HET HUIS MET DE DOLENDE GEESTEN

In Huize Cornax in de Haagse stationsbuurt wonen 35 schizofrene mannen. Het vervallen pension, gerund door een oer-Haagse familie, voldoet aan geen enkele eis, maar wordt gekoesterd door de gemeente. De mannen kunnen nergens anders heen.

Vermaatschappelijking. Zo heet het overheidsbeleid om psychiatrische patiënten buiten de muren van een inrichting te laten wonen. Het is deels ideologie, deels geldgebrek. Maar niet alle patiënten kunnen daarmee leven.

Het was vier uur 's middags, op een vrijdag in het voorjaar, en Oscar Verkade lag nog op bed. Hij had de dekens ver over zich heen getrokken. 's Nachts sliep hij slecht. Oscar was bang. Hij zou, dacht hij, worden opgehaald door mannen in een limousine, hij zou met een bijl worden afgemaakt of sterven onder de guillotine.

Meestal zat hij 's nachts in de douche en las de bijbel. De pensionhouder van Huize Cornax, waar Oscar woonde, liet hem iedere ochtend uitslapen. Rond lunchtijd kwam Oscar beneden. Maar deze vrijdag niet. Om vier uur ging de pensionhouder kijken. Oscar lag met zijn gezicht op zijn handen. Zijn hielen waren blauw, zijn oren grijs, er zat bloed aan zijn mond. Oscar was dood.

De politie, zou de pensionhouder later vertellen, dacht dat Oscar nog leefde. Zijn lichaam was warm. 'Maar Oscar had in het zonnetje gelegen.'

Oscar was een stevige man, vijfendertig jaar. Hij was schizofreen. Bijna voortdurend had hij wanen, ook al kreeg hij de maximale dosis antipsychotica. En hij was verslaafd, hij gebruikte heroïne, cocaïne, amfetamine.

Huize Cornax is een mannenpension in de Haagse stationsbuurt. Voor ruim zevenhonderd gulden in de maand hebben de bewoners een bed en drie keer per dag eten. De meesten zijn psychiatrisch patiënt, ze hebben vaak jaren in een kliniek gewoond. Nu krijgen ze hun medicijnen van de pensionhouder, hij beheert hun uitkering en deelt iedere ochtend zakgeld uit. Eén keer in de week komen verpleegkundigen langs om te kijken hoe het met de mannen gaat. Ze zijn 'vermaatschappelijkt'. Zo heet het beleid van het ministerie van vws om psychiatrische patiënten buiten de muren van een instelling te laten wonen, in een stad of dorp. De bedoeling is dat ze 'onafhankelijker' en 'zelfstandiger' worden, als ze tussen gewone mensen leven.

Maar de patiënten in Huize Cornax gaan nauwelijks om met mensen die niet ziek zijn. Ze lopen met andere pensiongasten over straat, of ze brengen de dag door in het Sterhuis, een dagactiviteitencentrum voor psychiatrische patiënten.

Oscar Verkade woonde al zes jaar in Cornax. Soms probeerde een van de andere bewoners hem te helpen, omdat Oscar zieker was dan de anderen. Hij legde zijn handen op Oscars oren en riep boeh, hij dacht dat hij de stemmen in Oscars hoofd verjoeg en ze opving in zijn handen. 'Maar even later zat Oscar gewoon weer met die stemmen te ouwehoeren.'

Nooit bezoek

Eén of twee keer per maand werd Oscar opgenomen in het Spectrum, de Haagse kliniek voor psychotische patiënten. In de isoleercel smeerde hij poep aan de muren, hij schreeuwde. Na een paar dagen werd hij rustiger. Dan ging hij terug naar het pension.

Kort voor zijn dood, nu een jaar geleden, zei Oscar dat hij graag in de kliniek wilde blijven, het was er veilig. Dat kon niet. Voor een bed op de woonafdeling was een wachtlijst, en de psychiaters en verpleegkundigen dachten dat Oscar het 'binnen' toch niet lang zou volhouden. 'Hij paste', zeggen ze nu, 'niet in een dagstructuur.'

Buiten het pension had Oscar geen vrienden, hij kreeg nooit bezoek. Zijn vader wilde niks meer met hem te maken hebben.

Waar zijn moeder woonde, wist hij niet. Eén keer had hij geprobeerd haar adres te vinden.

Met hulp van een verpleegkundige schreef hij een brief naar het gemeentehuis. Het kostte hem moeite geld opzij te leggen voor een postzegel, zijn zakgeld û tien gulden per dag û was al te weinig voor wat hij aan drugs nodig had. Maar hij wilde haar graag zien. Ambtenaren van de burgerlijke stand lieten weten dat ze geen adressen gaven.

Volgens zijn zus was Oscar vroeger een in zichzelf gekeerd jongetje. Vriendjes had hij niet. Hij speelde graag spookje. Of hij spande touwtjes waar mensen over struikelden. Hij speelde piano, tekende, hij was slim.

In de zomer van 1977, Oscar was twaalf, ging het gezin Verkade, met oma, een oom en een tante, op vakantie naar Oostenrijk. De auto waarin Oscar zat, met zijn ouders en zijn oma, werd aangereden door een vrachtwagen. Zijn oma was meteen dood, zijn ouders raakten gewond. Oscars zus, die met de oom en tante meereed, kwam een kwartier later aan op de plek van het ongeluk. Oscar zat op de achterbank, naast zijn dode oma. Hij had niks, er kwam alleen wat bloed uit zijn neus en zijn oren. 'Daarna', zegt de zus, 'is het misgegaan met Oscar.'

Zijn ouders lagen maanden in het ziekenhuis, Oscar logeerde bij een tante. Korte tijd later gingen zijn ouders scheiden. Oscar woonde bij zijn vader en diens nieuwe vrouw, een Indonesische vrouw die Jehova's getuige was. Hij zat op de lts en begon te blowen.

Op zijn zeventiende werd hij opgenomen in een kliniek in Wassenaar. De diagnose: 'ernstig contactgestoorde jongen, affectief verwaarloosd'. Oscar woonde in die tijd niet meer thuis, hij sliep bij zijn tante of op straat. Bij de volgende opname, twee jaar later, heette hij paranoïde, de derde keer schizofreen. Oscars vader vond dat onzin, hij dacht dat zijn zoon hard aangepakt moest worden. De duivel moest uit hem worden gedreven, hij moest aan het werk. 'Oscar voelt zich schuldig', schreven hulpverleners in hun verslag. Na ieder bezoek aan zijn vader had hij een heftige psychose.

