Humorloos lachen

Mensen lachen om een band te scheppen. Wie spreekt lacht vaker dan zijn toehoorder. Daarmee is de oude theorie dat we lachen om humor van de baan.Maar een eenduidige nieuwe theorie van de lach is er nog niet.

`Lachen heeft weinig met humor te maken,' zegt lach-expert prof.dr. Robert Provine van de Universiteit van Maryland. Maar hij weet dat deze opmerking welkom is `als een stinkdier op een feestje'.

Lachen is een reactie op een plotselinge, verrassende begripsverschuiving, leert de sinds Aristoteles heersende theorie. Die verschuivingen vormen de ongerijmdheden in het dagelijks leven, het is iets waar praktisch alle grappen gebruik van maken. De verteller schetst een situatie en geeft er vervolgens een draai aan, die het geheel in een nieuw licht plaatst. De buurman die altijd wat komt lenen, vraagt over de heg aan meneer De Jong: `Heb jij je grasmaaier vanmiddag nodig?' `Ja,' antwoordt De Jong, op zijn hoede. `Goedzo, dan kan ik mooi je golfclubs lenen.'

``Maar in werkelijkheid volgt gelach in slechts tien tot vijftien procent van de gevallen op iets dat grappig genoemd kan worden,'' zegt Robert Provine. Zoals opmerkingen van het type `Heb je dat uit je neus gehaald?' wijzend op een maaltijd uit de universiteitskeuken. ``In de overige gevallen gaan alledaagse vragen en opmerkingen van het type Weet je het zeker? Dat zei ik je toch! of Tot de volgende keer aan het ha-ha vooraf. Die filosofische theorieën over begripsverschuiving zijn voortgekomen uit nadenken, en hebben weinig van doen met ons daadwerkelijk gedrag.''

Omdat Provine, opgeleid als neurobioloog, over dat daadwerkelijk gedrag weinig kon vinden, stuurde hij zichzelf en zijn onderzoekers met pen en papier op pad om het lach-gedrag van mensen in hun natuurlijke habitat te bestuderen. Provine en zijn teamleden observeerden als echte ethologen uit de generatie van Konrad Lorenz en Niko Tinbergen op straat, in winkelcentra en in cafés. Wanneer een lach klonk noteerden ze wie er lachte, naar wie en na of tijdens welke bezigheid.

Twaalfhonderd lach-episodes later was de afwezigheid van humor de opvallendste vondst. Dat het weinig met humor, verrassing of begripsverschuivingen te maken heeft, werd onderstreept doordat de sprekers zelf vaker lachten dan degenen tot wie zij zich richtten. Van de 1200 lach-episodes werd in tachtig procent door de spreker gelachen, in vijfenvijftig procent door de toehoorders, soms dus door allebei. Beide partijen wachtten steeds netjes tot de zin afgelopen was, alvorens die aan te vullen met gelach. Slechts twee keer was de lach-aanval zo ernstig dat het de zin onderbrak.

``Lachen is een sociale vocalisatie,'' is de conclusie van Provine. ``Iets wat mensen doen om een band te scheppen. Ook het lachen om een grap moeten we begrijpen binnen de sociale context. Waarom zouden we anders de lach gebruiken in antwoord op humor?'' Charles Darwin merkte al op dat het vreemd zou zijn om zo'n intelligente eigenschap als humor te uiten met zulke primitieve en reflexmatige stuiptrekkingen. Of, zoals gedragsbioloog Frans de Waal het onlangs omschreef: waarom laten we het niet bij een luchtig `dat was grappig'?

Als de sociale context verdwijnt, als mensen alleen zijn en verstoken van semi-sociale stimuli als radio, televisie en en geschreven media, lachen ze dertig keer zo weinig. Dat bleek toen Provines studenten hun éigen lach turfden. Een ander mooi voorbeeld van het sociale aspect gaven twee psychologen die bowlers observeerden: de blijdschap ontstond zodra de bowlers een strike gooiden, maar de lach verscheen pas op hun gezicht als ze zich omdraaiden naar hun vrienden.

