Qi hocus-pocus

Acupunctuur wankelt op de grens tussen alternatief en regulier. Er zijn deskundige dokters die het apekool vinden, oude Chinese apekool in de jaren zestig opgewarmd op een maoïstisch vuurtje. Er zijn ook dokters die denken dat acupunctuur echt werkt. Dat geldt bijvoorbeeld voor een groep dokters die in 1997 bijeenkwam in de National Institutes of Health (NIH) in Amerika. Hun conclusie was dat acupunctuur werkt tegen pijn en misselijkheid, maar dat die werking niet is aangetoond bij een groot aantal andere kwalen, waarbij acupunctuur wordt ingezet. Zo'n NIH-consensusrapport, dat klinkt imponerend. Daarbij komt een tweede rapport vorig jaar van de British Medical Association (BMA), die ook overtuigd is van de werkzaamheid van de acupunctuur, althans bij pijn en misselijkheid.

Hoe is het mogelijk dat onder serieuze dokters de meningen over acupunctuur zo verdeeld zijn? In de eerste plaats door een definitieprobleem: acupunctuur is een vergaarbak van behandelingen. Aan het ene einde van het behandelingsspectrum zit het simpele prikwerk zonder hocus-pocus: de dokter steekt heel dunne naalden in zijn patiënt. Die naalden worden heen en weer gewiebeld of rondgedraaid of zelfs elektrisch geprikkeld. Uiteraard heeft dat gevolgen. Er worden signalen naar het ruggenmerg gestuurd en pijnprikkels die via andere zenuwen binnenkomen, zouden daardoor kunnen worden onderdrukt. Een soort tegenpijn dus. Er zijn zelfs proeven die deze verklaring ondersteunen. Het pijnonderdrukkend effect van acupunctuur kan voorkomen worden door het gebied rond de acupunctuurnaald te verdoven. Het is daarom voorstelbaar dat zulke acupunctuur zou kunnen werken.

Acupunctuur is ook een traditionele Chinese therapie met een voorgeschiedenis van 5.000 jaar. De oude Chinezen hadden nog geen flauw idee van de werking van ons lichaam. Zij dachten dat er lichaamsenergie (Qi), door onderhuidse kanalen (meridianen) in ons lichaam stroomt. Ziekte werd toegeschreven aan stoornissen in Qi en die stoornissen zouden kunnen worden opgeheven door naalden in de gepostuleerde meridianen te prikken. De oude Chinezen hadden daarvoor een groot aantal acupunctuurpunten geïdentificeerd, waar zonder gevaar een dunne naald diep in ons lichaam gestoken kan worden.

Deze traditionele Chinese geneeskunde met zijn Qi en meridianen is lariekoek, maar veel Westerse acupuncturisten maken daar nog gebruik van, handig inspelend op de wazige New Age-ideeën, die in Amerika populair zijn. Het is deze traditionele Chinese acupunctuur, die door Mao van stal is gehaald als een goedkoop hulpmiddel voor blote-voetendokters. Bij het bezoek van Nixon aan China in 1971 werd de Chinese acupunctuur als wondermiddel opgediend aan goedgelovige Westerse journalisten. Grote operaties zouden uitsluitend met acupunctuurverdoving zijn uitgevoerd, waarmee de superioriteit van de traditionele Chinese geneeskunde zou zijn aangetoond.

Later bleek dat de journalisten bij de neus waren genomen. De pijnstillende werking van acupunctuur is bescheiden en volstrekt onvoldoende voor verdoving bij operaties. De serieuze hedendaagse Chinese dokters moeten niets meer hebben van de traditionele Qi hocus-pocus rond acupunctuur, zelfs als ze acupunctuur nog gebruiken voor pijnstilling. Die scepsis in China is ook wel begrijpelijk. Als iemand aan komt zetten met een behandeling die door de Kaninefaten is ontworpen, zou dat misschien in China aanspreken (Aha, de westerse wijsheid van de oude Kaninefaten), maar niet in Nederland.