In 1994 kreeg hij een bed in Huize Cornax. De pensionhouder, Jeffrey Dispa, vond Oscar een aardige jongen. Oscar hielp met het verschonen van de bedden, hij veegde de vloeren van de eetzaal en de gang naar de keuken. Bijna iedere dag was Oscar op het politie-bureau om aangifte te doen van bedreiging. Hij werd zelf een keer gearresteerd, omdat hij een trui had gestolen. De pensionhouder ging met zeven potjes pillen naar het bureau en legde uit wat Oscar iedere dag nodig had. 'Ik was bij potje vier, toen zeiden die agenten: Neem 'm alsjeblieft mee.'

Om de paar weken raakte Oscar zo in de war dat hij moest worden opgenomen. Dan zette Jeffrey hem op tram 2 naar de kliniek. Oscar deed wat Jeffrey zei, hij meldde zich bij de instelling. Soms gooide hij bloempotten naar verpleegkundigen, één keer ook een fiets. Oscar stond buiten en gooide de fiets door het dubbele glas van de kliniek naar binnen.

Oscar overleed in april vorig jaar. Een maagbloeding, volgens de pensionhouder, door de medicijnen. Een overdosis drugs, denken hulpverleners in de kliniek. Oscar gebruikte van alles door elkaar. Nee, ze denken niet dat hij nog had geleefd als ze hem in de instelling hadden gehouden toen hij dat vroeg. 'Hier gebruikte hij ook.'

Een dag na Pasen werd hij gecremeerd. Zijn moeder en zijn zus waren erbij. Ze hadden Oscar zes jaar niet gezien. De urn met de as van Oscar staat nu op een tafeltje in de woonkamer van Oscars moeder.

Terug naar de bewoonde wereld

Aan het eind van de negentiende eeuw werden klinieken gebouwd in de bossen en duinen, ver van de stad. Psychiatrische patiënten, vonden hulpverleners, moesten worden beschermd. In de stad werden ze vaak uitgescholden, mishandeld. Eind jaren zeventig veranderde dat idee. Patiënten zouden zijn 'weggestopt' en verwaarloosd, ze moesten terug naar de bewoonde wereld. De meeste chronische patiënten waren schizofreen of manisch depressief. Als die hun medicijnen maar kregen - in de jaren vijftig waren de antipsychotica ontdekt - konden ze een 'eormaal' leven leiden. Honderdduizenden patiënten, vooral in de Verenigde Staten, Engeland en Italië, werden uit klinieken gezet. Ze sliepen op straat en aten uit de vuilnisbak. Of ze zaten in de gevangenis.

In Nederland waren hulpverleners en ambtenaren voorzichtiger. Pas in 1984 kwam het ministerie met een plan voor 'vermaatschappelijking van de psychiatrie'. Patiënten waren te afhankelijk geworden van verpleging, te vaak waren ze familie en vrienden kwijtgeraakt. Minder mensen moesten worden opgenomen, de opnames moesten korter duren.

Toen Oscar in Huize Cornax belandde, in 1994, was hier nog maar weinig van terechtgekomen. Er werden wel meer patiënten buiten de kliniek behandeld, ze werden ondergebracht in 'beschermde woonvormen' of bij familie. Maar in de klinieken kwamen er alleen maar bedden bij en steeds meer mensen vonden dat ze psychiatrische hulp nodig hadden. In Den Haag werd een nieuw plan gemaakt, 'Onder Anderen'. Hulpverleners kregen opdracht beter te luisteren, ze moesten vraaggericht werken en vooral kijken naar wat een patiënt nog wél zelf kon.

Kooplieden en gescheiden mannen

Huize Cornax ligt aan een gracht in het centrum van Den Haag. In de jaren dertig logeerden er kooplieden en gescheiden mannen. Later, in de jaren zestig en zeventig, vooral alcoholisten die hun huis waren kwijtgeraakt. De pensionhouders woonden er zelf ook met hun gezin, eerst de overgrootouders, de grootouders en later ook de ouders van Jeffrey Dispa, nu de baas van Cornax.

'Kerst, Oud en Nieuw, we vierden altijd alles met de mannen', zegt Marion (47), de moeder van Jeffrey. Ze herinnert zich zaterdagavonden uit die tijd. Er werd gezongen, geklapt, veel gelachen. 'Maar psychiatrische patiënten', zegt ze, 'zijn anders.'

Bij het kerstdiner van vorig jaar werden voor het eerst de kersttafelkleden van het pension niet gebruikt, er stonden geen kaarsen op tafel. De sfeer was verpest door een vechtpartij de avond ervoor. Een hindoestaanse jongen had geprobeerd geld te stelen uit de jas van een medebewoner. De pensiongasten aten hun kippensoep, kippenpoten, aardappels en spruitjes zonder wat tegen elkaar te zeggen. De televisie stond op Eurosport.

De eerste patiënten kwamen naar Cornax in 1993. Dat was het jaar waarin de psychiatrische kliniek in Den Haag, die toen nog Rosenburg heette, begon met een project 'transmuralisering'. Patiënten moesten leren buiten de instelling te leven, met hulp van 'mobiele' verpleegkundigen. Het televisiepogramma Brandpunt had laten zien hoe beroerd de omstandigheden waren op de woonafdeling van Rosenburg: lange, donkere gangen, grote slaapzalen, een slecht onderhouden gebouw. Daar zaten patiënten waar niks meer mee te beginnen was. 'Een vergaarbak van ellende', zeggen hulpverleners achteraf.

Nu kregen de patiënten opeens een eigen kamer of een flat in de stad, meestal van instellingen voor Beschermd Wonen. Maar de moeilijkste patiënten, vooral drugsverslaafde schizofrenen, bleven er niet. Ze werden er uitgezet, omdat ze gebruikten, dealers in huis haalden of hun huur niet betaalden. Wie zelfs bij het Leger des Heils niet kon blijven - dat het aantal bedden in die jaren verdrievoudigde - kon alleen nog terecht in Cornax.

In het pension wonen nu vijfendertig mannen, bijna allemaal schizofreen en bijna allemaal verslaafd. 'Na ons is er niks', zegt pensionhouder Jeffrey. 'Alleen de straat of het Haagse bos.'

Bobo, Donald Duck, Rooie Oortjes

In de hoek van Leila's woonkamer staat de giek van een surfplank, bij de deur een elektronisch orgel, voor het raam een plastic kerstboom. Op de vloer liggen kranten, tijdschriften, kleren. De verwarming staat hoog.

