De Vriend stelt met stijlmix de Matthäus bij

De bekende lampenfabriek uit het zuiden des lands manifesteert zich op vele wijzen. Zondagmiddag sprak ex-Philipstopman Timmer als president-commissaris van de Nederlandse Spoorwegen in het tv-programma Buitenhof over de stakingen bij de treinen. Als PSV versloeg Philips dezelfde middag Ajax in de Amsterdamse Arena. En ondertussen zong in Eindhoven het Philips Philharmonisch Koor de Matthäus Passion in het Muziekcentrum Frits Philips.

Interessant aan die Matthäus Passion, begeleid door het goed spelende Brabants Orkest, was vooral dirigent Jan Willem de Vriend, die twee jaar geleden ook al de Eindhovense Matthäus leidde. De Vriend is artistiek leider, concertmeester en dirigent van het Combattimento Consort. Het is een gezelschap dat met veel succes op moderne instrumenten de verworvenheden van de `authentieke' muziekpraktijk uitdraagt, net zoals Nikolaus Harnoncourt in de Matthäus Passion en ander repertoire bij het Concertgebouworkest. Ook in zijn belangstelling voor theatraliteit lijkt De Vriend op Harnoncourt. De Vriend begeleidde verschillende operavoorstellingen en hij dirigeert in juni bij het Brabants Orkest een aantal concertante uitvoeringen van Strauss' Die Fledermaus, de operette die Harnoncourt en het Concertgebouworkest in 1987 in het Amsterdamse Muziektheater brachten.

De Eindhovense Matthäus Passion van De Vriend, die het werk eerder deze maand ook met zijn eigen Combattimento Consort uitvoerde, is in veel opzichten nauwelijks nog een compromis tussen modern en `authentiek'. Met een modern orkest, een groot amateurkoor en een solistensextet zonder countertenor is de instrumentale en vocale bezetting weer vrijwel terug bij Mengelberg. Wel handhaaft De Vriend de optische en functionele scheiding van de twee koren en de twee orkesten en laat hij de solisten daartussen switchen.

Omdat De Vriend zulke nu bijna ouderwetse middelen niet schuwt, treedt hij op geheel eigen wijze in de voetsporen van Frans Brüggen en Ton Koopman, een oudere generatie Nederlandse `authentieke' dirigenten, die – anders dan Gustav Leonhardt – al eerder niet meer vasthield aan de strengste en puurste vormen van de `authentieke' muziekpraktijk.

De Matthäus Passion van De Vriend is een wonderlijke mix van allerlei stijlen en opvattingen. Op het podium staan twee kleine orgels en ook klinken twee blokfluiten. Maar verder is er weinig exotisch instrumentarium. De eigenzinnig klinkende oboi da caccia ontbreken, ze worden vervangen door althobo's.

Nog opvallender is de afwezigheid van de viola da gamba, de zo lastig bespeelbare zessnarige `cello' met de hoogst eigen klank. De tenor-aria Geduld, goed gezongen door Marcel Reijans, wordt nu begeleid door een cello, die via een pregnant sforzato toch nog een beetje klinkt als een cello. Maar het levenswerk van de vorig jaar overleden cellist Carel van Leeuwen-Boomkamp, die de gamba in ons land herintroduceerde, wordt hier terzijde geschoven.

De andere gamba-partij, in de bas-aria Komm süsses Kreuz, wordt overgenomen door een theorbe, een langhalsluit, die Bach hier in een vroege versie van de Matthäus nog had ingezet. Anders dan de zwaar steunende en moeizaam wringende gamba-begeleiding illustreert het lichte elegante luitgepinkel de tekst heel anders dan gebruikelijk. Niet het zware dragen van het kruis wordt benadrukt, maar Jezus' hulp bij het verlichten van die last. Beeldend is het in ieder geval, zoals altijd bij Bach.

Het grote Philipskoor met bijna honderd leden heeft aan begin en eind van het eerste deel het nadeel dat de 31 jongetjes van de Schola Cantorum van de Bossche St. Jan in hun cantus firmus-partij nauwelijks meer zijn te horen. Maar verder probeert De Vriend juist zoveel mogelijk dramatisch voordeel te putten uit de grote bezetting, ook al kan dat niet altijd even subtiel.

Het voor het koor altijd dankbare Sind Blitze, sind Donner is dan ook erg besteed aan De Vriend, die de juiste dramatische aandacht geeft aan die plotse omineuze stilte, de spannendste maat die Bach ooit schreef, waarin de tekst zich letterlijk van boven naar beneden stort: van de bliksemende hemel naar de vurige afgrond van de hel.

Ook het `Barrabam!' klinkt bijna ouderwets massaal, net als her en der de koralen die krachtig getuigen van een sterk geloof: alsof een organist het volle werk inzet. Dramatisch is ook de felle inzet van het Lasst ihn kreuzigen na het door Hieke Meppelink fraai en strak gezongen Aus Liebe, groots en wijds ook de koorzang in het Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen.

Te veel compromis bestaat in de dramatiek bij de solisten. Tom Allen is een soms wat kwezelige Evangelist, die zich ondanks een aantal felle uithalen meer professioneel dan persoonlijk bij het lijden van Christus betrokken lijkt te voelen. Tom Sol – met een voor de Christus-partij wat lichte stem – geeft daaraan met tal van accenten het volle gewicht. Hij is soms erg boos en verwijtend, zelden werd het `schwach' zo sterk benadrukt in `Der Geist ist willig, aber das Fleisch ist schwach'. De alt Christa Pfeiler zingt wel erg verinnerlijkt, al geven haar aria's daar ook aanleiding toe. De bas Maarten Koningsberger is met zijn inzet en detaillering als altijd een ideale Matthäus-zanger.

De Vriends drama gaat terecht soms ten koste van perfectie en esthetiek, maar hindert elders helaas de ontroering. Het slotkoor Wir setzen uns mit Tränen nieder klinkt wat onbehouwen snel en luid, ondanks De Vriends pogingen tot nuancering van de dynamiek. Met een totaallengte van 2 uur en 38 minuten, was dit ook een van de kortste uitvoeringen van een Matthäus die ik ooit hoorde.

Concert: Matthäus Passion van J.S. Bach door solisten, Brabants Orkest, Philips Philharmonisch Koor en jongenskoor Schola Cantorum St. Jan o.l.v. Jan Willem de Vriend. Gehoord: 8/4 Muziekcentrum Frits Philips Eindhoven.

    • Kasper Jansen