Provine: ``We lachen gewoon, het overkomt ons, het is niet onder bewuste controle. Maar we hebben de gewoonte een rationele verklaring te geven aan ons eigen gedrag. Zo zitten onze hersenen in elkaar, het probeert een coherent verhaal te maken van wat we doen.'' Het is vergelijkbaar met de situatie van het 16-jarige meisje dat drie jaar geleden een hersenonderzoek onderging. Op zoek naar de bron van haar epilepsie werd haar hersenschors op 85 plaatsen elektrisch gestimuleerd. Telkens als de artsen bij een punt bovenop het hoofd kwamen, in de supplementaire motorschors, schoot het meisje in de lach. Zoals de motorschors afzonderlijke spieren in beweging zet, bestuurt het supplementaire deel de complexe bewegingen. Het onverwachte was echter dat het meisje niet alleen een spierreactie vertoonde. Als de artsen haar vroegen waarom ze lachte, noemde ze wat ze op dat moment zag als aanleiding: de onderzoekers, een testplaatje dat ze moest benoemen of iets anders dat ze op dat moment zag. Het voelde zo echt, dat ze geen enkele keer doorhad dat het door de elektrische prikkeling kwam, schreven de neurochirurgen in Nature.

versplinterd

Het meisje lacht, zoekt en vindt een verklaring. Provine: ``Dat geldt voor andere mensen evenzeer. We zijn niet de bewuste, analytische wezens waar we ons voor uitgeven. We zijn niet in staat goed over ons eigen gedrag na te denken. Kijken naar mensen en noteren is soms een betere aanpak.'' Provine noemt het lach-onderzoek heel versplinterd. ``De meeste disciplines beschouwen maar één aspect, zonder de rijkdom en de breedte van het verschijnsel te herkennen.'' Tekenend was een groot neurowetenschap-congres in november. Vier presentaties hadden met lachen te maken (het aantal presentaties over alle aspecten van angst bedroeg 144). Provine zelf stortte zich op klank en ritme van lachen en hoe dat in opera's wordt nagebootst. Een ander besprak een historische case-study waar lacherigheid een van de symptomen was, en er was een lab dat — weinig verrassend — meldde dat hersengebieden die spieren aansturen, actief zijn tijdens lachen.

Wel verrassend was de vierde presentatie, door prof.dr. Jack Pettigrew van de Australische universiteit van Queensland, over hoe lachen onze waarneming verandert. Wanneer we door een kijker kijken waarvan de rechterlens horizontale balken toont en de linker verticale, dan zien we soms een rooster, maar meestal afwisselend liggende en staande balken. De hersenen kunnen de twee beelden niet verwerken tot één coherent beeld en de beelden strijden om voorrang. De kubus van Necker waarvan de voorkant soms de achterkant lijkt, maakt ook gebruik van dit verschijnsel, net als veel schilderijen van Dalí en bijvoorbeeld de prent waarop het ene moment een vaas lijkt afgebeeld en het andere moment twee gezichten.

Pettigrew maakte zijn twintig proefpersonen die door de kijker met de balkenpatronen keken aan het lachen (``het moeilijkste onderdeel van de studie''). Pettigrew: ``Zonder dat ze van het doel van het onderzoek wisten, rapporteerden ze spontaan dat ze nu veel vaker een rooster zagen. Hoe langer ze lachten, des te langer `brak' de rivaliteit.'' Ook ingehouden lachen of een brede glimlach veroorzaakte het zien van de liggende én staande balken. ``Als aan het rechteroog horizontale balken worden aangeboden en verticale aan het linkeroog, gaat bij de meeste mensen waarneming van horizontaal gepaard met activiteit in de linkerhersenhelft, en verticaal met een overheersende rechterhersenhelft'', zegt Pettigrew. Dat zou betekenen — al is niet iedereen het eens met zijn conclusie — dat de strijd tussen twee beelden, het wisselen tussen de twee hersenhelften weerspiegelt. ``Tijdens het lachen wordt het wisselen opgeheven, of gaat het zo snel, dat het op hetzelfde neerkomt.''