Leila is klein en mager. Ze zit op de bank en rookt shag. 'Lekker warm hier', zegt Thea van Steijn, maatschappelijk werkster. Ze ziet Leila één keer per week, meestal in het Spectrum, de Haagse kliniek voor psychotische patiënten, soms bij Leila thuis. Ook Lies Wouters is er, verpleegkundige. Vanaf de zomer helpen ze Leila. Want Leila heeft schulden.

'Vertel eens', zegt Thea van Steijn, 'waar jij een abonnement op had?'

Leila: 'Lecturama, Bobo, Donald Duck, Rooie Oortjes, Creatief met koken, Dak en Terras, Art Collection, Koken met de magnetron, cursus management en m'n vwo-dipoma bij de loi.'

Thea van Steijn: 'Je had de Klingel, de Wehkamp, de Neckermann, je zat bij het Oranje Investerings Fonds en Spaarbeleg. En omroepgidsen, kranten?'

Leila: 'Canal+, Veronica, Tros Kompas, het AD, de Volkskrant, de bibliotheek.'

Lies pakt een folder van de vloer. 'Hé, ben je ook lid van de eci?'

Niet meer, alleen nog van de Nederlandse Boekenclub. En van de protestantse en de katholieke kerk. 'Je moet toch ergens bij horen?' Ze vindt het leuk om lid te zijn. 'En als ik me verveel, ga ik hysterisch lopen bestellen.'

Thea van Steijn: 'Je denkt ook vaak dat je wat wint, toch?'

Leila: 'Ik heb twee paar schoenen gewonnen bij de Toto. Die moest ik betalen.'

Later zal Lies Wouters ontdekken dat Leila drie uitvaartpolissen heeft, een Foster Parents kindje, en abonnementen op Elegance en Vrouw Vandaag.

Leila werd een paar keer opgenomen. 'Ze zeggen dat ik schizofrenie heb, dat is niet zo.' In het flatgebouw waar ze woont, wordt ruziegemaakt, zegt ze. Er is veel herrie en de buurvrouw doet onaardig. 'Ik houd het niet lang meer vol.' Iedere dag is Leila in de kliniek, op de dagbehandeling. Ze zou er wel willen wonen. 'Dat lijkt me gezellig, maar anderen zeggen dat het een gevangenis is.'

Opbergpsychiatrie

De Kwaliteitsprijs Schizofrenie werd vorig jaar gewonnen door een psyschiatrisch ziekenhuis in Rotterdam. De prijs is van Ypsilon, de vereniging van ouders van schizofreniepatiënten. 'Dat ziekenhuis', zegt Ria van der Heijden, die Ypsilon begin jaren tachtig oprichtte, 'doet niet mee aan die onzin van vermaatschappelijking.' Het had een nieuwe afdeling gebouwd waar psychiatrische patiënten konden wonen.

Ria van der Heijden is drieënzeventig. Haar schizofrene zoon van vierenveertig zit in een kliniek in Noordwijkerhout. Over drie maanden moet hij er weg, hij wordt ondergebracht in een huis met drie patiënten. 'Hij vindt dat vreselijk. Op een grote afdeling val je niet op, dat vindt hij prettig.'

Ria van der Heijden noemt schizofrene patiënten 'mijn kinderen'. Die worden nu allemaal uit de kliniek 'gegooid'. 'Heerlijk voor wie dat aankan. Maar de kinderen die vervuilen, vereenzamen of in een rotwijk terechtkomen?' Schizofrenen, zegt ze, staan altijd achteraan. 'Ze weten niet hoe ze een plaats moeten veroveren. Ga maar bij het Leger des Heils kijken. Mijn kinderen staan achterin de rij tegen zichzelf te lullen.'

Waarom, vraagt ze zich af, moeten patiënten zo nodig onafhankelijk en zelfstandig zijn? 'Het is toch heerlijk als je je boterhammetjes op tijd krijgt? En wat is er nou zaliger dan in de bossen of de duinen wonen?'

Ambtenaren van vws vonden het maar niks dat het ziekenhuis de prijs kreeg. Het moet afgelopen zijn met de 'opbergpsychiatrie', vinden ze. Nederland loopt achter op de rest van de westerse wereld, met Japan hebben we per hoofd van de bevolking de meeste bedden in psychiatrische inrichtingen.

In veel steden worden wel projecten, trajecten of processen bedacht, woonafdelingen gaan dicht. Maar op het ministerie vinden ze dat het niet snel genoeg gaat. Minstens een derde van de patiënten die in een kliniek verblijven, zou 'naar buiten' kunnen. Ook minister Borst zei eind vorig jaar in Psy, een tijdschrift over psychiatrie, dat het 'niet lekker opschiet' met de vermaatschappelijking. Er is sinds kort een 'Task Force Extramuralisering' die moet onderzoeken waarom dat zo is. De minister weet nu al zeker dat er in de geestelijke gezondheidszorg een 'cultuuromslag' nodig is: 'Het is olietankergedrag.'

Uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, twee jaar geleden, bleek dat er nauwelijks nog een hulpverlener te vinden is die vermaatschappelijking géén goed idee vindt. Natuurlijk is het wennen.

Ze moeten overleggen met woningbouwverenigingen en de gemeente, de politie bemoeit zich ermee, het Leger des Heils belt vaker, medewerkers van de thuiszorg moeten weten wat patiënten mankeren.

Maar bijna niemand denkt nog dat patiënten beter af zijn in een inrichting. 'Je ziet', zegt verpleegkundige Paul Kenis van de kliniek het Spectrum, 'dat patiënten zich wat normaler gaan gedragen. Ze moeten zich aanpassen aan de buren.' Psychiater Fred van Essen: 'We vinden in Nederland dat mensen zelf over hun leven moeten kunnen beschikken. Het kan niet meer anders dan zo.'

Alles behoort aan de Heer

In de spreekkamer van de psychiatrische kliniek het Spectrum in Den Haag zit een Surinaamse vrouw, drieënzestig jaar. Paarse jurk, groene hoofddoek, om haar nek een houten kruis. Ze is boos op psychiater Fred van Essen. Omdat hij haar 'iedere keer' laat opnemen. 'Het is prima, hoor', zegt hij, 'dat u boos bent, maar ik heb u laten opnemen, omdat u een zwervend bestaan had.'

De vrouw: 'Niet waar. Alles behoort aan de Heer.'

De psychiater: 'Ik probeer niet tussen u en de Heer te komen.'

De vrouw: 'Jij hebt fout gehandeld. Ik heb hersenletsel door die rotte injecties.'

De psychiater: 'Ik vond dat u uw medicatie moest nemen.'

