Debat euthanasie formaliteit

De stemming over het wetsvoorstel euthanasie in de Eerste Kamer morgen, is een formaliteit. Een ruime meerderheid steunt het voorstel.

Een ruime meerderheid in de Eerste Kamer steunt het wetsvoorstel dat euthanasie en hulp bij zelfdoding onder een aantal voorwaarden legitimeert. De stemming, morgen, is daarmee nog maar een formaliteit: de uitslag staat aan het begin van het plenaire debat, vanavond en morgen, al vast. De senaat bezorgt Nederland daarmee als een van de eerste landen in de wereld een wettelijke regeling voor deze ingrepen bij het levenseinde.

De wet legt een in de afgelopen jaren gegroeide praktijk in regels vast. Euthanasie en hulp bij zelfdoding blijven een in het wetboek van strafrecht vastgelegd misdrijf, maar de behandelende arts wordt op voorhand gevrijwaard van strafvervolging. Als hij tenminste voldoet aan een aantal voorwaarden, zoals het melden aan de lijkschouwer en het raadplegen van ten minste één andere, onafhankelijke arts. Doet de arts dit niet, dan kan hem als straf maximaal twaalf jaar (bij euthanasie) of drie jaar gevangenis (bij hulp bij zelfdoding) of een boete worden opgelegd.

Voor sommigen is het wetsvoorstel, dat voorziet in toetsing door een onafhankelijke commissie met een medicus als een van de leden, een juridisch monstrum, zo bleek in november bij de behandeling in de Tweede Kamer. Plegers van een misdrijf ontkomen op basis van een eigen, niet door justitie getoetste verklaring aan strafvervolging, zo betoogden de christelijke fracties in dat debat. Het is een argument dat door deze partijen ook is gehanteerd bij de schriftelijke voorbereiding van het debat in de senaat. Voor het CDA is het reden om tegen te stemmen, iets wat de andere christelijke fracties op grond van hun levensovertuiging om principiële redenen toch al zouden doen.

De ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie) weten zich dan wel al van de steun van de senaat verzekerd, het zal voor hen toch geen eenvoudig debat worden. Bijna alle fracties hebben op onderdelen van het wetsvoorstel (soms stevige) kritiek.

Zo moeten de ministers nog eens uitleggen waarom zij denken dat artsen na invoering van de wet minder valsheid in geschrifte zullen plegen en dus vaker euthanasie of hulp bij zelfdoding gaan melden, een van de oogmerken van de wet. De (voorlopige) cijfers laten alleen maar een daling van het aantal meldingen zien, zo moeten de minister toegeven (zo'n 2.300 in 1998, 2.216 in 1999 en waarschijnlijk 2.124 in 2000) hoewel er nu al meer dan twee jaar met de al eerder genoemde toetsingscommissies wordt gewerkt. Het werkelijke aantal euthanasie-gevallen en hulp bij zelfdoding wordt geschat op vijfduizend per jaar.

Een deel van het debat zal zeker ook gaan over de vraag waar de grens ligt tussen de persoonlijke vrijheid om te beslissen over het actief bekorten van de laatste levensfase, en waar de verantwoordelijkheid van de overheid. Een deel van de Eerste Kamer meent dat de overheid geen mening hoort te hebben over de motieven van iemand die daarvoor kiest. Maar de ministers willen, gezien ook de criteria die ze hanteren voor de strafvrijwaring, wel degelijk een vinger aan de pols houden.

Volgens hen kan er `nooit sprake zijn van het recht op zelfbeschikking' door de patiënt. In feite maakt het wetsvoorstel de patiënt die dood wil ondergeschikt aan de arts. Het regelt de omgang van de arts met de stervenswens van de patiënt. Maar beschermt de patiënt minder tegen het handelen van de arts dan wordt beoogd want de arts die tegen de wens van de patiënt ingaat zal dat zeker niet melden bij de lijkschouwer.

Wil de vrijheid van de patiënt meer gestalte krijgen, dan zal de nadruk moeten komen liggen op hulp bij zelfdoding, zo betoogde onlangs de advocaat en specialist in euthanasiezaken Sutorius tijdens een studiedag in Amersfoort over de nieuwe wet. Het ontlast de arts van de noodzaak om de `tegennatuurlijke' handeling te verrichten. Het is ook het officiële beleid van de overkoepelende artsenorganisatie KNMG dat de patiënt zelf de levensbeëindigende handeling verricht. In de praktijk blijkt van de meldingen bij de lijkschouwer nog geen tien procent hulp bij zelfdoding te betreffen.

Hoewel dat hun geweten zou kunnen ontlasten zien artsen, aldus Sutorius, vaak van die hulp af omdat ze er geen vertrouwen in hebben dat de patiënt `er geen rommeltje van maakt' dat ze daarna moeten opruimen. Hem was gebleken dat daarom artsen vaker dan nodig kiezen voor euthanasie. Maar misschien moet het debat over de rol van de arts wat ruimer worden getrokken en zou de discussie meer moeten gaan over het al dan niet afzien van medisch handelen. Het zou, zo valt in kringen van artsen te beluisteren, de vraag om euthanasie of hulp bij zelfdoding fors kunnen verminderen.

    • Quirien van Koolwijk