associaties oproept heeft, dacht ik, weinig te maken met het dienen van Albees parabel en veel met effectbejag. Op effect uit is ook Vincent Croiset als de lekenbroeder. Vooral na de pauze vervalt hij in gebral, waardoor je de subtielere momenten van zijn performance vergeet.

Victor Löw, van huis uit acteur, is een Albee-kenner. Hij liet zich door de auteur himself regisseren, niet in diens beroemste stuk Who's afraid of Virginia Woolf maar wel in het even goed schokkende drama Zoo Story. Kleine Alice is een van de mindere stukken van de Amerikaanse meester en Löw met zijn verbeten hang naar schokeffecten maakt van de toch al onheldere tekst een warrige en potsierlijke vertoning.

Voorstelling: Kleine Alice door het Nationale Toneel. Tekst: Edward Albee. Regie: Victor Löw. Gezien: 7/4 Theater aan het Spui, Den Haag. Daar t/m 5/5. Inl 070-3181444 of www.nationaletoneel.nl.

    • Anneriek de Jong