De vrouw spuugt bijna van woede. 'Jíj vindt, jíj vindt.'

De psychiater: 'U zwierf op straat.'

De vrouw: 'Nou en? Er zijn nog meer zwervers.'

De psychiater: 'U was in een slechte conditie.'

De vrouw: 'Ze denken dat patiënten achterlijk zijn, ze vergeten dat de Heer naast hen staat. Op een listige manier kwamen er mannen bij mij, ze kwamen euthanasie doen. Maar de Heer heeft mij dat verteld. De Heer, de Almachtige, die zei: jij gaat ervandoor.'

De psychiater: 'Toen bent u gevlucht.'

De vrouw: 'Jij verliest het absoluut van God.'

Ze heeft nu een eigen huis, een verpleegkundige komt af en toe bij haar langs. Dat gaat goed, maar de psychiater is er niet zeker van dat ze haar medicijnen regelmatig inneemt. 'Ik moet u wat vervelends zeggen, ik wil dat erop wordt toegezien dat u die tabletten hier inneemt.'

De vrouw: 'Dat had de Heer al gezegd, dat ik ze hier moest nemen. Ik vind het fijn om hier te komen, dit is een Godshuis, hier wordt naar je omgekeken. Mijn huis is ingericht, dat heeft God gedaan, dat is fantastisch. Maar ik zou hier ook wel willen slapen. Als het koud is buiten, of als het glad is.'

Géén medicijnen, géén zakgeld

Om negen uur 's ochtends staat Eduard Berkhout bij de keuken van pension Cornax. Hij wacht op zijn medicijnen. 'Als ik die niet krijg, word ik angstig, godverdomme.' Bij de afwasmachine staat Rinus, een van de oudste bewoners, alcoholist. Hij snuit zijn neus in een blauwwit geblokte theedoek en droogt er glazen en kopjes mee af die nat uit de machine komen. Hij snauwt tegen Eduard. Die moet niet zo ongeduldig zijn, en hij mompelt: 'Ik heb al vijftig keer gezegd dat die man 's avonds zijn schoenen uit moet doen. Ik slaap net onder de trap.'

De andere bewoners staan bij de keuken voor hun zakgeld. Bijna allemaal vinden ze dat ze geen pillen nodig hebben, maar ze moeten wel. Géén medicijnen betekent in Cornax: géén zakgeld. Een jongen stopt alle pillen meteen in zijn mond. 'Uitspugen', zegt pensionhouder Jeffrey Dispa, 'er zit er één bij om te slapen.' De jongen spuugt de pillen in zijn hand. 'Sorry, Jeff.'

Jeffrey is zesentwintig, hij heeft brede schouders, kort blond haar, een rond gezicht. Hulpverleners in de kliniek het Spectrum vinden hem 'te betrokken' bij de patiënten. Zelf zegt Jeffrey dat hij liever niet te lang nadenkt over het leven dat zijn gasten hebben. Hij let erop hoe het 'in hun bovenkamer' gaat, hij maakt grappen met ze, hij zorgt voor ze. En als ze hem echt kwaad maken, een enkele keer, dan slaat hij ze. 'Maar nooit hard. Het is om ze wakker te schudden.'

De meeste pensionbewoners beheren hun uitkering niet zelf. Jeffrey geeft hun er iedere ochtend zakgeld van, tien gulden. Er zijn er die dat geld bij elkaar leggen voor een bolletje wit of bruin, in groepjes gaan ze de straat op. Van de rest worden hun schulden afbetaald, of ze krijgen het aan het eind van de maand. Voor het pension betalen ze 735 gulden. Ze hebben er een bed voor, in een vier- of zespersoonskamer, ontbijt, lunch en een warme maaltijd met twee keer in de week vlees. Op andere dagen kost vlees drie gulden extra.

Het pension is vervallen. Er komt vocht door de muren, de verf bladdert af, in de meeste kamers is het koud en het stinkt er naar asbakken, zweet en vieze kleren. Jeffrey heeft de woningbouwvereniging en de gemeente om geld gevraagd, hij denkt dat er een half miljoen nodig is om Cornax op te knappen. De huurprijs kan niet omhoog. Cornax is het goedkoopste pension in Den Haag, maar deze bewoners kunnen niet méér betalen.

In gesprekken met gemeenteambtenaren dreigt Jeffrey. Als er geen geld komt, sluit hij Cornax. 'Dat zou rampzalig zijn', zegt psycholoog Mark van der Gaag van het Spectrum. 'Dan zitten we met zeker twintig mensen waar we ons geen raad mee weten.'

Want het komt niet alléén door de vermaatschappelijking dat de pensiongasten buiten de kliniek wonen. Ze zijn bijna allemaal al eens uit een instelling gezet, omdat ze te lastig waren. 'Die vermaatschappelijking', zegt Jeffrey, 'komt ze in het Spectrum soms wel heel goed uit.'

De patiënten in Cornax worden wel begeleid door verpleegkundigen uit de kliniek. Die vertrouwen op Jeffrey's oordeel. Als hij zegt dat het niet goed gaat met een van de bewoners, regelen zij een tijdelijke opname.

Er zijn winkeliers die klagen over Cornax, zegt wijkagent Herbert Kreunen van het bureau in de stationsbuurt. 'Maar ze moeten blij zijn, Cornax houdt die mensen van de straat.' De bewoners graaien ook wel in vuilnisbakken - uit gewoonte, denkt hij, ze krijgen in het pension eten - maar ze staan bijna nooit in portieken coke te roken, en van Jeffrey mogen ze in de buurt niemand om geld vragen.

Zet hem maar een nachtje buiten

Eduard Berkhout wil niet onder de douche. Hij stinkt, zegt pensionhouder Jeffrey tegen Ferdinand Langeveld, verpleegkundige van het Spectrum. 'Als het deze week niet lukt, moet jij komen helpen.'

'Zet hem maar een nachtje buiten', zegt de verpleegkundige, 'Dan kiest hij wel eieren voor zijn geld.' Het is begin januari, vrijdagmiddag. Ferdinand zit aan een tafeltje met Jeffrey en zijn moeder Marion. Hij komt iedere twee weken langs, in Cornax wonen vier van zijn patiënten. Ze zijn er nu niet, of ze zitten boven, maar Ferdinand vindt het niet zijn taak om ze in hun kamer op te zoeken.

Eduard Berkhout is net de straat opgegaan, kwaad omdat hij zich moet wassen. Hij is een van de weinige schizofrene pensionbewoners die geen drugs gebruiken.

