Strijd om een schedeldak

Het was hem gelukt! Eugene Dubois vond in 1891 het schedeldak van de missing link. Maar zijn leven werd er niet gemakkelijker op, blijkt uit een nieuwe biografie.

De Nederlandse paleoantropoloog M.E.F.T. Dubois dateert uit een interessante tijd. In 1858, toen hij werd geboren, waaide een frisse wind door wetenschapsland. De oude dogma's over het leven op aarde werden ter discussie gesteld. De schepping van elke soort afzonderlijk en de onveranderlijkheid der soorten waren niet langer vanzelfsprekend. De toegenomen kennis van de anatomie of ontleedkunde en de morfologie, de wetenschap van de vorm, leidde er toe dat men verbindingen, verwantschappen leerde zien tussen soorten, en afstammingslijnen van de ene soort naar de andere. Van Charles Darwin verscheen in 1859 het belangrijke boek On the Origin of Species by means of Natural Selection. De evolutietheorie was een feit.

Vanaf het moment dat hij als jongen over de nieuwe ideeën hoorde, werd Dubois een enthousiast volgeling van de theorie van geleidelijke evolutie door natuurlijke selectie van Darwin, hoewel hij daar later, als onafhankelijk denker, afstand van nam. Hij is vooral beroemd geworden door de vondsten van zijn Aapmens, Pithecanthropus erectus, bij Trinil op Java – tegenwoordig meestal Homo erectus genoemd.

Na zijn medische studie aan de Universiteit van Amsterdam had Dubois het in 1886 gebracht tot lector in de humane anatomie. In 1887 besloot hij echter om zijn veelbelovende carrière aan de Amsterdamse Universiteit op te geven om in Nederlands-Indië, als eerste, paleontologische opgravingen te doen op zoek naar onze fossiele voorouders, op basis van een wetenschappelijk gefundeerd onderzoeksplan. Hij nam dienst als officier van gezondheid bij het Koninklijk Nederlands-Indische Leger om in zijn onderhoud (en dat van zijn vrouw en pasgeboren dochtertje) te voorzien.

Dubois begon zijn zoektocht op Sumatra, maar de vondsten vielen daar tegen en waren geologisch gezien te jong, het werk was erg zwaar. Hij kreeg ernstige aanvallen van malaria te verduren die hem verzwakten en hem bijna het leven kostten. Eind 1889 zette hij zijn opgravingen voort op Java. Hij had daar de beschikking over 50 dwangarbeiders en twee korporaals van de genie: Kriele en De Winter. De oevers van de Solorivier bleken zeer rijk te zijn aan fossielen uit het Pleistoceen. Na de vondst van een humaan kaakfragment in 1890 werd in 1891 een kies gevonden van een mensachtige soort, twee maanden later een schedelkapje en in 1892 een linkerdijbeen. Dubois schreef deze drie laatste vondsten toe aan één individu dat hij beschouwde als de `missing link' tussen de mens en zijn aapachtige voorouders. Het was hem gelukt! Hij dacht dat zijn missie hiermee was geslaagd; hij publiceerde in 1894 een monografie over zijn Aapmens en hij noemde hem Pithecanthropus erectus, de rechtopgaande aapmens.

Maar in Europa werd zijn theorie niet bepaald met gejuich ontvangen. De grote wetenschappers uitten slechts kritiek en hoon. Velen accepteerden Darwins evolutietheorie nog helemaal niet. Anderen wilden wel theoretisch beamen dat de mens van de apen zou afstammen, maar waren nog niet toe aan de aanwezigheid van een fossiele aapmens ergens in een oude aardlaag. De één meende daarom dat de skeletdelen van een mens waren, de ander juist dat ze van een aap waren, of dat de delen helemaal niet bij elkaar hoorden. Slechts een enkeling, zoals de anatoom Gustav Schwalbe, die het materiaal van Dubois uitgebreid bestudeerde, kwam tot dezelfde conclusie als Dubois: de skeletdelen behoorden bij elkaar en betroffen een intermediaire vorm tussen mensaap en mens. Sterker nog, Schwalbe ging er meteen mee aan de haal. In 1899, nog voordat Dubois de tijd had gehad om over zijn vondst nadere gegevens te publiceren, schreef hij alleen al over het schedeldak een stuk van 225 bladzijden. Meteen daarna sprongen de specialisten er bovenop, al voor de eeuwwisseling van 1900 waren er zo'n tachtig artikelen en boeken verschenen over de fossielen van Dubois. Het Pithecanthropus-debat duurde vele tientallen jaren en de vaak op de persoon gerichte toon moet voor Dubois een bittere teleurstelling zijn geweest. Het leek wel of een trend was gezet, want daarna hebben, tot op de dag van vandaag, vaak onaangename, onwetenschappelijke discussies binnen het vak paleoantropologie gewoed.