Pettigrew op het congres: ``De twee hersenhelften hebben verschillende rollen en strategieën, bevatten verschillende informatie. Lachen laat rivaliserende concepten tegelijkertijd aanwezig zijn. Het is een andere geestestoestand.''

Daarnaast was in de experimenten tot een half uur na het lachen de `positieve' linkerhersenhelft sterker aanwezig. Bij depressie overheerst rechts juist. Uit recente onderzoeken blijkt dat bij manisch-depressiviteit de hersenhelften tien keer trager wisselen en dat bij schizofrenie-patiënten het patroon ook afwijkt.

Twee andere groepen hersenonderzoekers vonden recent hetzelfde hersenonderdeel dat belangrijk is bij het begrijpen van humor en bij lachen. Maar zij kenden er tegengestelde eigenschappen aan toe.

Het hersengebiedje speelt een rol bij ingehouden lachen, want het werd opgespoord met fMRI-opnamen en dan moet het hoofd helemaal stil liggen. ``Dat is jammer, maar de concessie valt waarschijnlijk mee,'' zegt dr. Dean Shibata van de Amerikaanse universiteit van Rochester, leider van een van de studies. ``Het verschil tussen bijvoorbeeld praten met geluid en inwendig praten is klein. Echt praten levert iets meer activiteit in de gebieden die opdracht geven tot spierbewegingen, maar de meer centrale, interessantere gebieden doen hetzelfde. Bij dieren kun je elektrodes in de hersenen steken en meten wat er gebeurt wanneer het dier zich normaal vrij beweegt. Bij mensen hebben we hiervoor nog geen oplossing'', aldus Shibata.

Het probleem dat lach niet op commando komt, terwijl dit type metingen het moet hebben van een standaardvorm die telkens herhaald wordt, losten beide onderzoeksgroepen op door de proefpersonen naar lach-opnames of grappen te laten luisteren en cartoons te laten kijken. Door hersenactiviteit tijdens verschillende opdrachten met elkaar te vergelijken, extraheerden beide groepen allerlei gebieden die specifiek actief zijn bij bijvoorbeeld het bekijken van een cartoon, het luisteren naar andermans gelach, taalverwerking of de (ingehouden) spier-activiteit.

tussen de ogen

Beide groepen merkten één gebied als bijzonder aan: het Brodmann-gebied 10/11, vooraan de hersenen, ongeveer tussen de ogen. De andere onderzoeksgroep, van dr. Vinod Goel uit Toronto en prof.dr. Raymond Dolan uit Londen die daarvan vorige maand in Nature Neuroscience verslag deden, liet de proefpersonen twee typen grappen horen en onderzochten dus slechts humor. De proefpersonen luisterden naar semantische grappen (wat gebruiken ingenieurs als voorbehoedsmiddel? Hun persoonlijkheid. De grappen moesten flauw zijn vanwege het verplicht stilliggen) en naar fonologische (Komt een Marokkaan zijn vertrouwde snackbar binnen, en de snackbarverkoper roept al hem toe: achmèt? Of: hoe noemen ze in België hun schoonmoeder? Trouwma).

In hun artikel wijzen ze allerlei gebieden aan voor de cognitieve aspecten van het lezen van moppen en het begrijpen van punch-lines. Omdat het Brodmann gebied 10/11 bij beide typen grappen actief was, actiever naarmate de proefpersoon de grap leuker vond, en omdat in dat gebied ook een onderdeel van het beloningscircuit ligt, concludeerden Goel en Dolan dat de activiteit vooraan samenhangt met de gevoelskant van humor — het prettige gevoel dat een goede grap geeft. Hetzelfde beloningscircuit licht ook op bij druggebruik, seks, eten en andere dingen die goed voelen.