Hij drinkt wel en hij geeft zijn geld uit aan pornofilms. Het liefst zou hij weer in de kliniek wonen, hij wil een eigen kamer.

Marion: 'Ik heb tegen Berkhout gezegd: Als jij niet onder de douche gaat, ben je mijn spetter niet meer.'

De verpleegkundige zucht. 'Ik ben aan het werk gezet door de zus van Hasnoe.' Raymond Hasnoe is een hindoestaanse bewoner van Cornax. 'Zijn zus wil dat ik andere woonruimte voor hem zoek. Hij zegt dat hij wordt geslagen, dat zijn eten wordt afgepakt.'

Marion staat woedend op. 'Ik zal die bruine eens pakken en vragen wie hem slaat.' Jeffrey zegt tegen Ferdinand: 'Ik zal jou eens wat vertellen. Over veertien dagen staat hij op straat. Precies volgens de regels, hij krijgt veertien dagen om wat anders te zoeken.'

Ferdinand schrikt. 'Nee, nee, dat kan niet. Zo bedoel ik het niet.'

Jeffrey: 'Ze zoeken het maar uit. Als die zus niet de moeite neemt om erachter te komen dat die jongen ouwehoert. Hij krijgt zijn boterhammetjes iedere dag.'

Ferdinand: 'Ik kan er niks aan doen dat hij liegt. Ik zeg dat ze jou moet bellen.'

Opeens gaat het brandalarm af. Het ruitje van het alarm naast de kamer van Eduard Berkhout, op de bovenste verdieping, is ingeslagen. En Berkhout is er weer, hij zit op bed. Nee, hij heeft niet gezien wie het ruitje kapotsloeg. Hij zegt: 'Ik heb m'n voeten gewassen.'

'Mooi', zegt Jeffrey, 'straks breng je mij je vuile was, morgen gaan we douchen. Ik ga voor de deur staan, dan kan niemand binnenkomen.'

Berkhout begint te huilen. 'Waarom maak je mij het leven onmogelijk? In dienst hoefde ik nooit onder de douche en bij het Leger des Heils ook niet.'

Jeffrey: 'Het is toch lekker, joh, water over je heen laten lopen.'

Berkhout snikt. 'Ik hou er niet van.'

Jeffrey: 'Het moet, het is tegen ongedierte.'

Berkhout: 'Dat heb ik niet.'

Jeffrey: 'O, nee? Zullen we een kam door je haar halen?'

Berkhout: 'Ik heb geen roos ook.'

Jeffrey is opgeleid tot kok en werkte vier jaar in restaurants in de stad. Hij heeft nooit iets gelezen over schizofrenie. 'Hoe meer je erover weet', denkt hij, 'hoe banger je wordt.' Hij heeft zich voorgenomen: als hij op een dag bang wordt, houdt hij ermee op. 'Ik ben niet één van de kleinsten, maar als Yechiël Schreve me zou toetakelen, ga ik liever straatvegen. Als die doordraait, slacht hij het halve huis af.'

Mijn vader was bankrover

Yechiël Schreve (28) is een lange, magere jongen met blond haar. Hij is vrolijk, vriendelijk. Maar er is bijna geen hulpverlener in Den Haag die met hem te maken wil hebben, en de politie van het bureau in de buurt weet: als Schreve lastig wordt, moeten ze er met véél mannen op af.

Op de lagere school werd Yechiël gepest. Zijn moeder stuurde hem naar de sportschool, hij leerde er judo en taekwondo. Nu zijn er zo'n vijftien hulpverleners nodig om hem in de isoleercel te krijgen als hij psychotisch is. Een verpleegkundige van het Spectrum werd deels arbeidsongeschikt na een klap van Yechiël. Hij heeft nu een begeleider van het 'intensive case management', een team hulpverleners dat de moeilijkste patiënten in de stad zover probeert te krijgen dat ze hun medicijnen innemen. Het belangrijkste doel: zorgen dat deze patiënten niet opgenomen worden. Geen instelling zit op ze te wachten.

Yechiëls vader, zegt Yechiël zelf, was bankrover. Zijn ouders scheidden toen hij drie was, hij woonde anderhalf jaar in een kindertehuis. Op de middelbare school werd hij lid van de Jeugdbond voor Geschiedenis, hij wilde geschiedenis studeren. Maar net voor zijn vwo-examen kreeg hij zijn eerste psychose. Door de spanning, denkt zijn moeder. En zijn verkering was kort ervoor uitgegaan. Yechiël was cocaïne gaan gebruiken.

De diagnose, schizofreen en manisch depressief, vond hij onzin, hij dacht dat hij geen medicijnen nodig had. Zijn moeder kon hem niet langer in huis hebben: 'Hij sloopte de boel, er was geen afspraak met hem te maken.'

De klinieken, Bloemendaal in Monster en het Spectrum in Den Haag, zetten hem op straat omdat hij zich had misdragen, omdat ze vonden dat hij door zijn drugsgebruik niet in hun instelling paste, of hij liep zelf weg. Hij had een kamer in de stad, maar verwaarloosde zichzelf, nam geen pillen, en opnieuw werd hij opgenomen in Bloemendaal. Hij wilde er blijven, maar Bloemendaal wilde hem niet. Eind 1998 kwam er een bed vrij in pension Cornax. 'Het moet maar', zei hij, 'for the time being.' Leuk vindt hij het niet. 'De mensen die hier zitten, komen van nergens en ze gaan nergens heen. De tv staat op sport, tekenfilmpjes, muziek. Meer kunnen ze niet bevatten. Noorderlicht kan ik wel vergeten.'

Op het ministerie van vws weten ze dat verslaafde schizofrene patiënten - in Den Haag noemen ze dat double trouble - nauwelijks zonder voortdurende zorg kunnen. Maar ook in de kliniek kunnen ze vaak niet blijven. Tweede-Kamerleden hebben de minister er vragen over gesteld, en de 'Task Force Extramuralisering' weet dat er iets moet worden bedacht voor die groep. Misschien moeten er meer sociale pensions komen. In Den Haag zijn er zo'n vijftien - volgens ambtenaren is Cornax 'de meest tolerante' - en ze bestaan ook in andere grote steden. Maar de laatste jaren houden veel pensionhouders ermee op. Ze verdienen weinig, en ze vinden psychiatrische patiënten lastig.

Jeffrey heeft naast Cornax een broodjeszaak, een restaurant, en in de zomer verhuurt hij waterfietsen. Na zijn laatste vakantie, hij was in december op Cuba, had hij er even geen zin meer in. 'Ik woon om de hoek. Als ik in bed lig en ik hoor een politiewagen langskomen, weet ik dat ik na vijf minuten mijn schoenen kan aantrekken.'