Een deel van de meningsverschillen rond de werkzaamheid van acupunctuur is dus te wijten aan de meer dan tweehonderd varianten van acupunctuur die aan de man worden gebracht. Die meningsverschillen worden aangescherpt door het geld dat met acupunctuur is gemoeid. In Engeland en Amerika is acupunctuur de alternatieve behandelwijze die veruit het meeste door dokters wordt toegepast. Het steekt dan dat die behandeling niet door ziektekostenverzekeraar (Amerika) of National Health Service (Engeland) wordt vergoed. Wie als dokter overtuigd is van de werkzaamheid van acupunctuur, zal daarom ijveren voor erkenning (en honorering), ook als die werkzaamheid niet waterdicht is aangetoond. Dat is een reden om de positief getinte rapporten over acupunctuur met een korreltje zout te nemen. Na felle kritiek heeft de British Medical Association toegegeven dat haar rapport voornamelijk gebaseerd is op het boek van iemand die zijn enthousiasme voor acupunctuur nooit onder stoelen of banken heeft gestoken. Dat maakt geen sterke indruk.

Ook het NIH-consensusrapport uit 1997 lijkt voornamelijk door aanhangers van acupunctuur te zijn geschreven. Ik heb dat nagevraagd bij Harold Varmus, in 1997 baas van de NIH. Hij was gegeneerd. NIH had alleen als gastheer gefungeerd en was niet verantwoordelijk voor de uitnodiging van de deelnemers aan deze consensusbijeenkomst. De consensus was de consensus van mensen die al enthousiast waren over acupunctuur en die dit nog eens hadden vastgelegd in de onverdachte omgeving van de NIH, niet gestoord door critici, die immers niet waren uitgenodigd voor deze bijeenkomst. Na 1997 heeft Varmus de regels voor consensusbijeenkomsten dan ook veranderd.

Ondanks de positieve rapporten van BMA en NIH over de werkzaamheid van acupunctuur en ondanks de neurobiologische argumenten dat acupunctuur zou kunnen werken, blijven er veel dokters die betwijfelen of acupunctuur ooit nuttig is in de klinische praktijk. Naar aanleiding van het BMA-rapport hebben geprikkelde briefschrijvers in de British Medical Journal erop gewezen dat goed opgezette klinische studies bijna altijd negatief uitpakken voor acupunctuur. Dat geldt zeker voor klassieke toepassingen van acupunctuur, zoals bij kiespijn, lage rugpijn, astma, migraine of verslaving. Zelfs een zonnig overzicht van Mayer in de Annual Reviews of Medicine 2000, een serieuze bron van informatie, komt niet verder dan een positief effect van acupunctuur bij misselijkheid. De andere conclusies van het NIH-rapport vindt Mayer misleidend, of gebaseerd op onvoldoende gegevens.

Is er dan geen reden om acupunctuur de benefit of the doubt te geven? Het is een flut-techniek, die een dokter in een achtermiddag kan leren. Acupunctuur zou kunnen werken bij pijn. De bescheiden pijnstillende werking wordt ondersteund door een enorm placebo-effect. Wie zou niet geneigd zijn om zijn pijn en misselijkheid te vergeten als er overal naalden in hem geprikt worden? Zolang er wegwerpnaalden gebruikt worden, is het infectiegevaar ook gering.

Zo'n tolerante opstelling gaat voorbij aan het risico dat de acceptatie van acupunctuur voor de behandeling van pijn of misselijkheid door deskundige dokters, ook respectabiliteit geeft aan de traditionele Chinese hocus-pocus acupunctuur. Veel acupuncturisten zijn niet medisch opgeleid, volstrekt onkritisch, en daarom gevaarlijk. Ook echte dokters kunnen echter licht in de verleiding komen om gewichtig te gaan goochelen met niet-bestaande lichaamsmeridianen of acupunctuurpunten. Het is misschien unfair om de serieuze acupuncturisten te diskwalificeren op grond van de imitatie-Chinezen en hun hocus-pocus, maar de realiteit is dat acupunctuur moeilijk loskomt van Qi en meridianen. De medestanders bederven alles, schreef de dichter Jacques Bloem al.

Acupunctuur is ook niet nodig voor serieuze geneeskunde. Tegen pijn en misselijkheid bestaan goede geneesmiddelen, waarvan de werkzaamheid vaststaat. Wie toch tegenprikkeling wil proberen voor pijnbestrijding, kan elektroden gebruiken in plaats van naalden. Ook die pijnstilling is omstreden, zoals in het maartnummer (2001) van het tijdschrift Skepter valt te lezen, maar elektroden zijn tenminste vrij ongevaarlijk, terwijl naalden prikken en af kunnen breken. Je moet er ook niet aan denken dat wij op dubieuze gronden acupunctuur respectabel maken en dit in ontwikkelingslanden wordt geïmiteerd. Daar zijn vaak geen wegwerpnaalden. Aids en hepatitis laten zich uitstekend verspreiden met acupunctuurnaalden.

    • Piet Borst