Kortgeleden zag een Dubois-biografie van de Amerikaanse paleoantropologe Pat Shipman het licht: The Man who found The Missing Link. Over Pithecanthropus zijn inmiddels honderden artikelen verschenen en in elke publicatie over onze fossiele voorouders wordt, kort of uitgebreid, aandacht besteed aan Dubois en zijn geschiedenis. Ook zijn er verschillende biografieën over Dubois zelf verschenen. Als eerste is er het prachtige proefschrift uit 1985 van Bert Theunissen: Éugène Dubois en de Aapmens van Java. Hierin komen niet alleen Dubois' leven maar ook de veranderde denkwijze over de mens, de antropologie, en de grote rol die Dubois daarin gespeeld heeft, helder en duidelijk aan bod. De paleoantropologie kreeg hiermee een belangrijke plaats toegewezen in de ontstaansgeschiedenis van de mens, naast de anatomie en de morfologie. In 1989 is er een Engelse uitgave van Theunissens dissertatie verschenen. Dan is er het glossy boek Man-Ape Ape-Man, The Quest for Human's Place in Nature and Dubois' `Missing Link' van Richard E. Leakey en L. Jan Slikkerveer uit 1993, honderd jaar na Dubois' vondst van zijn `Missing Link'. Het boek – met een voorwoord van prins Bernhard! – is prachtig geïllustreerd en belicht ook de ecoloog (avant-la-lettre) Dubois, met diens bemoeienissen met het landschap in Zuid-Limburg, de plek waar hij werd geboren en waar hij zijn latere jaren sleet in De Bedelaar, een door de natuur omgeven huis.

tien jaar onderzoek

En nu is er dus de Dubois-biografie van Pat Shipman. Zij doceert antropologie aan de Pennsylvania State University en heeft meer boeken op haar naam staan, onder meer het in het Nederlands vertaalde Op zoek naar de Missing Link (Spectrum, 1998) met als mede-auteur haar man Alan Walker, ook een bekend paleoantropoloog. Shipman heeft tien jaar onderzoek gedaan in de archieven van Dubois die zich evenals zijn collectie Indische fossielen in Leiden bevinden. Ze heeft alle plaatsen bezocht waar Dubois is geweest, ook Sumatra en Java, en zijn nog levende nakomelingen gesproken. Dubois heeft veel geschreven, niet alleen in losse notities en aantekeningen, maar ook in agenda's, dagboeken en brieven. De wijze waarop Shipman zich verantwoordt is bewonderenswaardig. Het vertaalwerk dat de Nederlandse fysisch antropoloog Paul Storm voor Shipman naast veel research heeft verricht is daarbij van onschatbare waarde gebleken.

Het is een schitterend boek geworden. Anders dan in de twee eerder genoemde biografieën (het is in de wetenschap geen gewoonte om gewag te maken van emoties, want die worden bij de `peer review' geschrapt) laat Shipman ons kennismaken met een wetenschapper met zijn menselijke trekjes en emoties. Het is een buitengewoon treurig boek over een tragische man, die toch zoveel geluk had! Het is een levensverhaal dat zeer veel mensen zal aanspreken, terwijl het de paleoantropologische wetenschap niet schuwt.

Onopvallend vlecht Shipman lesjes en colleges door haar verhaal. De belangrijke `lijn van Wallace' die dwars door het huidige Indonesië loopt met aan de ene kant de Aziatische fauna en aan de andere de Australische fauna, wordt bijvoorbeeld bijna ongemerkt in een gesprek geïntroduceerd. We volgen Dubois zelf op de voet als hij bedenkt welke weg hij moet bewandelen bij de beschrijving van zijn nieuwe soort, en we leven met hem mee als hij de belangrijke relatie tussen de lichaamsgrootte en de herseninhoud ontwikkelt: zijn cephalisatie-onderzoek. Soms is Shipman wellicht wat al te uitvoerig voor de niet-vakgenoten, bijvoorbeeld als het gaat over wie er aanwezig waren op een congres, en wat de mening (voor of tegen) was van al die nu soms vergeten geleerden.