Nogal armoedig

In Cornax, zegt Nico Wassenberg, verpleegkundige van psycho-medisch centrum Parnassia, waar het Spectrum bijhoort, ziet de vermaatschappelijking er 'armoedig' uit. Het kan ook anders. Paul bijvoorbeeld, een van zijn schizofrene patiënten, heeft een keurige flat, en een baan. Hij werkt vijftien uur in de week op de receptie van een welzijnsorganisatie.

Paul (38) is een stevige man met kort blond haar, een bril, een snor. In zijn woonkamer staan een computer, een aquarium, op de schoorsteen Van Dale woordenboeken en foto's van kerkorgels.

Op zijn twaalfde kreeg hij dwangneuroses. Hij controleerde steeds maar of de deur op slot was, hij zat aan de lichtschakelaars. Dat kwam, zegt hij, omdat hij naar de mavo ging en zijn beste vriend naar de havo. 'Die scheiding heb ik me zó aangetrokken. In de klas zat ik in mezelf te praten, ik werd ermee gepest.'

Na school werkte Paul bij de sociale werkvoorziening. Hij gedroeg zich, zegt hij, bizar. Hij was bang, raakte psychotisch. Soms zat hij naakt in het park boeken te lezen over karpers. Jarenlang woonde hij in een kliniek.

Hij liet zich dopen bij de Pinkstergemeente. 'Ik zocht genezing via de hand van God.' Het gaat nu acht jaar goed. Alleen 'in de verte' hoort Paul soms nog stemmen, hij slaapt slecht, is snel moe, en hij kan niet tegen drukke mensen.

Eén keer, in de kliniek, had hij een vriendin. 'Zij was erg ziek.' Hij is een avond naar de film geweest met de vrouw van de thuiszorg die bij hem schoonmaakt. Na de film aten ze bij McDonalds. 'Het klikte, maar het is toch anders gelopen. Dat zou te maken kunnen hebben met mijn ziekte.'

Hij heeft twee vrienden van vroeger, hij gaat om met oud-collega's van de sociale werkvoorziening en hij komt nog in het Spectrum. 'Soms denk ik dat ik dat niet meer moet doen, dat ik niks meer te maken wil hebben met de psychiatrie. Maar als ik somber ben en ik wil iemand zien, waarom zou ik dan niet gaan?' Zijn buren groeten hem 'met moeite'. Hij denkt dat ze zich herinneren dat hij zonder kleren door het portiek liep. Misschien zijn ze bang.

Patiënten willen werken

Tot eind jaren zeventig werkten psychiatrische patiënten in de tuin bij het ziekenhuis of in de keuken van de inrichting. Opeens heette dat uitbuiting. Ze moesten toneelspelen, dansen, muziek maken of groepsgesprekken voeren. Niet iedere patiënt vond dat leuk. Maar nu ze in een eigen huis wonen, klagen ze dat ze zich vervelen. Ze verlangen niet naar het drama-uurtje, ze willen werken. Dat blijkt uit enquêtes die onder patiënten worden gehouden. Activiteitenbegeleiders van het psycho-medisch centrum Parnassia in Den Haag, waar de kliniek het Spectrum onderdeel van uitmaakt, worden nu 'trajectbegeleiders' genoemd. Ze moeten patiënten helpen om erachter te komen wat voor werk ze willen. Er is ook geld voor een job coach die bij bedrijven en organisaties langsgaat om werkplekken te vinden. Want dat is 'vraaggericht' werken zoals het ministerie van vws graag wil.

Volgens Els Dreijer, trajectbegeleider in het Spectrum, zijn de uitkomsten van de enquêtes 'verneukeratief'. 'Het is vaak druk van buiten, je telt niet echt mee als je niet werkt.' En ook werkgevers hebben er geen zin in, ze denken dat psychiatrische patiënten gevaarlijk zijn of onbetrouwbaar. Het is ook wel zo, zeggen hulpverleners, dat veel schizofrenen 's ochtends maar met moeite opstaan en ze houden zich slecht aan afspraken. Vaak komen ze niet verder dan 'leerwerkprojecten' in speciale werkplaatsen.

Creatief Anachronisme

Yechiël Schreve denkt soms dat hij in een warm land, buiten de stad, zou kunnen leven als andere mensen. Hij denkt ook weleens dat hij een vrouw en kinderen wil, en een baan. 'Maar nu heb ik de dag aan mezelf.'

Yechiël schrijft gedichten, meestal in het Engels. En hij is lid van de Vereniging voor Creatief Anachronisme. De leden komen een paar keer per maand bij elkaar. Ze dragen middeleeuwse kleren, koken middeleeuws eten, organiseren schermwedstrijden, ze luisteren naar middeleeuwse muziek en zingen middeleeuwse liederen. Van de patiënten in Cornax is Yechiël daardoor de enige die veel mensen kent buiten de psychiatrie en het pension.

Op een woensdagavond in december is Yechiël in een sporthal in Utrecht voor een avond middeleeuws dansen. Hij is maanden niet geweest omdat hij geen geld had voor de trein, bijna alles gaat op aan cocaïne. Er zijn deze avond tien leden, maar niemand vraagt hem waar hij was, hoe het met hem gaat. Bij de eerste dans kan hij niet meedoen, er zijn te weinig vrouwen. Yechiël staat aan de kant, ogen dicht, hij beweegt langzaam heen en weer.

'Hij maakt gevoelens van angst bij ons los', zegt Sanne van der Laan, voorzitter van de vereniging. 'We weten niet wat er kan gebeuren als hij een psychose krijgt.' Yechiël doet wel zijn best. Afgelopen zomer had hij de taak om tijdens de zwaardgevechten toeschouwers op afstand te houden. 'Hij liep het vuur uit zijn sloffen.' Maar 's avonds was hij dronken, bij het kampvuur viel hij gillend achterover. 's Nachts werd er geschreeuwd, iedereen dacht dat het Yechiël was. Het bestuur van de vereniging heeft erover vergaderd, maar ze hebben geen idee wat ze met Yechiël aanmoeten.

