Kok verbreekt politieke stilte over Europa

Begin december spraken de regeringsleiders van de EU in Nice af in hun landen een debat over de toekomst van het verenigde Europa te voeren. Hierbij moet een federaal Europa centraal staan, vindt Paul Kapteyn.

Premier Kok wil een ,,urgent debat met passie en verstand'' over de toekomst van de Europese Unie voeren. In zijn `Nijenrode-lezing' sprak hij onlangs zelfs van ,,de droom van een werkelijk ongedeeld en eensgezind Europa'' die het richtsnoer zou moeten zijn voor een brede maatschappelijke discussie (NRC Handelsblad, 29 maart). Dat is andere taal dan de onderkoelde termen waarmee hijzelf en andere politici de Europese integratie jarenlang behandelden als een technisch-bureaucratisch proces.

Dat laatste was niet terecht. De EU vormt de belangrijkste arena van het politieke handelen, althans in aanleg. Dat geldt voor Nederland en alle andere lidstaten waarvan de nationale schaal te klein is geworden voor effectief beleid. Dat komt mede door de Unie zelf waarin staten hun soevereiniteit `delen' en dus wederzijds inperken, ook al blijft die soevereiniteit formeel in tact door het nationale vetorecht in alle belangrijke zaken. Tot deze inperking besloten de betrokken staten. Maar wat ze niet besloten, was om deze Unie zelf een eigen, supranationaal gezag te geven – al vormen het Europese Gerechtshof en de Europese Centrale Bank daartoe een ambtelijke aanzet. Dat is het probleem waarnaar Kok verwijst.

Dat onvermogen is begrijpelijk. Staten zijn als oude stamhoofden, trots en gevoelig voor hun eer. Dat soort types weigert een gezag boven zichzelf aan te stellen, en de vraag zelf wordt als een belediging ervaren. Europa is zodoende een beklagenswaardige figuur, met één been op de wal van een supranationaal gezag en met het andere been op het schip van de nationale autonomie dat langzaam wegdrijft. Wat zal hij doen. Stapt hij terug in het schip, waagt hij de sprong naar de wal, of valt hij in het water?

Deze Europese spagaat is de betrokken stamhoofden bekend. Maar ze zwijgen en verkiezen kennelijk de pijn die toeneemt boven het enige medicijn dat werkelijk helpt: overdracht van soevereine rechten aan een Europees politiek gezag. In plaats daarvan wringen zij zich in allerlei taalkundige bochten waarin woorden als `verenigd', `Europa' en `staten' steeds van volgorde veranderen, maar de oplossing zelf durven ze niet aan.

Die angst is reëel. Overdracht van soevereiniteit versterkt nationale ressentimenten en verzwakt de positie van de regeringsleiders, die daar zelf toe moeten besluiten. Toch is dit geen afdoende reden om te zwijgen en Europa af te doen als `de gewone gang van zaken' die geen nadere discussie behoeft. Zo'n houding van `kop in het zand' vormt het eigenlijke gevaar voor de Europese eenwording.

De Europese integratie met zijn markt en munt, maar zonder een eigen staat te zijn, is een groot experiment dat goed maar ook slecht kan aflopen. Stel dat het misgaat met de monetaire politiek, met de immigratie, met de criminaliteit, met de collectieve voortzieningen, dan gaat het dubbel mis. Er is een probleem èn het beleid dat daartoe heeft geleid ontbeert democratische legitimatie – de slachtoffers voelen zich met recht bedrogen.

En zie daar, het is zo ver. De politieke stilte wordt verbroken. Daartoe riep het Verdrag van Nice reeds op. Maar eerdere verdragen deden hetzelfde, zodat iets anders de premier tot spreken brengt: de grote dierenziekte. Kok wil een fundamenteel debat en hij wil een Europese constitutie. Dat kan eigenlijk maar één ding betekenen. Hij wil overdracht van soevereine rechten aan een Europese regering die autonoom is op bepaalde beleidsterreinen. Die regering wordt gecontroleerd door een rechtstreeks gekozen Europees parlement en door een Europese senaat die – zoals hij suggereert – indirect wordt gekozen door de nationale parlementen.

Deze gedachten zijn niet nieuw. Ze dragen, in vele varianten, het federale stempel. Dat stempel is terecht omdat die Europese regering weliswaar autonoom is, maar slechts op beleidsterreinen die de lidstaten gezamenlijk hebben vastgelegd. Duitslands Groene minister van Buitenlandse Zaken, Fischer, komt de eer toe de federaliserende gedachten recentelijk te hebben opgepoetst. Kok noemt hem, en al neemt hij afstand door Fischers plan als een bescherming voor te stellen van de Duitse deelstaten tegen `Brussel', van meer gewicht is dat beiden voor een meer autonome, federale Unie zijn. In Nederland ijveren GroenLinkse politici al geruime tijd voor deze federalisering. Ze stonden daarin alleen, althans in de Haagse politiek, totdat Kok zich bij hen aansloot.

Kok lijkt in deze nieuwe rol het meest op de sociaal-democraten in het Europees Parlement. Dit collectief publiceerde onlangs een manifest over `Het nieuwe federalisme'. Deze verklaring tocht helaas door de vele open deuren over het Europa dat `dichter bij de burger' moet, en andere vaagheden. Toch staan er serieuze voornemens vermeld die federaal van richting zijn. Dat is allereerst een Europese regering waartoe de Europese Commissie moet worden omgebouwd; vervolgens de opsomming van een aantal belangrijke beleidsterreinen voor deze regering; en ten slotte het voorstel om met de 12 eurolanden aan deze federalisering te beginnen.

Aparte vermelding verdient de positie in dit plan van de huidige Raad van Ministers of regeringsleiders die tot een Europese senaat kan worden omgesmeed waarbij – anders dan Kok suggereert – de nationale `last en ruggespraak' blijft behouden. Het is de vraag of deze buiging voor de lidstaten verstandig is, omdat het de zwakke bestuurskracht continueert.

Een ander heikel onderwerp zijn de beleidsterreinen waar de Europese regering autonoom zal zijn. Hier zijn de sociaal-democraten rijkelijk ambitieus. Ze claimen onder meer `externe betrekkingen' – en dat betekent ook defensie - en de internationale criminaliteitsbestrijding voor het Europees domein. Er zijn meer verschillen tussen wat in feite varianten zijn van een en hetzelfde: een ontwerp voor een federaal Europa dat zich een weg baant, niet alleen bij idealisten, intellectuelen of andere buitenstaanders, maar nu ook bij realisten, bij politici en hun partijen. Het recentste voorbeeld is de Duitse president Rau, die op 4 april voor het Europarlement soortgelijke gedachten ontvouwde.

De grote vraag ligt voor de hand. Wordt dit ontwerp – welke vorm dit ook krijgt – opgenomen in de komende verkiezingsprogramma's, en een nieuw regeerakkoord? Kok wil wel, anders had hij niet gesproken. Het is dus tijd het federale ontwerp in brede kring te wegen, voordat het tot inzet wordt bij de nationale parlementsverkiezing.

Paul Kapteyn is vice-voorzitter van de Vereniging Democratisch Europa. Deze vereniging houdt morgenavond in Felix Meritis in Amsterdam een debat over een federaal Europa. Een dag later heeft onder leiding van staatssecretaris Benschop op dezelfde plaats een discussie plaats over Europa's toekomst.

als oude stamhoofden

    • Paul Kapteyn