Shibata en dr. Jianhui Zhong uit Rochester trokken een andere conclusie. Hun proefopzet betrof ook het luisteren naar lach-opnamen, waarbij proefpersonen in de helft van de gevallen inwendig meelachten. De nucleus accumbens, een ander onderdeel van hetzelfde beloningscircuit, was bij alle opdrachten actief. De onderzoekers concluderen dat dát staat voor het goede gevoel na een grap. Het voorste deel zagen ze alleen maar oplichten bij de moppen en cartoons, dus alleen bij de opdrachten waarvoor cognitie nodig was — het herkennen van begripsverschuiving. De groep uit Rochester concludeert daarom dat dit stukje een cognitieve rol in humor vervult en belangrijk is voor het beslissen of iets grappig is.

Twee groepen, hetzelfde gebied, hetzelfde resultaat, totaal verschillende conclusie; het geeft aan hoe nieuw dit onderzoek is. Pas sinds kort zijn goede hersenscan-technieken zo betaalbaar, dat ze ook ingezet mogen worden voor onderzoek dat niet direct met een ernstige ziekte te maken heeft, zoals liefde en lachen. Om zulke studies te laten aansluiten op gedragsonderzoek, zoals Provine voorstaat, zal nog niet meevallen, want ook gedragsonderzoekers onderling zitten niet op één lijn.

Provines sociale vocalisatie-theorie is goed gefundeerd, breed genoeg om andere aspecten erin onder te brengen, maar ook breed genoeg om in het midden te laten hóe ze erin passen. Zijn eigen metingen zeggen bijvoorbeeld dat, in gemengd gezelschap, vrouwen meer lachen dan mannen, en meer dan wanneer ze alleen met vrouwen zijn. Het wordt wel gezegd dat dat te maken heeft met de bedreiging die vreemde mannen vormen, en dat vrouwen ze (onbewust) te vriend houden door te lachen. Maar vrouwen lachen ook meer naarmate ze de man leuker vinden, en de man heeft meer interesse voor haar naarmate zij meer lacht.

Hoe past onderdanigheid in het verhaal? In bedrijven, zo blijkt uit andere onderzoeken, maken mensen grappen over de lageren in rang, ook als die erbij zijn. De laagsten maken grappen over zichzelf en buitenstaanders. En hoe hoger in rang, hoe minder er afgelachen wordt, zeker niet gegiecheld. De baas lacht weinig, tenzij hij onder gelijken of oude vrienden is.

En wat is in het lachen de plaats van humor, beleefdheid of juist minachting, blijdschap, verrassing en schrik? ``Die elementen zitten er ook allemaal in'', zegt Jan van Hooff, hoogleraar sociale ethologie aan de Universiteit Utrecht. ``Het menselijk lachen is een complexe uitdrukking. Het is een versmelting van het hardop lachen en de glimlach, twee uitdrukkingen met een totaal verschillende evolutionaire achtergrond.'' Van Hooff zei dit al in 1972, maar zijn model is nog maar nauwelijks doorgedrongen tot andere disciplines.

spelletjes

Van Hooff: ``Vrolijkheid, humor en speelsheid vind je terug in de evolutionaire oorsprong van het hardop lachen, dat voortkomt uit sociaal spel. Alle dieren spelen, en sociale dieren doen veel sociale spelletjes. De grenzen vervagen wel eens, in zijn pure vorm gaat het slechts om de lol van het spelen zelf, en zijn angst en agressie afwezig. Dat moet wel duidelijk zijn,'' zegt Van Hooff. ``Bij het spelgezicht van primaten is de mond wijd open gesperd. Anders dan bij echt bijten bedekken de lippen de tanden, zijn de ogen ontspannen en is het hele lichaam beweeglijk maar zijn de spieren slap.'' (Ook bij mensen verslappen de spieren, zie kader.)

``Ze proberen elkaar op verwacht-onverwachte wijze te pakken te krijgen. Daarop reageert de ander vaak met een soort gekuch, blafseries, wat bij chimpansees verbazingwekkend veel lijkt op ons lachen. Ons lachen kun je beschouwen als iets dat van ernstsituaties flauwekul maakt. Het haalt de angel eruit,'' aldus Van Hooff. Door onze taal kunnen wij ook grappen maken om dingen buiten ons — humor. ``Als die over iemand anders gaat kan dat heel beledigend worden, maar het komt voort uit het speelse.''

