Monument

De Ronde van Vlaanderen is de bloem in het knoopsgat. De krachtige beeldspraak komt niet uit de pen van een Vlaamse dichter, maar werd dezer dagen opgetekend uit de mond van Fiorenzo Magni, de legendarische Italiaan die precies vijftig jaar geleden `Vlaanderens Mooiste' won.

Ik zou zeggen: de Ronde van Vlaanderen is een Colosseum in de polder. Een cultuurschepper. Een geleerde in de Monumentenzorg heeft me eens gezegd dat een monument nooit op zichzelf staat. `De omgeving verandert drie keer per eeuw, drie keer per mensensleven.' Fout. De Ronde van Vlaanderen is gebouwd op poëtische metaforen en die zijn niet onderhevig aan de erosie van tijd en ruimte. De Ronde van Vlaanderen staat volkomen ongeschonden in zijn eigen geschiedenis, als consument van zijn eigen driften. Niets kon en kan de Ronde tegenhouden of veranderen. Niet de oorlog van 1914-1918 toen Marcel Buysse won, niet moderne plagen als MKZ, extatisch economisme, middenstandsbelangen, afbraak- of wederopbouwgedachten, herschreven trouwbijbels. Er groeit zelfs geen nieuw gras in het universum van de Ronde die ons als een gesloten circuit van kasseien, cafés en kapelletjes voor eeuwig is ontstegen. Nu alweer 85 jaar geleden heeft de Ronde van Vlaanderen de deur definitief achter zich dicht geslagen – niets of niemand komt er nog in.

Monumenten moet je met rust laten, zoals Italianen dat doen. Je moet ze laten spreken met hun binnentaal, dan weten we meteen wat voor weer het is en hoe het landschap eruitziet. Niet in de spagaat vliegen als een paar ouwe dakpannen zijn weggewaaid. Gewoon laten liggen. En verder gaan met het drinken van Kasteelbier, Leffe, witbier van Ename of Rodenbach. Want de Ronde van Vlaanderen hoor je te volgen in café D'Oude Hoeve waar ze voor de gelegenheid een televisie hebben opgehangen. Dan zie je pas hoe grimmig kasseistroken en hoe weerbarstig superieur ruige molshopen als de Tiegemberg, de Kwaremont, de Kruisberg en de Muur van Geraardsbergen kunnen zijn. Wielrennen is een televisiesport, op zondag na de Heilige Mis. Dan wordt het epos een op een. Wat de benen van Museeuw, Tsjmil, Bartoli of Vainsteins je geven, ben je.

In café D'Oude Hoeve heb ik geleerd dat wielrennen de moeder is van alle dialogen.

,,Hij zit kapot.''

,,Nee, hij rijdt te groot.''

,,Tsjmil gaat demarreren.''

,,Of is het Dekker?''

,,Daar komt Knaven.''

,,Pap in de benen.''

,,Knaven zit op het puntje van het zadel.''

,,Dat zegt niets, de bek is te wijd open.''

,,Ja, hij bijt in te ijle lucht.''

Hemingway's zijn het, daar in café D'Oude Hoeve, vol van bier en poëzie terwijl ze er niet uitzien onder hun boerenpetten met zweetranden en met handen door onwillige graangewassen geranseld tot een mozaïek van kloven en gaten. De gezichten al even ruig en ongevormd als de kasseien van de Muur. Goed volk, dat wel, eenvormig met het landschap. Thuis hebben ze dikke vrouwen die wachten in bloemenjurken. Want iedere zondag is paasdag: alles moet dan geregeld zijn op het boerenerf.

Wielrenners zijn op hun mooist de avond voor de koers. In een shabby Holiday Inn. Hoe ze sloffen van de masseertafel naar het restaurant en van het restaurant naar hun kamer. Anti-helden. Uren hangen ze in de lobby aan hun GSM. Op zoek naar peptalk? Naar een woord van liefde? Naar een wonderdokter? Naar een goeroe? Ze zeggen het niet. Ze zijn geoefend in hun lot: mysterie op onthaarde benen. En toch boerenstanderig: mannen die de taal van luchten verstaan. In Knesselare zijn dat de lage luchten van Jacques Brel.

Ik sprak deze week Johan Museeuw. We hadden het over Máxima en over haar Belgische alter ego, het strijkijzer Mathilde. Over doping en muesli, over hotels en ziekenhuizen, over weer en wind. Museeuw zei: ,,Rang en stand, God en duivel, koningskind en burgertrut, dokter en charlatan, ze doen er niet toe. Zondag spreken de benen. Zij beslissen wie wint.'' Hij keek naar boven en zag dat er zwaar weer op komst was.

Ergens, van heel diep onder de kasseien, hoorde ik Hemingway knorren van genot.