Hoge aaibaarheidsfactor

De leden van de Vereniging voor Creatief Anachronisme weten bijna niks over Yechiël. Ze weten niet dat hij hulpverleners heeft geslagen, ze weten alleen wat hij hun zelf vertelde over zijn ziekte, en ze hebben gebeld met de verpleegkundige die hem begeleidt. Maar schizofrenie klinkt eng. En áls de vermaatschappelijking van de psychiatrie mislukt, denkt psycholoog Mark van der Gaag van het Spectrum, dan komt het door die angst. 'Zwakzinnigen werden ook in woonwijken ondergebracht, maar dat ging ongemerkt. Die hebben een hoge aaibaarheidsfactor.'

Niet meer dan drie procent van de schizofrenen is volgens Van der Gaag agressief. 'Maar zíj komen in de krant.' Denk maar, zegt hij, aan de moord in de Amsterdamse Vrolikstraat, voorjaar 1993. Een psychotische man sloeg een twaalfjarig meisje dood, het werd groot nieuws. 'Maar wie weet dat in dezelfde week in Eindhoven een schizofrene man op gruwelijke wijze werd vermoord door twee jongens? De man was jarenlang door die jongens getreiterd.'

Veel mensen weten volgens Van der Gaag niet hoe ze met psychiatrische patiënten moeten omgaan. 'Ze denken: gekken, die moet je niet tegenspreken.' Maar het zijn vaak 'goedzakken', er wordt misbruik van ze gemaakt. 'Ook in de goot, bij junks en daklozen, staan ze onderaan in de hiërarchie.'

Wat doet bijvoorbeeld de cocaïneverslaafde in de slaapkamer van Said Beharie? Het is begin december, Said (44) zit in de woonkamer van zijn huis, in een buitenwijk van Den Haag. Paarse broek, gestreepte trui, muts op. Hij praat zacht, hij wil zijn gast niet wakker maken. Het is een 'brutale jongen'. Said ontmoette hem op het station, de jongen had geen huis en Said wel. Hij zou, zegt hij, de politie kunnen vragen of ze de jongen eruit zetten. Dat doet hij toch maar niet. Of hij bang is? 'Nee, maar ik wil geen ruzie.'

Said zegt dat hij de koning van Suriname is. Maar bijna niemand gelooft hem. 'Ze denken dat ik psychotisch en schizofrenisch ben.' Hij woonde in klinieken in Amersfoort, Eindhoven en Den Haag. 'Ik had de krankzinnigheid, de hopeloosheid en de onvolwaardigheid. Door de ontbering van de neger en de zwarte kunst.' Nu heeft hij een eigen huis, iedere week komt er een verpleegkundige. Maar vaak is Said er niet, of hij slaapt. 'Dan moeten ze een afspraak maken. Ze treiteren, ze dreigen, ze willen de baas over me spelen.'

Een paar weken later wordt Said opgenomen in het Spectrum. Hij was dag en nacht aan het schoonmaken. Alles boende hij, ook etensresten werden zorgvuldig gesopt. Het huis werd er alleen maar viezer van. Said had maanden geen medicijnen genomen. De cocaïneverslaafde was weg, Saids geld was op.

Lid van de Kunstkring

Een enkele keer neemt het Spectrum ook schizofrene patiënten op als die hun woonruimte zijn kwijtgeraakt. Arthur Blok (26) bijvoorbeeld. Hij had een kamer in de stad, maar er kwamen drugsdealers bij hem wonen, ze lieten Arthur er niet meer in. Hij bleef maar kort in de kliniek, een verpleegkundige regelde een bed voor hem in pension Cornax.

Iedere dag gaat hij op bezoek bij zijn moeder in het Haagse Zeeheldenkwartier. Maar als Arthur drugs heeft gebruikt, laat ze hem er niet in. In de straat was er een keer iemand die vroeg: 'Wie is die jongen die altijd bij u voor de deur aan zijn haren staat te trekken?' 'Ik heb lieve buren, hoor', zegt ze. 'Ik heb bij hen ook weleens de politie voor Arthur moeten bellen.'

Als Arthur bij haar is, doet ze de lichten aan in de hal en in de kamer beneden. 'Dan kan iedereen van buiten naar binnen kijken.'

Arthurs moeder is negenenzestig, ze draagt een witte blouse, een bruine wollen rok. In de woonkamer staat een Rippen vleugel, op tafel ligt het verzameld werk van Giorgio Bassani. Ze schildert, ze is lid van de Haagse Kunstkring.

In de derde klas van het vwo kon Arthur zich opeens niet meer concentreren, hij maakte zijn huiswerk niet meer. Hij rookte marihuana, zijn moeder dacht dat het daardoor kwam. Ze stuurde hem naar kostscholen in Drenthe en later in Engeland. Hij werd gepest, zei hij. Zijn moeder haalde hem op.

Hij werd opgenomen, maar hij liep weg en ging bij zijn moeder wonen. Hij nam zijn pillen niet en werd agressief. 'Vier politiemannen hebben hem uit de douche moeten halen.'

Arthur woont nu een jaar in Cornax. Zijn moeder noemt Jeffrey en zijn moeder '? Flinke mensen'. 'Maar ik streef naar een eigen kamer, naar een plek waar Arthurs spullen niet gestolen worden.' Arthur staat op de wachtlijst van Beschermd Wonen. Hij kan er alleen een kamer krijgen als hij stopt met drugs. Dat probeert hij, zegt zijn moeder. In een agenda hield hij bij hoe het ging, maar die raakte hij kwijt in het pension.

Op een donderdagochtend zit Arthur in een Chinees restaurant in de buurt van Cornax. 'Morgen is het vrijdag', zegt hij. 'Een mooie dag om af te kicken.' Hij heeft lang, bruin haar.

Om de paar minuten doet hij zijn hoofd opzij en duwt met twee vingers de lokken die voor zijn gezicht vallen, achter zijn oren. Op zijn armen heeft hij wondjes en blauwe plekken.

Hij vertelt dat hij in een kliniek heeft gezeten. 'Dat komt door mijn moeder. Ik ben zo boos op haar geworden.' Dan zegt hij: 'Ik heb nog twee gulden tien, ergens in een kistje.' En: 'Je hebt pilletjes, dat zijn drugs, daar moet je nooit aan beginnen.' Hij kijkt strak voor zich uit, opeens zegt hij: 'Is het Allah? Of is het God? Het zijn stemmen in mijn hoofd.'

Er zijn hulpverleners in het Spectrum die bang zijn voor Arthur, hij schreeuwt en dreigt als hij hen op straat ziet. Pensionhouder Jeffrey moet om Arthur lachen. Omdat hij zijn benen scheert en bh's op zijn kamer heeft liggen. 'Wat je er ook aan medicijen instopt bij die jongen', zegt hij, 'het wordt nooit wat. Hij is zo gek als een ui.'