Een ontroerend hoogtepunt is het stuk waarin Dubois aan vrienden uitlegt wat hij nu eigenlijk vindt van die drie bijzondere fossielen die hij heeft gevonden. Hij heeft zichzelf dan nog niet echt durven bekennen dat deze fossielen datgene vertegenwoordigen waar hij al die tijd naar op zoek is geweest. Eén van de vrienden vraagt of dit dan misschien de `missing link' is, waarop een stilte valt, en daarna wordt voor het eerst door hem uitgesproken dat het inderdaad de `missing link'is.

Overigens spaart Shipman Dubois niet. Hij was soms erg onaangenaam, een enkele keer zelfs vulgair. Shipman zelf beschrijft hem als paranoïde, briljant en koppig, een man die zelf zijn eigen droevig en eenzaam lot bepaald heeft. Zijn leven lang is hij volkomen gefixeerd op zijn Pithecanthropus. Als ze op de terugweg naar Europa met de boot in een vliegende storm terecht komen en de boot bijna vergaat, vindt Dubois dat zijn vrouw in de reddingboot maar op hun inmiddels drie kinderen moet passen, hij moet immers zijn Javamens, zijn `missing link' beschermen! Dat huwelijk gaat dus niet zo goed, en vrienden heeft hij eigenlijk ook al niet.

achterdocht

Sommige zaken blijven wat onduidelijk. Zou zijn leermeester Fürbringer werkelijk de rol gespeeld hebben die hem wordt toegeschreven in het boek betreffende het vertrek van Dubois uit Amsterdam of is ook dit weer een blijk van de achterdocht van Dubois? Er waren wel meer hoogleraren die werk gebruikten van hun studenten, maar dat was zelden aanleiding tot zulke uitzonderlijke acties als van Dubois. Ook bij Theunissen vinden we die aarzeling: wat was nu eigenlijk de echte reden voor het opgeven van zijn glanzende carrière? Verdroeg hij de autoriteit van Fürbringer niet, had hij zo'n grote hekel aan lesgeven zoals hij aan zijn vrienden vertelde, of was het zijn grenzeloze ambitie om wereldberoemd te worden en door iedereen (en vooral zijn vader) bewonderd en bewierookt te worden?

Ook heeft Dubois in werkelijkheid zijn opvattingen over evolutie drastischer veranderd dan Shipman beschrijft in haar boek. In Amsterdam, waar Dubois van 1899 tot aan zijn emeritaat in 1928 hoogleraar was aan de Universiteit van Amsterdam, is onlangs een dossier gevonden dat behoort tot de nalatenschap van één van Dubois' oudleerlingen, Hendrik Engel, de latere hoogleraar/directeur van het Zoölogisch Museum van de Universiteit van Amsterdam. Dit dossier bevat onder meer een aantal brieven van de hand van Eug. Dubois. In 1931 schrijft hij aan Engel dat hij niet meer de gangbare hypothesen van Darwin en Lamarck aanhangt, en het ook niet met Hugo De Vries eens is. Evolutie verloopt volgens Dubois niet geleidelijk, maar sprongsgewijs, en de drijvende kracht achter de sprongsgewijze evolutie is niet natuurlijke selectie doch een innerlijke kracht. Daarom kan er ook geen `missing link' bestaan en ``Mijne reconstructie van den Pithecanthropus acht ik thans principiëel foutief, omdat ik toen nog geloof hechtte aan geleidelijke phylogenese en overgangsvormen''. Engel mag een foto van die reconstructie dan ook niet gebruiken in een artikel dat hij over Dubois aan het schrijven is.

Maar dit zijn slechts kleine kanttekeningen bij een groots boek en het geeft aan dat je niet gauw uitgepraat raakt over Dubois.

Pat Shipman: The Man Who Found The Missing Link. Eugène Dubois and His Lifelong Quest to Prove Darwin Right. 514 blz. Simon & Schuster ca. ƒ85.

ISBN 0 684 85581 x Een Nederlandse vertaling is in aantocht.