De glimlach komt echter van het angstgezicht. ``Ontblote tanden, kiezen op elkaar, ogen wijd open, soms krijsen en zich terugtrekken. Sommige apensoorten hebben dat geritualiseerd tot een gebaar: ik ben onderdanig, laat me met rust, ik ben niet agressief. Bij andere soorten gaat het nog verder: ik ben je vijand niet, ik ben je vriend. Het wordt een glimlach die vriendelijkheid of vriendschap toont.''

Bij chimpansees en bepaalde makakensoorten zijn de blote-tandenglimlach en de open-mondlach twee duidelijk onderscheiden gezichtsuitdrukkingen,'' aldus Van Hooff. ``Bij de Barberijse en Celebes-makaak èn bij mensen zijn die helemaal met elkaar vergroeid en zie je allerlei mengvormen als bijvoorbeeld speels glimlachen of zenuwachtig hardop lachen.''

`Lachen is gezond'

Twee groepen proefpersonen die een film met akelige industriële ongelukken bekeken, werd gevraagd de film na te vertellen, de ene groep op humoristische toon, de andere serieus. De humor-groep voelde zich minder negatief, minder gespannen en vertoonde ook minder lichamelijke spanning. Grappig hoefde het niet eens te zijn, een poging volstond. In een soortgelijk experiment bleken mensen die er het best in slaagden een bloederige film op humoristische wijze na te vertellen, ook in het dagelijks leven minder stress te ondervinden.

De lichamelijke ontspanning (`slap van het lachen') is letterlijk: de Leidse onderzoekers Overeem, Lammers en Van Dijk beschreven anderhalf jaar geleden in The Lancet hoe spieren hun kracht verliezen als we hardop lachen. Mensen met kataplexie verliezen door sterke emoties als lachen helemaal hun spierkracht en zakken in elkaar.

Lachen ontspant en vermindert stress. Aangezien stress schadelijk is voor het lichaam, zegt het gezond verstand dat lachen goed is voor het lichaam. Maar ondanks vele positieve berichten is de lach nog altijd geen `evidence based medicine'. Studies zijn vaak tegenstrijdig (soms minder stress-gerelateerde stoffen of meer afweerstoffen, soms het tegenovergestelde, of geen verandering), met één of weinig proefpersonen, of met een vage controle-situatie, waarbij het sowieso lastig is een controle-opdracht te vinden die vergelijkbaar is met lachen. Vaak aangehaalde studies zijn bijvoorbeeld die van Berk en collega's uit Californië. Vijf mensen keken naar een humoristische video, vijf anderen deden iets voor zichzelf. De video-kijkers hadden minder van sommige stress-hormonen in het bloed en meer afweerstoffen. Maar het is onduidelijk of er überhaupt gelachen werd, en wat de anderen deden.

Tegenover gebrek aan hard bewijs staat dat de kosten van het `medicijn' laag zijn, en de bijwerkingen onschadelijk, mensen met kataplexie of een zeer kwetsbaar hart en vaatstelsel daargelaten. En veel mensen lachen liever dan hun best te doen op ontspanningsoefeningen, die in sommige studies hetzelfde effect hebben.

Met de veronderstelling dat veel lachen en een vrolijke levenshouding tot een gezonder en daardoor langer leven leiden, werden van 1921 tot eind twintigste eeuw 1178 mannen en vrouwen gevolgd. Het onverwachte resultaat: de vrolijke, optimistische en humoristische mensen leefden kòrter. Lang leven viel eerder de wat angstvallige mensen ten deel. Wellicht, speculeerden de onderzoekers, bevorderen optimisme en de gedachte `mij zal het niet overkomen' risicogedrag als roken en roekeloos rijden.

    • Simone de Schipper