Gedragsstoornissen

In het Sterhuis, een dagactiviteitencentrum voor psychiatrische patiënten in Den Haag, zit op maandagmiddag een lange, dikke man, zesenveertig jaar. Achterovergekamd blond haar, een grote bril. Hij speelt mens-erger-je-niet. De man heeft ernstige gedragsstoornissen. Hij woont aan de rand van de stad. Met de buren heeft hij ruzie, in de buurt moeten ze hem niet, omdat hij soms opeens zijn broek laat zakken. Hij heeft thuiszorg nodig, maar niemand durft bij hem thuis te komen.

Een jaar lang mocht hij het Sterhuis niet in. 'Hij had de boel kort en klein geslagen, en ook een medewerker', zegt Martine Bouwman van de stichting Dagactiviteiten Centra Den Haag. Nu mag hij er alleen op maandag- en donderdagmiddag komen. Dan zijn er speciaal voor hem extra medewerkers.

Twee jaar geleden gijzelde hij een vrouw en kinderen om opname af te dwingen. Hij was psychotisch, hij is depressief, maar geen instelling wil hem hebben.

Hugo Brits, ambtenaar volksgezondheid van de gemeente Den Haag, vindt dat het in zijn stad goed gaat met de vermaatschappelijking. 'De psychiatrie is niet meer zo'n geïsoleerd bolwerk, er wordt samengewerkt.'

Maar, zegt hij, 'we worden óók geconfronteerd met het falen ervan. Het gebeurt nog altijd dat uitbehandelde cliënten gewoon op straat worden gezet.' In Den Haag zijn er volgens hem zo'n vijfentwintig 'notoire lastpakken'. 'Verslaafd, agressief, ze vertonen gestoord gedrag, maar de psychiatrie houdt ze buiten.' Justitie kan er ook niks mee. 'Ze uiten enorme bedreigingen, maar de feitelijke misdaden vallen mee.'

Brits vindt dat deze patiënten opgesloten moeten worden in een speciale inrichting. Er zou niet te moeilijk moeten worden gedaan over drugs, er zou niet meteen behandeld moeten worden. 'De meesten zijn afgeknapt op hulpverlening. Je moet hun vertrouwen winnen, op den duur kun je vragen: wil je hier eeuwig zitten, of wil je nog wat met je leven?'

Het Haagse psycho-medisch centrum Parnassia, waar de kliniek het Spectrum bij hoort, heeft veertig 'gesloten woonbedden'. De tweehonderdtwintig patiënten die in Parnassia verblijven, worden nu 'herschikt naar wens en behoefte'.

Hulpverleners leren in werkgroepen en projecten hoe ze er achterkomen wat die wensen en behoeften zijn, patiënten vullen vragenformulieren in. 'Maar het is niet: u vraagt, wij draaien', zegt Gert Jan Tupker, directeur bedrijfsvoering van Parnassia. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig schizofrene patiënten die vinden dat ze ziek zijn en pillen nodig hebben. Die worden, als het mis dreigt te gaan en ze verzetten zich, onder dwang tijdelijk opgenomen. Maar niet iedere patiënt. 'Sommigen zijn zó bedreigend. Onze veiligheid moet niet in gevaar komen. We proberen dan nog wel afspraken met ze te maken over medicijnen.'

Een paar maanden geleden meldde een manisch-depressieve ex-marinier zich bij het Spectrum, hij voelde dat het niet goed ging. De man kwam in de isoleercel terecht, omdat hij bij fysiotherapie een klimrek van de muur trok, en hij zou bouwvakkers op het terrein hebben bedreigd. De psychiater vroeg bij de rechtbank een 'inbewaringstelling' aan, hij wilde hem in de isoleercel houden.

De rechter kwam, hij vroeg: 'Mijnheer, wat wilt u zelf?'

De ex-marinier begon te salueren en Frans te praten, hij trapte een asbak naar de psychiater. Hij wilde naar de afdeling.

De rechter vond hem niet gevaarlijk genoeg voor de isoleercel. Maar de psychiater vond dat hij ook niet op de afdeling kon blijven, andere patiënten werden onrustig van hem, en er waren te weinig verpleegkundigen. Wat de wens en behoefte van deze patiënt ook was, hij werd naar huis gestuurd. Een paar nachten logeerde hij bij een man van drieëntachtig die hem eerder had geholpen. De oude man belde de psychiater, hij was woedend. 'Weet u wel wat u mij aandoet?'

'We beloven de buren, de familie of de bazin van de coffeeshop dat we een patiënt opnemen als het in de stad fout gaat', zegt verpleegkundige Paul Kenis van het Spectrum. 'Maar we kunnen dat niet meer waarmaken.' Een paar maanden geleden werd een afdeling in het Spectrum gesloten, er was te weinig personeel. 'Ik ken zo vier mensen die eigenlijk een time out nodig hebben in de kliniek. We kunnen niemand opnemen.'

Veel hulpverleners vinden dat het niet goed gaat met de vermaatschappelijking. Omdat zijzelf met te weinig zijn, omdat 'de' maatschappij ze niet wil, of omdat het juridisch zo lastig is mensen tegen hun zin op te nemen. 'Maar', zeggen ze, 'we kunnen ze ook niet meer in grote klinieken stoppen.'

Ze kunnen wél in pensions wonen. Op een vieze, tochtige kamer met drie of vijf andere patiënten. Onder begeleiding van een kok die ze hun medicijnen geeft en niet bang voor ze is. 'Fijn voor de jongens', vindt pensionhouder Jeffrey, 'dat ze naar buiten kunnen wanneer ze willen. Maar of het nou echt goed voor ze is, in zo'n stad?' M

Petra de Koning is redacteur van NRC Handelsblad.

Jurgen Huiskes is documentair fotograaf. Tijdens zijn studie aan de Kunstacademie in Den Haag werkte hij in een psychiatrische inrichting.

[streamliners] Waarom moeten patiënten zo nodig onafhankelijk zijn? 'Het is toch heerlijk als je je boterhammetjes op tijd krijgt?'

Jeffrey heeft nooit iets gelezen over schizofrenie. 'Hoe meer je erover weet, hoe banger je wordt.'

Paul was bang, hoorde stemmen. Soms zat hij naakt in het park boeken te lezen over karpers.

'Ik had de krankzinnigheid, de hopeloosheid en de onvolwaardigheid. Door de ontbering van de neger en de zwarte kunst.'

'Wat je er ook aan medicijnen instopt bij die jongen, het wordt nooit wat. Hij is zo gek als een ui.'

    • Petra de Koning