Vrouwen armer dan Eurozusters

Nederlandse vrouwen werken langer en verdienen minder dan mannen. En ze hebben ook nog minder vrije dagen. Andere Europese vrouwen zijn beter af. Het poldermodel helpt niet.

Vrouwen die in de zorg gaan werken wegens de aantrekkelijke 36-urige werkweek, komen bedrogen uit. Hun korte werkweek moeten ze bezuren met minder vakantie- en ADV-dagen. Daardoor werken ze jaarlijks twee uur meer dan mannen, ook al hebben mannen gemiddeld een langere werkweek, zo leren nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Mannen hebben 25,4 vakantiedagen, vrouwen 24,7. Mannen krijgen 6,9 ADV-dagen, vrouwen maar 3,7. Juist in de `mannensectoren', zoals de bouw, de metaalsector en de chemische industrie, zijn veel ADV-dagen in de CAO's opgenomen. In de zorgsector, waar veel vrouwen werken, is arbeidsduurverkorting (ADV) een marginaal verschijnsel.

Je zou zeggen, als ze langer werken, verdienen vrouwen meer dan mannen. Maar het uurloon van fulltime werkende vrouwen is 77 procent van dat van mannen (28 versus 36 gulden). De verschillen in het gemiddelde inkomen zijn nog veel groter. Werkende vrouwen verdienen 56 procent van wat mannen verdienen. Dat komt deels doordat veel vrouwen in deeltijd werken (67 procent tegen 10 procent van de mannen). Daarmee ligt Nederland op kop in Europa, waar gemiddeld maar 30 procent van de vrouwen parttime werkt.

Of het nu komt door het gebrek aan kinderopvang of door een bewuste keuze van Nederlandse vrouwen om niet of parttime te werken, het staat hoe dan ook hun economische onafhankelijkheid in de weg. En als niet-werkende vrouwen worden meegerekend, valt hun gemiddelde inkomen naar verhouding nog lager uit.

Elders in de Europese Unie is de economische positie van vrouwen sterker. Gemiddeld is het inkomen van vrouwen er 79 procent van dat van mannen. In Noorwegen (geen lid van de EU) zijn de inkomensverschillen tussen de seksen het kleinst. Het inkomen van vrouwen is er 86 procent van de verdiensten van mannen. Dat blijkt uit een jaaroverzicht over 2000 van de Europese Industrial Relations Monitory (EIRO), een onderdeel van de Europese Stichting tot verbetering van levens- en arbeidsomstandigheden in Dublin. De stichting, die statistische gegevens van de lidstaten verzamelt en analyseert, presenteerde onlangs haar jongste cijfers en website (www.eurofound.ie) aan de Europese pers.

Hoe komt het dat Nederlandse vrouwen economisch achterblijven, zowel bij mannen als bij hun Eurozusters? Omdat ze zich, met hun deeltijdbanen, te weinig als mannen gedragen. In Scandinavië, zegt de Maastrichtse hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot, is de arbeidsparticipatie van vrouwen groter dan in Nederland. De kinderopvang is er beter geregeld, en de morele afkeuring van werkende moeders is er van oudsher minder sterk. Daardoor zijn er in Scandinavië meer (fulltime) werkende vrouwen.

Toch blijven er economische verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan. Dat komt door het `glazen plafond', aldus Groot, het algemene verschijnsel dat vrouwen moeilijker doordringen tot hoge posities. De verschillen hebben óók te maken met de beroepskeuze: mannen kiezen vaak economisch-administratieve en technische vakken, waarmee ze in de marktsector belanden. Vrouwen werken veelal in de collectieve sector. En tussen de sectoren zijn de verschillen aanzienlijk. Uit het rapport van de commissie Van Rijn bleek onlangs dat de overheid als werkgever fors achterblijft in beloning bij de marktsector.

Dan is er nog de zogenoemde loonruimte, de onderhandelingsruimte die vakbonden hebben om loonsverhoging en secundaire arbeidsvoorwaarden voor hun leden binnen te halen. In de typische vrouwenberoepen, zegt Groot, wordt de loonruimte vaak opgesoupeerd door kinderopvang. Want het is meestal de werkgever van de vrouw die de kinderopvang vergoedt. Mannen maken van de gelegenheid gebruik om hun loonruimte om te zetten in klinkende munt, een lease-auto of opties.

En in de loop der jaren is de seksesegregatie minder geworden. In de verpleging werken meer en meer mannen. De Groot: ,,Dat heeft voor vrouwen niet altijd gunstig uitgepakt. De hoofdzuster is tegenwoordig een man, en het hoofd van de basisschool, vaak een man, heeft de vroegere hoofdleidster van de kleuterschool verdrongen.''

Wellicht speelt ook mee dat vrouwen bij loononderhandelingen slecht vertegenwoordigd zijn. Slechts 20 procent van de werkende vrouwen in Nederland is lid van een bond, tegen 32 procent van de mannen. En van alle vakbondsleden in Nederland, is 27 procent vrouw. Ook daarin ligt Nederland ver achter op de EU, waar gemiddeld de helft van de werkende vrouwen is georganiseerd.

Volgens de Dublinse onderzoekers moet er meer seksespecifiek onderzoek verricht worden. Ze constateren met verbazing dat bijvoorbeeld uitkomsten van CAO-onderhandelingen vaak sekseneutraal gebracht worden. Wat niet reëel is, stellen ze, want ,,op veel gebieden verkeren werkende vrouwen in een andere positie dan mannen.''

Dit het eerste deel van een serie over arbeid in Europa

    • Mariël Croon